De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 by Various
V >>
Various >> De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32 |
33 |
34 |
35 |
36 |
37 |
38 |
39 |
40 |
41 |
42 |
43 |
44 |
45 |
46 |
47 | 48 |
49 |
50 |
51 |
52 |
53 |
54 |
55 |
56 |
57 |
58 |
59 |
60 |
61 |
62 |
63 |
64 |
65
Na, een rit van drie uren, vertoont zich ter rechterhand San-Gimignano,
en van nu af kan niets anders meer uwe aandacht boeien. Daar de
heuvelen deze stad als met een krans omringen, en men om haar te
bereiken de naburige hoogten moet omrijden, verliest men haar telkens
uit het oog, om haar op het onverwachtst telkens weer te hervinden en
van eene andere zijde te overzien. Zoo ge uw rug naar het oosten en
uw aangezicht naar de stad wendt, dan schijnen die zware, vierkante,
bijna vensterlooze torens--zoo oud dat de steen weder geheel de
kleur der oorspronkelijke rots heeft aangenomen;--dan schijnen
die massieve steengevaarten, op den heuveltop geschaard, wel geene
andere bestemming te hebben dan den hemel te bestormen. Van ter zijde
gezien, vormen zij een soort van bundel; dan maken zij te zamen met
de omwalling en de oude citadel een zoo fantastisch geheel uit, dat ge
denkt aan de grillige schepping van een of anderen toovenaar. Donkere,
zwarte wolken dreven langs den hemel; de zon verlichtte met bleeken,
fletschen schijn deze zonderlinge dekoratie. Naarmate ge dichterbij
komt, klimt de verrassing: half droomend denkt gij aan die oude
symbolische voorstellingen van Jeruzalem en Bethlehem, op den gouden
grond der byzantijnsche mozaieken.
Op de wallen, voor de poort San-Giovanni, wordt deze gelijkenis
met het Oosten nog sprekender: en toch, deze westersche gezichten
zijn ons bekend en gemeenzaam: die lage, gekanteelde muren, die
zware plompe torens, die gewelfde poorten met valbrug en bastion,
die spitse gevels uitkijkende boven de omwalling, die klokketorens
... die gansche rooskleurige silhouette eener stad boven op eene steile
helling, waarvan het verschroeide gras met voetpaden doorslingerd is,
met haar eigenaardige tegenstelling van kleuren en lijnen:--gij kent
ze weder van ouds, en toch prikkelt zij, misschien wel juist daarom,
dubbel uwe nieuwsgierigheid.
Ge treedt door de donkere, lage poort, in eene breede, oploopende
straat. Zie om u: ge zijt vier eeuwen teruggegaan: vier eeuwen, want
dit is de ouderdom der jongste gebouwen in eene stad, die in den tijd
tusschen de regeering der Gravin Mathilde en de opkomst der Medici
gebouwd of herbouwd werd.
In de voorrede zijner vertaling van de Kronieken van Sienna, zeide
de hertog van Dino dat geene andere stad in die mate den stempel van
den ouden tijd had bewaard; Massimo d'Azeglio heeft San-Gimignano
het middeleeuwsch Pompeji genoemd. Een enkele blik op deze vesting,
met haar drieduizend zielen, is trouwens voldoende om u te overtuigen
dat deze aloude stad, zoo vast en rustig troonende op haar dubbelen
heuvel, eene grootsche geschiedenis achter zich heeft.
De kronieken van San-Gimignano zijn dan ook uiterst merkwaardig; deze
stad was eenmaal eene onafhankelijke republiek, waar de verschillende
standen en corporatien elkander ter dood toe hebben bekampt; waar het
volk, rijk geworden, dien fieren trots en dat hooghartig zelfgevoel
heeft bezeten, dat eene onmisbare voorwaarde is voor de ontwikkeling
van een eigen nationaal leven op elk gebied. In deze hoofdstad zonder
wingewesten, verhalen de gebouwen zelven, onafscheidelijk verbonden met
de plaatselijke traditie, die zij aanvullen en waaraan zij wederkeerig
een deel hunner belangrijkheid danken, de opkomst, de worstelingen,
de omwentelingen, den bloei en eindelijk den ondergang eener natie,
eener ware demokratie te midden der feodaliteit. In dit kort bestek
omvat ge met een enkelen oogopslag een tafreel van de italiaansche
republieken in de middeleeuwen, zoo als ze, allen in hoofdtrekken
aan elkander gelijk, eenmaal te Perugia, te Florence, te Sienna en
elders gebloeid hebben.
