A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z


Harcourt: Kangaroo route tied down, sport
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

World At Risk "Instant Book" Tomorrow">Vintage to Publish World At Risk "Instant Book" Tomorrow
Ad - Get Info for Book Publishing from 14 search engines in 1.

PW Morning Report, December 2, 2008">The PW Morning Report, December 2, 2008
Extract not available.

De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 by Various



V >> Various >> De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65



De vorm van die steenen banken of palen trok mijne aandacht. Een
archeoloog, die zulke steenen op eene heide van Bretagne vond, zou
zonder aarzelen daarin een dolmen zien, zoo als onze keltische of
voor-keltische voorvaderen die plachten op te richten; en het zou
hem niet in de gedachte komen, dat die steenen niet moesten dienen
om daarop den goden te offeren, maar enkel om een watervat te dragen,
bestemd om den dorst te lesschen van den vermoeiden wandelaar. Even zoo
zouden de met een rieten afdakje gedekte massieve zuilen of palen van
ruw graniet, aan de kruispunten der wegen, overal elders voor menhirs
worden aangezien; maar een kleine steen, dwars aan den top bevestigd,
herinnert u dat deze pilaren een kruis moeten verbeelden; bij gebreke
van zulk een steen, is zelfs eene horizontale groeve voldoende om het
granietblok te wijden. Men vindt hier exemplaren van alle mogelijke
overgangsvormen tusschen den ruwen menhir der heidensche tijden,
en het fraai bewerkte, met opschriften en beeldwerken bedekte
christelijke kruis.

Onze reis, onder de gunstigste voorteekenen begonnen, zou dien dag
niet zoo gelukkig afloopen. Onze gids wist den weg niet, en wij
waren meer dan eenmaal genoodzaakt, hem in het rechte spoor terug
te brengen. Daarmede ging echter een kostbare tijd verloren, en
wij waren nog op aanmerkelijken afstand van het dorp Kampuluinyag,
toen een geweldig onweer boven onze hoofden losbarstte, gepaard met
sterken wind en plassenden stortregen. Wij waren er zeer ongelukkig
aan toe. Onze verschrikte en beangste paarden klauterden, als met
wanhopige drift, tegen de in stroomen veranderde paden op, lieten
zich langs de doorweekte hellingen afglijden, wierpen zich te midden
van de dennentakken, die ons in het gezicht sloegen, en toen de weg
geheel onkenbaar werd, waadden zij blindelings voort door de steeds
klimmende wateren der beek. Eindelijk zagen wij aan de andere zijde
van het dal eene half voltooide hut, waarop het dak reeds gelegd was;
en in rechte lijn voorthollende, dwars door het plassende water,
door slooten en weilanden, bergden wij ons, menschen en paarden te
zamen, in de woning. Gelukkig lagen er blokken hout in menigte op den
grond. Wij haastten ons, een groot vuur te ontsteken om ons zelven
en onze kleederen te drogen, en weldra zagen wij er weder als gewone
menschen uit.

Het onweer had uitgeraasd, en de verdeelde wolken trokken naar
het oosten af, toen een jonge Walachijer de hut binnentrad. Dat
was de eigenaar, die, rook uit zijn dak ziende opstijgen, haastig
kwam aangeloopen, meenende dat zijn hut in brand stond. Weldra door
ons gerustgesteld, was hij dadelijk bereid om ons te helpen bij de
inrichting van ons voorloopig domicilie, en bood zich zelfs aan om
ons naar den Retyezat te brengen, waarmede hij, volgens zijn zeggen,
zeer goed bekend was. Wij namen dit aanbod gretig aan, en lieten
onzen gids met de paarden vertrekken.