Even als de meeste steden van de latijnsche wereld heeft ook
San-Gimignano gepoogd, haar genealogie op te voeren tot den tijd van
het oude Rome. Twee jonge patriciers van de partij van Catilina,
twee broeders, Mucius en Sylvius, zouden zich, na de nederlaag
bij Pistoja, hebben teruggetrokken in de vallei van de Elsa, en
daar op twee heuvelen ieder een kasteel gesticht. Vele eeuwen later
bouwde Desiderius, de laatste Koning der Lombarden, die zich in het
kasteel van Sylvius, dat bereids tot een ommuurd vlek was verheven,
onthield, eene tweede omwalling en een prachtig paleis, waar straks
Karel de Groote gastvrij ontvangen werd, tot loon waarvoor hij aan
de stad vele schoone voorrechten schonk.... Al deze verhalen missen
historischen grondslag; de oorsprong der stad, die ook den bijnaam
van Castel-Fiorito heeft gevoerd, moet gezocht worden in den ouden
heerlijken burcht Sylvia, die weder zijn naam niet ontleende aan
zekeren Sylvius, maar eenvoudig aan de boschrijke omgeving.
Toen geheel het omliggende land door Totila der verwoesting werd
prijs gegeven, trokken de woeste scharen van den Koning der Oostgothen
voorbij de stad Modena zonder haar te zien. Dit wonder was bewerkt door
den vromen bisschop der stad, den later heilig verklaarden Geminianus:
op zijn gebed, werden de oogen der barbaren gehouden, alzoo dat zij de
stad niet zagen. Eerst toen hij een eind verder was, bespeurde Totila,
omziende, Modena; maar hij was zoozeer door dit wonder getroffen,
dat hij niet op zijne schreden terugkeerde. Deze gebeurtenis verhoogde
natuurlijk niet weinig den roem van den heiligen bisschop; uit vreeze
voor de barbaren, werden een aantal kerken hem gewijd; en zoo werd
ook, tegen het einde der zesde eeuw, in de vallei van de Elsa, eene
kerk gebouwd, die, beschermd door dichte wouden, door haar ligging
op een steilen heuvel en door haar gordel van muren, binnen de aan
Sint-Geminianus gewijde ruimte een aantal landbouwersgezinnen, die
voor de barbaren vluchtte, eene schuilplaats zoeken deed.
Voor de tiende eeuw is er geen enkel dokument te vinden betreffende
San-Gimignano, dat door de Keizers aan de kerk van Volterra ten
geschenke was gegeven. De band, die deze gewesten met het rijk verbond,
werd tijdens de regeering der Gravin Mathilde verbroken; na langdurige
worstelingen, die van 1108 tot 1199 duurden, wisten de Gimignanesi
zich ook te onttrekken aan de opperheerschappij van Volterra, waaraan
zij voortaan slechts zekere feodale rechten verschuldigd waren. Zij
waren dus nu eene zelfstandige gemeente en verkozen hun eigen consuls;
daarop plaatsten zij, op het voorbeeld der Florentijnen, aan het
hoofd der regeering een podesta of oppersten rechter, die steeds een
vreemdeling moest zijn. De eerste, die deze waardigheid bekleedde,
was Maghinardo Malevolti, van Sienna.