Verheugd, dat er nog kans bestond om voor het vallen van den
avond den voet van den Retyezat te bereiken, maakten wij zoo veel
mogelijk voortgang. De lucht, door het onweer gezuiverd, was heerlijk
frisch; enkele nevelwolken zweefden nog om de donkere toppen der
met dennen begroeide bergen; van alle kanten stroomde het water, in
schilderachtige valletjes, naar de hoog gezwollen beek. De weg volgde
beurtelings den eenen en den anderen oever, en telkens moesten wij
het rivierke oversteken, nu eens over zware boomstammen tot een brug
saamgevoegd, dan over losse planken, half in het water gedompeld en
met schuim omzoomd. Wij hadden in de transylvanische Alpen reeds menig
bekoorlijk landschap gezien: maar dit scheen ons wel het schoonste,
door de wondere harmonie van weilanden en bosschages, stroomende
wateren en met mos begroeide rotsen: het geheel geleek een prachtig
park. De hooge top van den Plesa, die zijn regelmatige pyramide aan
het einde van het dal ten hemel beurt; de donkere bergkloof, die
ten noordwesten gaapt en waaruit u de verre donder der watervallen
tegengromt, verhoogen nog, door de tegenstelling, den indruk van rust
en vrede, dien de liefelijke vallei op u maakt. Terwijl wij onder dien
prachtigen lommer wandelden of ons neervleiden op het malsche gras,
konden wij niet zonder weemoed en schrik aan de misschien nabijzijnde
toekomst denken, wanneer ook dit stille dal der Karpathen de aandacht
van leegloopers en spekulanten zal trekken, de reis daarheen mode
zal worden, en deze heerlijke natuur bedorven zal worden als in zoo
menig dal der Alpen en der Pyreneen.

De schaapskooi, waarheen onze gids ons bracht, en die ook het eenige
gebouw was, waar wij, mijlen in den omtrek, een schuilplaats konden
vinden, was een dier vormelooze hutten, die in de fransche Pyreneen
"coueylas" of "jasses" worden genoemd; het eenige verschil was, dat
zich hier rondom de steenen loods een poel bevond van slijk en mest,
een zee van vuiligheid, waarin door elkander menschen, koeien en
varkens ploeterden. De koemest wordt hier niet gebruikt voor bemesting
van het land of als brandstof: alles blijft liggen en vormt, met
het vuile water, een afschuwelijken poel. Mijne makkers en ik, wij
kijken elkander in stomme wanhoop aan; maar wat te doen? Zeker ware
het beter geweest, ons bivouak op te slaan in de open lucht, onder een
boom; maar de grond was doorweekt van den regen; de avondlucht was,
op deze hoogte, reeds zeer koud, en wij vreesden onbeleefd te zijn
jegens de herders, die ons zoo gastvrij ontvingen. Wij verzamelden
dus onzen moed, en van steen tot steen springende, trachtten wij
zonder ongeval den ingang der "jasse" te bereiken.

Al de bewoners der woning stonden verbaasd bij het zien van
vreemdelingen, die bij hen zouden overnachten. Zij betastten onze
kleederen en verschillende voorwerpen, die wij bij ons hadden en die
voor hen stellig geheel nieuw waren, en konden hunne nieuwsgierigheid
niet bevredigen. Aanvankelijk ging het vrij goed: de jonge mannen
zongen voor ons eenige liederen en antwoordden, zoo goed zij konden,
op onze vragen naar het land en de plaatselijke gebruiken; maar toen
het later werd, en de gansche bevolking, mannen, vrouwen, grijsaards,
kinderen, zich naar een hoek terugtrok om te gaan slapen, toen begon
de foltering. De nachtwandelende insekten, waarvan alle walachijsche
huizen wemelen, kwamen uit alle hoeken en gaten te voorschijn, en
wierpen zich op de versche prooi. Mijn twee metgezellen, minder dan
ik tegen dergelijke kwellingen gehard, konden het niet uithouden,
stonden op, gingen weer liggen en stieten allerlei gesmoorde kreten
uit. Gaarne zouden wij naar buiten zijn gegaan, maar er viel niet
aan te denken, om in den donker den modderpoel over te steken. Met
hoeveel vreugde werd eindelijk, na den korten zomernacht, de dageraad
door ons begroet! Wij gunden ons zelfs geen tijd, om het prachtige
panorama te genieten en haasten ons, zoo spoedig mogelijk weg te komen.