Van dit oogenblik tracht de kleine republiek van tienduizend zielen,
waarvan de bevolking in 1350 met de helft vermeerderd was, zich geheel
van de souvereiniteit van Volterra te ontslaan, en de omliggende
kasteelen en heerlijkheden aan haar gezag te onderwerpen. In
hun landbouw, in hunne kudden, in hun wolleweverijen, bezaten de
Gimignanesi een mild vloeiende bron van welvaart en rijkdom: te meer
daar strenge wetten de burgers tot eene hoogst eenvoudige levenswijze
verplichtten, en alle pracht en weelde uitsluitend voor het algemeen,
voor den staat en zijne behoeften, bleef voorbehouden. Zoo ging,
zij het niet zonder heftige burgertwisten, de woelige en geduchte
tijd der vreeselijke worsteling tusschen Keizer en Paus voorbij,
zonder dat de ontwikkeling der krachtige republiek daardoor merkbaar
werd gestremd. Na den dood van Frederik II werden de Ghibellijnen
uit de stad verdreven, en door een welfisch gezind gemeentebestuur
de volksregeering ingevoerd. De veldslag van Montaperto, die de zege
aan de Ghibellijnen schonk, deed ook de Guelfen van San-Gimignano in
ballingschap gaan. Maar toen, in 1266, Karel van Anjou, het hoofd der
Guelfen, Manfred verslagen had, riepen de burgers van San-Gimignano
de tegenpartij der Ghibellijnen op nieuw aan het bestuur.
In het jaar 1276 bereikte de stad het toppunt harer politieke
grootheid; deze periode van bloei hield, hoewel niet zonder toenemend
gevaar van buiten, nog ongeveer een eeuw aan: de stad, zoo als wij
haar thans voor ons zien, is in dat tijdvak, dat wil zeggen tusschen
het einde der twaalfde tot omstreeks de helft der veertiende eeuw,
bijna geheel gebouwd. In dien schitterenden tijd werd San-Gimignano,
dat bereids dichters, rechtsgeleerden en staatsmannen van naam had
voortgebracht, door Sienna en Florence meermalen tot scheidsrechter
gekozen om uitspraak te doen in haar onderlinge geschillen, en zond de
stad, bij zulk eene gelegenheid, aan Paus Innocentius V en aan Karel
van Anjou gezanten, om de belangen van het verbond der Guelfen te
bespreken. Later koos San-Gimignano, op aansporen van Martinus V, de
zijde des Keizers; de burgers van Sienna zonden den beroemden Salvani
als gezant naar deze republiek, welker bondgenootschap, eenige jaren
later, door Karel II van Sicilie werd gezocht. Eindelijk, om de stad,
die nog eenige grieven tegen de Florentijnen had, tot verzoening
te bewegen en te verkrijgen dat zij zich door haar schepenen op de
vergadering van het toskaansche verbond zou laten vertegenwoordigen,
schroomde Florence niet, naar het kleine San-Gimignano den beroemdsten
burger te zenden, dien het ooit bezeten heeft. Op den 2den Mei 1299
verscheen niemand minder dan Dante Alighieri in den raad der republiek,
om voor den podesta Mino de'Tolomei de zaak van Florence te bepleiten.
Niet zonder moeite slaagde de gemeente er in, de edelen te verzoenen
met de volksregeering; bij elke overwinning der Ghibellijnen hervatten
de machtige baronnen met hun aanhang den kamp; zij streden tegen
de edelen van de andere partij, en beiden zochten zich maar al te
vaak te versterken door bondgenootschap met den vreemdeling. Toen
de twist der Witten en Zwarten de oude partijen ontbond en in
factien oploste, stonden aldra de verschillende wijken der steden
vijandig tegen elkander over; de straten werden slagvelden, en ieder
huis eene vesting. Ook te San-Gimignano woedde de partijschap met
groote heftigheid; ge vindt daarvan nog de herinnering in de zware
gekanteelde paleizen of burchten, die nog steeds de namen hunner
oude eigenaars dragen. Tegen het einde der dertiende eeuw, openen
de Salvucci, Ghibellijnen, de vijandelijkheden tegen de Pellari,
Guelfen;--in 1319 vatten Tribaldo en Fusco Baroncetti de wapenen
op tegen de gemeente; zij werden verbannen.--De samenzweering van
Gentile Buondelmonte tegen den podesta Ranieri Trevio, in 1321, is een
voorspel der gevaren, die deze republieken van de zijde harer machtige
en eerzuchtige burgers zullen dreigen. De verdreven rebel roept de
tusschenkomst in van Florence, dat het vonnis van den podesta, een
florentijnsch burger, vernietigt, en Gentile keert in triomf naar
San-Gimignano terug.