De Retyezat verheft zich hoog bezijden de bergketen, die zijn naam
draagt, als een herder die zijn kudde bewaakt. De weg derwaarts,
die over twee bergreeksen voert, is lang en vermoeiend, maar zeer
schoon. De hooge weilanden in dit gedeelte der Karpathen gelijken
sprekend op sommige streken in de Pyreneen: dezelfde waterkommen,
meertjes en watervallen; dezelfde beeken en bronnen, ontspringende
tusschen het dichte gras en de bloemen, om tusschen het mos en de
steenen te verdwijnen; dezelfde krachtige, knoestige dennen, de
vooruitgeschoven wachters van het woud. Boven deze streek zijn de
toppen en plateaux, die ten noorden door de steile hellingen van den
Retyezat begrensd worden, geheel bedekt met een oceaan van steenen,
zooals men waarschijnlijk noch in de Alpen, noch in de Pyreneen vinden
kan. Somwijlen vormen deze steenen allerlei zonderlinge figuren,
maar doorgaans zijn zij in chaotische wanorde door elkander geworpen.

Het uitzicht van den top van Retyezat is zeer schoon en omvat een
wijden horizon, met name aan de noordzijde, waar men de gansche vallei
van Hatszeg, en verder de heuvels en bergen van centraal Zevenbergen
overziet. Maar vooral wordt de aandacht getrokken naar den eenige
honderden ellen diepen afgrond, aan den noordelijken voet van den
berg: daar is geen chaos van steenen, maar een loodrechte diepte,
waarin beneden kleine meertjes en beeken schitteren, die ge ziet, maar
wier geluid ge niet hoort; slechts enkele grijze mossen verlevendigen
de akelige doodschheid van deze kloof. Het was reeds laat, toen wij
van den Retyezat afdaalden; wij hadden nog juist den tijd, voor
zonsondergang een weiland te bereiken, waar wel geen woningen te
vinden waren, maar waar wij toch, in een kamp van herders, onder de
overhangende takken van dennen, rustig den nacht doorbrachten.

Wij hadden nu slechts den loop van de beek te volgen om de vallei van
Hatszeg te bereiken. De weg is vrij goed onderhouden, maar in deze
gansche uitgestrekte vallei, die wij niet dan in acht uren konden
doorrijden, vonden wij geen enkele vaste woning, niettegenstaande de
grond overal de sporen van de weelderigste vruchtbaarheid vertoont.

Aan den uitgang der vallei, ligt het dorp Rua de Mora, waar we
gelegenheid hadden de schilderachtige kleederdrachten der rumeensche
landlieden te bewonderen, want het gansche dorp was, ik weet niet
waarom, in feestgewaad gehuld.

Onze tocht naar de mijnen was afgeloopen, en wij keerden over
Vayda-Hunyad naar het station Deva terug. Tijdens mijn bezoek,
verkeerde het land in geen gunstigen toestand. Reeds sedert twee
jaren heerschte er gebrek, dat in hongersnood dreigde over te gaan;
de cholera, een gevolg mede van armoede en dronkenschap, woedde met
groote hevigheid. Zoo kwam het, dat de landen, tijdens de omwenteling
aan de boeren afgestaan, ziender oog in andere handen overgingen en de
Joden overal eigenaars van den grond werden. Deze inbezitneming van
den grond door vreemdelingen, die zich geen ander doel stellen dan
het volk, waaronder zij wonen, zooveel mogelijk te onderdrukken en uit
te zuigen, is een zeer bedenkelijk verschijnsel, vooral in een land,
waar de verschillende rassen zoo scherp tegenover elkander staan. Daar
komt nog bij, dat de zoogenoemde Saksers van Zevenbergen, wier aantal
voortdurend afneemt, en die vroeger er niet aan dachten den Magyaren
den voorrang te betwisten, tegenwoordig, sterk door de ondersteuning
hunner duitsche broeders, den strijd op nieuw hebben aangebonden. Het
is te vreezen, dat de onderlinge haat der verschillende nationaliteiten
aan Zevenbergen nog bange dagen zal bezorgen.


Drie Toskaansche steden.
Empoli.--San-Gimignano.--Volterra.


I.