Weldra barstten nieuwe twisten en oneenigheden uit, ditmaal aangestookt
door het geslacht der Ardinghelli, dat door een deel van den adel
werd gesteund. Aanvankelijk tot de partij der Guelfen behoorende,
en omstreeks 1324 hoofden van de partij der Witten, worden zij door
de kroniekschrijvers tot de Ghibellijnen gerekend, omdat hun streven
gericht was op de omverwerping der gemeente, welfisch bij overlevering,
ten einde het gezag voor den adel te herwinnen. In 1325 komen zij
in openlijken opstand, en worden verbannen; in 1331 teruggeroepen,
worden zij zes jaar later weder verjaagd, keeren op voorspraak van
Florence nogmaals terug, ontsteken op nieuw den burgeroorlog en
worden nog in hetzelfde jaar andermaal gebannen. In 1342 zetten zij
van buiten af eene samenzweering op touw, verzamelen krijgsbenden
en trachten San-Gimignano bij verrassing te overrompelen. Met hunne
aanhangers worden zij nu voor eeuwig uit de stad en haar rechtsgebied
gebannen. In het volgende, een nieuwe aanval: de Ardinghelli worden nu
ter dood veroordeeld, welk vonnis door Florence wordt bekrachtigd. Maar
de uitvoering blijft, ten gevolge van vreemden invloed, achterwege;
zelfs worden de ballingen in 1349 teruggeroepen en hun alle straf
kwijtgescholden. De vroedschap, die, ten gevolge van deze intriges
en partijschappen, langzamerhand onder het gezag van Florence is
geraakt, wordt nu verder met rust gelaten; maar thans beginnen de
baronnen met elkander te twisten om de regeeringsposten; de Salvucci
tegen de heeren van Picchena; Rosso de' Rossi, om meester te worden
van het kasteel della Pietra, enz.... Aan die bloedige twisten namen
ook andere familien deel: de Vannelli, de Montigrani, de Cepparelli,
de Chiarenti, de Nerucci, de Rudolfi, de Franzesi, die zich beroemden
van de paladijnen van Karel den Groote af te stammen; de Bonnacorsi,
de Ficarelli, de Cugnanesi, de Montaguto, de Mantellini, die reeds
in de twaalfde eeuw hun burchttoren tegenover de collegiale kerk
hadden gebouwd, waar hij nog staat. Om zich van het gezag meester
te maken, riepen deze republikeinen de hulp van den vreemdeling in
tegen hun vaderland, dat zij trachtten te verkoopen, om het dan,
onder vreemde bescherming, te kunnen regeeren, en deel uit te maken
van den Raad der Negenen, het uitvoerend bewind van den staat. De
pest van 1348, die drie vijfden van de bevolking van Toskane ten grave
sleepte, richtte ook te San-Gimignano de geduchtste verwoestingen aan,
zoodat de stad niet meer dan vier-en-twintig voetknechten, onder den
hoofdman Rossellino Ardinghelli, ter beschikking van de toskaansche
ligue stellen kon.
Door toedoen van Florence was een wapenstilstand gesloten, en alle
ballingen waren wedergekeerd, toen de Ardinghelli in het traktaat eene
bepaling meenden te vinden, die nadeelig was voor hen en ten gunste van
de Salvucci, wier macht niet minder te duchten was. De eene partij wil
die bepaling intrekken, de andere haar handhaven: de strijd begint op
nieuw; en Florence is genoodzaakt, driehonderd ruiters af te zenden
om den vrede te herstellen. In spijt van de vroedschap, wordt het
artikel, dat tot den twist aanleiding had gegeven, ingetrokken.
Maar daarmede was de zaak niet uit. Een zekere Ilario, een aanhanger
van de Ardinghelli's, gaf, in een oogenblik van drift, een slag
aan Michele di Pietro, een man van geringe aankomst en lid van den
Raad der Negenen. Dit geschiedde in tegenwoordigheid van Rosellino
Ardinghelli. De Salvucci beweerden dat Rossellino medeplichtig was
aan de beleediging, en lieten Altoviti, kapitein des volks, afzetten,
onder voorwendsel dat hij op Rossellino Ardinghelli niet de strenge
bepaling der wet had toegepast, waarbij ieder edelman, die een burger
beleedigde, met de zwaarste straf werd bedreigd. In zijne plaats lieten
zij Benedictus Strozzi, hun leenman, tot capitano del popolo benoemen,
wien zij aan het verstand brachten dat de gebroeders Ardinghelli,
in overleg met zijn ambtsvoorganger, het plan hadden gesmeed om
eene omwenteling tot stand te brengen en hunne tegenstanders te
vermoorden. Rossellino en Primerano Ardinghelli werden op den 1sten
Augustus 1352 in hechtenis genomen, en een krimineel proces tegen hen
op touw gezet. Op het vernemen van deze tijding, beval de Signoria van
Florence aan Strozzi, die een florentijnsch burger was, dat hij die
hoog aanzienlijke en invloedrijke edellieden onmiddellijk op vrije
voeten moest stellen, zoowel als Angelo Bartoli, dien men voor hun
medeplichtige uitgaf. Maar eer dit bevel te San-Gimignano aankwam,
waren de drie beschuldigden op aansporing der Salucci reeds den 19den
der maand, beneden aan den grooten trap van het paleis, onthoofd.
Deze schandelijke daad had vreeselijke gevolgen: de Ardinghelli
met hunne aanhangers en de heeren van Picchena zwoeren den Salvucci
bloedige wraak. Met de Picchinesi en de Rossi van Florence kwamen zij
onder de muren der stad bijeen, en werden door hunne bondgenooten aan
de poort van Quercecchio binnen gelaten. Nu tastten zij, op het plein,
het paleis van de Salvucci, dat tegenover het raadhuis stond, aan,
en vermeesterden het, na een langdurig en bloedig gevecht: het paleis
werd geplunderd en in brand gestoken, en de overwonnen partij uit
San-Gimignano verjaagd. De beide partijen kuipten en intrigeerden nu
te Florence, de eene om opheffing, de andere om handhaving van den ban;
eindelijk, na lang gehaspel, zond Florence troepen om de Salvucci weder
in hun recht en bezit te herstellen; maar de Ardinghelli, die meester
in de stad waren, sloten de poorten voor die troepen toe. De burgers
van San-Gimignano echter, verschrikt over de mogelijke gevolgen van
deze vermetelheid, dwongen nu de Ardinghelli in onderwerping te komen.
De handel had onder dit alles veel geleden: uitgeput door de oorlogen
met haar buren, door de innerlijke tweespalt, en door kostbare
ondernemingen, waarvoor de middelen der vroedschap te kort schoten,
verkeerde San-Gimignano in moeilijke omstandigheden. Vroeger, in de
dagen van voorspoed, had de stad de vestiging van een aantal kloosters
binnen haar muren begunstigd: nu waren die kloosters voor haar een
bezwaar te meer geworden, want door schenkingen als anderszins was
een zeer aanzienlijk deel van het grondgebied der stad in hun bezit
overgegaan. De belastingen brachten daardoor zooveel minder op;
de stad kon uit hare inkomsten niet langer de hooge renten betalen
der gelden, haar voorgeschoten door florentijnsche bankiers, die
tevens leden waren der regeering. In 1366 zag de Raad van Negenen
zich mitsdien gedwongen, eene belasting op de geestelijke goederen
te leggen, die niet dan na veel tegenspartelen werd betaald.
Maar de glansrijke loopbaan der republiek neigde,
na honderd-drie-en-vijftig jaar, ten ondergang. Met schulden
overladen, door de florentijnsche woekeraars geperst, verscheurd
door binnenlandsche twisten, was de regeering van San-Gimignano niet
langer bij machte de noodige soldaten te betalen om den vrede te
handhaven: haat en wangunst hadden de republiek ten val gebracht. De
laatste worsteling der Ardinghelli's en Salvucci's, aangestookt en
volgehouden door de aanhangers van de twee machtigste geslachten van
San-Gimignano, verhaastte de noodlottige ontknooping: de Salvucci, in
een oogenblik toen de fortuin hem tegen was, dreven in den raad het
besluit door om het grondgebied van San-Gimignano aan de republiek
Florence te verkoopen. De Gimignanesi verzochten dus aan hunne
oude bondgenooten om als hunne kinderen aangenomen te worden. Dit
voorstel was lang voorbereid en kwam in geenen deele onverwacht;
niettemin beraadslaagde de florentijnsche Signoria zeer ernstig over
het verzoek, en de gevraagde gunst werd met de meerderheid van slechts
een stem toegestaan.