De heer Havard heeft een veel gelezen boek geschreven, onder den
titel: Les Villes mortes du Zuyderzee; en ware het niet, dat ik voor
de eenvoudige schetsen, die hier volgen, elke vergelijking met dit
boek, als gevaarlijk, moet wenschen te vermijden, dan zou ik ook
wel boven dit opstel hebben willen schrijven: De doode steden van
Toskane. Want inderdaad, de steden, waarvan de namen hierboven te
lezen staan, worden maar uiterst schaars door toeristen bezocht,
en hare voornaamste aantrekkelijkheid ligt dan ook in haar verleden,
in de herinneringen en overblijfselen, die zij nog van dat verleden
bewaard hebben. Wij gaan een stuk oude geschiedenis, als uit het graf,
voor onze oogen zien oprijzen; ons verplaatsen te midden der monumenten
van een lang vervlogen tijd. Wie voor deze dingen geen hart heeft,
houde zich dus voor gewaarschuwd, en ga niet mede; maar welkom is
ons ieder, voor wien het eene behoefte is, juist in die herinneringen
van het verleden bij wijlen een troost te zoeken te midden van al de
verwarring en overprikkeling van het heden.

Een eerste bezoek aan Italie is doorgaans niet anders dan voldoening
aan een zekere mode of aan eigen nieuwsgierigheid; maar wie dat land
in den grond heeft leeren kennen en liefhebben--wat in menig opzicht
hetzelfde is;--wie hier als het ware een ander, een ideaal vaderland
gevonden heeft, voor hem is het wederzien, na jaren lange afwezigheid,
een onuitsprekelijk, het gansche hart doortrillend genot.

Ik had te Pisa op den spoortrein plaats genomen, om over Sienna naar
Rome te gaan, en moest nu te Empoli uitstappen en drie uren wachten op
het vertrek van den volgenden trein. Deze aloude groote marktplaats der
toskaansche volksstammen, allengs afgedaald tot den rang eener kleine
landstad, vervolgens tot dien van fabrieksplaats en van station van de
ferrovia, is tegenwoordig voor de reizigers en vreemdelingen ook niet
veel meer dan een plattelandsstation, waar men somwijlen genoodzaakt
is, eenige uren van zijn kostbaren tijd nutteloos te verspillen.

Om een ontbijt te bekomen, moesten wij de ons aanbevolen herberg
del Sole gaan opzoeken, gevestigd in een vervallen paleis, dat voor
verreweg het grootste gedeelte woest en ledig staat. De verbazing van
den kastelein, toen hij eensklaps een ontbijt voor twee vreemdelingen
moest opdisschen, was wel het beste bewijs van de verlatenheid en
vergetelheid, waarin het antieke Emporium thans verzonken is. Tegenover
ons verhief zich de sombere voorgevel van een ander voormalig paleis,
met half gebroken wapenschilden en blazoenen, waaronder dat der
Medici, versierd; deze herinnering aan de florentijnsche gebouwen
kon ons troosten, terwijl wij op een soort van ruime vliering,
zonder eenig ander meubelstuk dan de tafel waaraan wij zaten, ons
sober maal gebruikten. De italiaansche keuken is juist niet geschikt
om den vreemdeling tot lang tafelen te nopen: wij maakten er dan ook
spoedig een einde aan, en gingen naar buiten.

Bij het uitkomen van eene straat, werd onze aandacht getrokken door
een campanile, die ons herinnerde aan den toren van het Oude Paleis
te Florence. De bouwmeester van dezen toren van San-Stefano heeft
blijkbaar dit schitterend voorbeeld voor oogen gehad; maar toen hij,
ten jare 1685, dit steenen dichtstuk der veertiende eeuw in zijne
taal wilde vertolken, is hem dit maar half gelukt; aan alles is het
voelbaar dat de eigenlijke inspiratie ontbreekt, en daarmede ook de
onmisbare voorwaarde voor die niet te omschrijven eigenschap, die
men schoonheid noemt en die aan een kunstwerk eerst waarde geeft. Ook
de kerk zelve van San-Stefano en die van de Madonna del Pozzo hadden
niets wat ons boeien kon, niettegenstaande de eerste eenige fresko's
van Daniel van Volterra bezit.

De verlaten en vervallen paleizen van Empoli roepen herinneringen
terug, die in zoo scherp mogelijke tegenstelling staan met
de prozaische gewoonten en werkzaamheden van eene industrieele
bevolking; en juist aan dit contrast dankt de stad haar eigenaardige
poezie. Als ge door de stille straten wandelt, komen u uit de diepe,
donkere huizen onharmonische geluiden en onaangename geuren tegen,
die u op eenmaal ver van Italie, naar eene of andere fabriekstad van
het Noorden, verplaatsen; ook de lieden, die gij ontmoet, vertoonen,
schoon door de zon verbrand, den eigenaardigen type van menschen, die
hun leven binnenshuis aan den arbeid doorbrengen. Er wordt hier zeer
veel aardewerk vervaardigd, dat naar elders, ook naar het buitenland,
wordt vervoerd; intusschen vindt men hier geene groote fabrieken,
daarentegen is schier iedere winkel, en hun getal is zeer groot,
tevens fabriek.

Zoo dwaalden wij treurig door de straten, zoekende naar iets, dat ons
met het oponthoud kon verzoenen, toen wij eensklaps den hoek van een
muur omsloegen, en onze wensch boven verwachting bevredigd werd. Wij
stonden op een plein van middelbare grootte, omgeven door een kerk en
oude paleizen, deels uit marmer, deels uit baksteen opgetrokken. Ge
vindt hier overblijfselen van drie verschillende eeuwen, waarvan de
zestiende de jongste is; de Piazza is door zuilengangen omringd, met
groote zerken geplaveid, en heeft in het midden eene fraaie fontein,
met leeuwen versierd. Aan mijne linkerhand had ik den ingang van
een kleinen florentijnschen kloosterhof uit den tijd van Ammanato,
en grenzende aan de collegiale kerk, wier beurtelings met zwart en
wit marmer ingelegde voorgevel aan San-Miniato denken doet.

Welk eene aangename verrassing: ik hervond mij eensklaps te midden van
het florentijnsche Italie, waarnaar ik zoo vurig verlangd had. Deze
Piazza met haar zuilengangen; die kerk met haar campanile, slank
oprijzende naar den helderen blauwen hemel; die witte vogels, hoog
in de lucht, met vroolijke kreten de primavera begroetende ... dit
alles verkwikte mij als een vizioen uit eene andere, schoone wereld.

En dit vizioen was werkelijkheid; en zoo ik mij tot dusver beklaagd
had over den tragen gang van den tijd, nu begon ik zijn haastigen
spoed te beklagen. In een der kapellen van de collegiale kerk heeft
men de schilderijen bijeengebracht, die vroeger in de kloosters
bewaard werden, maar na de opheffing dezer inrichtingen in de kerk
zijn geplaatst, ten einde ze zooveel mogelijk te onttrekken aan de
roofgierige handen van het italiaansche gouvernement. Wij konden dien
schat slechts vluchtig bezichtigen: toch zagen wij een predella van
Domenico Ghirlandajo; eene Maria-Boodschap van Botticelli; eene kleine
Madonna, naar men zegt van Fra Angelico; eene Pieta [23] uit de school
van Giotto; nog andere schilderijen, benevens fraaie bas-reliefs van
Andrea della Robbia, en een prachtig standbeeld, Sint-Sebastiaan,
van Rossellino. Zoo vonden wij, in dit onaanzienlijk vergeten vlek,
de groote meesters weder der scholen van Sienna en Florence. Naast
eene Santa-Lucia van Giotto hing een Sint-Thomas van een tot dusver
voor mij onbekenden schilder, Jacopo d'Empoli. In de aangrenzende
doopkapel, die met een marmeren doopvont van 1447 prijkt, kunt ge
een verrukkelijk schilderij van Mazzolino bewonderen: de Doop van
Christus. Jezus wordt door de Moedermaagd ondersteund, terwijl de
Dooper, die voor den Heiland is neergeknield, hem de handen kust.