De republiek van San-Gimignano drukte toen haar groot zegel in
groen was op een in blanco gelaten perkament, dat naar Florence
gezonden werd, ten teeken dat men de bepaling der voorwaarden van
de overeenkomst aan de edelmoedigheid van Florence overliet. Niet
minder hoffelijk, plaatste de Signoria twee kruisen aan het hoofd van
het blad, en zond aan de Gimignanesi twee blanco perkamenten terug,
ten teeken dat men hun zelven overliet de voorwaarden voor hunne
verbindtenis vast te stellen. Dit geschiedde in 1353. Florence bracht
geene verandering in den republikeinschen regeeringsvorm der stad,
en zond er, even als tot dusver, haar podesta's heen. San-Gimignano
behield zijne vroedschap, zijne magistratuur en de prachtige zijden
en purperen staatsiegewaden, die zooveel luister bijzetten aan de
plechtige vergaderingen in de groote zaal van het gemeente-paleis. Deze
praalvertooningen hielden stand tot in het laatst der vorige eeuw.
Aanvankelijk ging alles goed: de ligue van Toskane hield hare
vergaderingen te San-Gimignano; de vroedschap ging voort met de
verfraaiing der stad. Tijdens het woeden der pest in 1450, stelde de
podesta Piero Mancini voor, dat de vreemdelingen, uit besmette streken
afkomstig, uit de stad, waar de epidemie nog niet was doorgedrongen,
zouden geweerd worden; maar de raad en het volk besloten eenstemmig,
dat aan alle buren en vreemdelingen, zonder onderscheid, schuilplaats
zou worden verleend. De aanzienlijken van Florence weken dus naar
San-Gimignano, dat een ruim paleis tot hunne beschikking stelde. Onder
die gasten vinden wij, nevens andere beroemde namen, die van Lorenzo
Capponi, van Bernardo en Piero de' Medici, en van Ludovico Galileo
Galilei, uit een oud geslacht gesproten, dat later algemeen bekend
zou worden. San-Gimignano had ook den grooten Cosmo de' Medici, den
pater patriae, een wijkplaats aangeboden, maar hij had bereids eene
uitnoodiging te Volterra aangenomen. Een halve eeuw later ontving
San-Gimignano, met groote eerbewijzen, een ander beroemd Florentijn,
Macchiavelli, door het gouvernement afgevaardigd als commissaris voor
de oprichting eener nationale milicie, die de plaats der vroegere
huurtroepen moest innemen.
Maar toen was de verhouding, ondanks de trouwe aanhankelijkheid van
San-Gimignano aan de Medicis, reeds minder aangenaam geworden. Sedert
vijftig jaren trachtte Florence, zelf door geldnood geperst en
bovendien door beursmannen geregeerd, van de Gimignanesi zooveel
mogelijk profijt te trekken. Reeds in 1374 hadden de Florentijnen,
ondanks de vermaningen en waarschuwingen van Rome, den verkoop
bevolen van de kerk- en kloostergoederen; er werd toen eene
overeenkomst gesloten: de geestelijkheid betaalde eene schatting van
tweehonderd-vijftigduizend gouden dukaten en behield haar goederen. De
belastingen werden allengs zoo drukkend, dat de bevolking steeds meer
verarmde en ten gevolge daarvan gaandeweg verminderde. De misdaden
namen hand over hand toe, de vroegere welvaart was verdwenen:
zoo was de toestand dezer eens zoo bloeiende gemeente, toen,
omstreeks 1530, de florentijnsche republiek bezweek. Honderd-zestig
jaren later telde San-Gimignano met haar rechtsgebied niet meer
dan drieduizend-driehonderd-vijftig zielen. De stad was schier
geheel verlaten; maar juist aan deze verlatenheid dankt zij het,
dat haar monumenten bijna ongeschonden in wezen bleven; men heeft
geene veranderingen aangebracht om de later komende geslachten te
huisvesten, en zoo staat de kleine, gestorven republiek nu daar,
gekroond met al de majesteit eener nekropolis.