Het laatste, aan de linkerhand, van de drie of vier paleizen, die
tegenover de Collegiata verrijzen, is geheel met fresko-schilderingen
overdekt, die door een vooruitstekend dak tegen den invloed van
de lucht en het weer beschermd worden. Tusschen twee bogen nabij de
gothische poort, leest ge een opschrift, dat de herinnering bewaart aan
een feit, waardoor dit gebouw van de dertiende eeuw, hetwelk tweemaal
werd gerestaureerd, voor altijd aan de vergetelheid wordt ontrukt. Het
was hier, dat, in 1260, na den slag van de Arbia, door de zegevierende
Ghibellijnen die beroemde vergadering werd gehouden, waarin tot
de verwoesting van Florence, het voornaamste bolwerk der Guelfen,
besloten werd. Maar de overwinnaar van Montaperto, die de wateren der
Arbia had rood geverwd met het bloed van vierduizend vijanden, stond
op tot verdediging der stad, die voor zijne wapenen bezweken was. Toen
de kloeke, stoutmoedige welsprekendheid van den soldaat er niet in
slaagde, de onstuimige, opgewonden menigte tot reden te brengen,
trok hij zijn degen, bedreigde de heftigste heethoofden en bracht
het eindelijk zoo ver dat de geprikkelde hartstochten tot bedaren
kwamen. Farinata degli Uberti redde alzoo Florence, waaruit de Guelfen
verdreven werden; maar weldra keerden dezen weder terug en verdreven
nu op hun beurt de Ghibellijnen, die nimmer zijn teruggekeerd. Bij
die gelegenheid sloopten de Guelfen het paleis der Uberti; op de plek
waar het stond, verrees het Oude Paleis. In den tienden zang van
de Hel, laat Dante deze gebeurtenissen en zijne eigene aanstaande
verbanning door de schim van Farinata voorspellen. Zoo herleeft,
in dit vergeten vlek, eensklaps de dramatische geschiedenis der
florentijnsche republiek; op dit kleine plein ontmoet ge den meester
der Renaissance bij haar eersten opgang. Dante zelf verhaalt u, in
zijn goddelijk epos, de daden der helden, die op dit tooneel hunne
aangrijpende rol hebben gespeeld. Zulke herinneringen zijn meer dan
voldoende om een stad, ook al is ze niet meer dan eene fabriekplaats,
de onsterfelijkheid te verzekeren.

Die onverwachte verrassingen van Empoli riepen mij andere
onbeteekenende stadjes voor den geest, waar evenzeer de kunst haar
schatten heeft uitgestort, zooals Pistoja, Prato en eenige andere,
die ik vroeger had bezocht; en de lust beving mij om ook verder die
verloren en vergeten plaatsjes, die onbekende vlekken, die verstrooide
parelen in de woestijn, op te zoeken. Wederom ontwaakte in mij, met
nieuwe kracht, de begeerte om de plat getreden wegen te verlaten en de
bekende plaatsen, waarheen ieder toerist zijne schreden richt, voorbij
te gaan: met de kaart voor mij, raadpleegde ik mijne herinnering, en
zoo zocht ik mij een krans samen van kleine steden, door de kinderen
dezer eeuw vergeten, maar waar de tijd zijne schendende hand niet
aan heeft geslagen, die als het ware onder glas bewaard zijn gebleven
met de onveranderde afstammelingen der verdwenen voorgeslachten.

Dien eigen morgen was ik langs den voet der hooge muren
voorbijgestoomd, die, aan de helling des heuvels, de vier eeuwen
oude huizen van Samminiato omvatten. In het voorlaatste jaar der
vorige eeuw, heeft de generaal Bonaparte dien heuvel bestegen,
om een bezoek te brengen aan de bakermat zijner familie, waarvan
destijds nog een vertegenwoordiger in leven was in den persoon van
een kanunnik. Toen, tegen het einde der vijftiende eeuw, een andere
Bonaparte die nauwe, steile straat afdaalde, om aan gene zijde der
zee zijn stam op korsikaanschen bodem over te planten, vermoedde
hij wel niet, dat hij de groote omwenteling ging voorbereiden, die
drie eeuwen later het aanschijn van Europa zou veranderen en op het
lot van Frankrijk zoo beslissenden invloed hebben. Hoe gaarne had
ik dit oude burchtvlek met zijn gekanteelden muurgordel bezocht,
rondgedwaald door die smalle sombere straten, en de overblijfselen
opgespoord van de feodale vesting, waarin, eeuwen lang misschien, die
onbekende landedellieden leefden, niet droomende van de schitterende
toekomst, die eenmaal hun geslacht wachtte.

Links van den weg, die door de vallei der Elsa naar Sienna voert,
boeide, vooral na het verlaten van Empoli, het vlek Certaldo, op zijn
steilen heuvel, mijne aandacht. Hoe zonderlingen indruk maken die
kronkelende muren met hun torens; die oude vervallen vestingwerken;
die steile, schier loodrechte straten, zich welhaast verliezende
onder de zware massa van eene citadel, wier grillige tinnen en torens
fantastisch uitkomen tegen den bewolkten hemel. Dit vlek, dat in 1479
door de Napolitanen is verwoest, werd nooit geheel herbouwd; slechts
het baksteenen huis met een kleinen hoektoren, waarin Boccacio zijne
laatste levensdagen sleet en waar hij in 1375 stierf, heeft men
gerestaureerd: het ware beter geweest, die restauratie achterwege
te laten.

Veertig minuten nadat wij Certaldo uit het oog hadden verloren,
verscheen mij, ter rechterhand, tusschen twee bergen, in de verte,
een ronde heuvel, op den top prijkende met een krans van muren,
waaruit, somber en ongelijk in hoogte en omvang, zware, massieve
torens oprijzen. De verschijning was slechts voor een oogenblik
zichtbaar; toen sloten de bergen zich weder aaneen, en de trein snorde
voort;--maar nog vol van de herinnering aan Empoli, en mijzelven
verwijtende Certaldo te zijn voorbijgegaan, vatte ik dadelijk het
voornemen op, althans deze vluchtig aanschouwde schim van een feodaal
oppidum van nabij te gaan beschouwen. En zoo kwam het, dat ik reeds
den volgenden morgen vroeg in het rijtuig stapte, dat de ijverige
zorgen van den onsterfelijken en onvermoeiden Augusto, kastelein in
de locanda de Aquila-Nera te Sienna, mij verschaft hadden en dat mij
naar San-Gimignano brengen moest.


II.

Het was de 19de Maart. De lucht was scherp, de zon gaf geen warmte;
de natuur was in haar ontwikkeling niet zeer veel verder dan bij
ons te lande. Bouwlanden, afgewisseld door vrij schrale bosschages:
zie daar het algemeen karakter van dit landschap, waar de ordeloos
verspreide heuvelen niet hoog genoeg zijn om eigenlijke dalen te
vormen. De steilste van die heuvelen dragen op hun top een vesting
of burcht; op de zachtere glooiingen vertoonen zich, te midden der
grazende kudden, groote pachthoeven, sommigen enkele eeuwen oud, de
anderen gebouwd naar het model der eersten. Ettelijke slanke, rijzige
boomen, een paar cypressen, flankeeren deze gebouwen, voorzien van
eene loggia, van een stompen toren, van een poort, en wier rieten
dak met woekerplanten is begroeid. Tusschen deze boerenwoningen en
de antieke heerenhuizingen verheffen zich enkele kloosters, die door
hun zwaren buitenmuur aan een citadel doen denken, maar wier hoeve
en korenschuren weder aan het landbouwersbedrijf herinneren; terwijl
de kerktoren, boven de groep oprijzende, u de ware bestemming van het
gebouw kennen doet. Bij den aanblik dezer nooit aanschouwde, en toch
zoo bekende landschappen, rijzen allerlei onbestemde herinneringen
voor den geest op: inderdaad, die burchten op den steilen heuveltop,
die stille kloosters, rustende aan de oostelijke heuvelhellingen, die
boerenwoningen met de ruime, halfgeopende veestallen:--we kennen ze,
wij hebben ze menigmalen ontmoet op de schilderijen der oude meesters,
en hun beeld is voor ons bewustzijn schier onafscheidelijk verbonden
met de onvergetelijke evangelische verhalen, met de gemeenzame,
traditioneele voorstellingen van zoo menige episode uit het leven des
Heilands. Daarom hebben zij voor ons zoo wondere aantrekkelijkheid,
daarom begroeten wij ze als oude bekenden, ook al aanschouwt ons
zinnelijk oog ze voor de eerste maal.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65
Copyright (c) 2007. topknownbooks.com. All rights reserved.