Ik achtte dit overzicht van de geschiedenis van San-Gimignano noodig,
eensdeels omdat niemand, die met dit verleden onbekend is, de stad
inderdaad begrijpen en waardeeren kan; en anderdeels, omdat ook wederom
die geschiedenis, in zoo sprekende trekken, ons het beeld voor den
geest roept van die fiere italiaansche republieken der middeleeuwen,
zoo overvloeiende van leven en forsche kracht, zoo rijk en vruchtbaar
op ieder gebied. Het moderne Italie zal, ondanks zijne eenheid,
nog zeer veel te doen hebben, eer het eenigermate in de schaduw kan
treden van het zoo uitermate versnipperde Italie der middeleeuwen,
waar bijna elke stad een zelfstandig brandpunt van ontwikkeling,
leven en werkzaamheid, in kunst en wetenschap en beschaving was.
III.
De straat, die wij waren ingereden, was zoo merkwaardig, dat wij,
om beter te kunnen zien, de kap van het rijtuig lieten neerslaan. Aan
de binnenzijde van de Sint-Janspoort, had men, in de veertiende eeuw,
tegen den muur boven den boog, eene Madonna in fresko geschilderd,
die, naar men verhaalde, het vermogen bezat om wonderen te doen. Ten
tijde van Savonarola oordeelde men het daarom gepast, dit beeld te
omvatten met eene kleine kerk, die boven op een grooten boog werd
gebouwd en in 1582, op onhandige wijze, werd gerestaureerd.
Aan het einde der straat gaat men onder een tweeden boog door,
een overblijfsel, naar men zegt, van eene oude poort, die deel
uitmaakte eener vroegere omwalling: is dit zoo, dan besloeg de
stad toen eene zeer kleine oppervlakte. De paleizen der edelen
verheffen zich bijna allen binnen dien kleinen omtrek, waartoe een
onregelmatig, heuvelachtig plein toegang geeft, dat met paleizen
in florentijnschen stijl is omzoomd en in het midden prijkt met
een waterput, in 1273 gemaakt en in 1346 vergroot door den podesta
Malevolti, wiens wapenschild nog op den put te zien is. De zware
pilaren, die de architraaf dragen en die architraaf zelf behooren
tot den oorspronkelijken bouw. Deze put, waaraan de Piazza haar naam
ontleent, getuigt van de zeldzaamheid van het water in een stad,
die op een steilen heuvel is gebouwd; daar de put honderdduizend kan
water bevat, had men vroeger een groote steenen kuip aangebracht voor
het geval van brand. Het water werd geput met bakken of emmers van
gebakken aarde, die het eigendom waren van enkele, in de nabijheid
wonende partikulieren, aan wie, bij verlies of beschadiging dier
emmers, van stadswege eene vergoeding van twee stuivers en vier
penningen voor iederen emmer werd betaald. De Cisterna doet eene
zeer goede uitwerking op dit onregelmatig driehoekige, sterk hellende
plein, omringd door paleizen van rooskleurigen baksteen en geelachtigen
steen. Onder die paleizen bemerkte ik het oude paleis der vroedschap of
Volkspaleis, dat een der meest antieke gebouwen is en uitmunt door den
strengen eenvoud van zijn stijl; daarnaast verheft zich de sierlijke
woning der familie Borgheresi. Aan de overzijde staat het paleis
der Cortesi; de zware toren, die hoog boven dat paleis uitsteekt,
is een oude burcht der Paltoncini, die er twee zoodanige bezaten;
de andere is in 1822 ingestort.
Dit plein grenst aan een ander, het plein der Collegiata, zeer
oneigenaardig thans del Duomo genoemd. Daar bevindt zich de eenige
locanda (herberg) van de geheele stad; zij is tegen het Volkspaleis
aangebouwd, tegenover de oude woning der Salvucci, en grenst aan den
gemoderniseerden gevel van de collegiale kerk. Terwijl de goede Madama
Giusti, padrona des huizes, ons ontbijt liet klaarmaken, verscheen
de dochter met het vreemdelingenboek, waarin zij ons verzocht te
teekenen. De laatste forestiere, die in deze locanda, waar wij den
19den Maart aankwamen, zijn intrek had genomen, was reeds op den
18den October vertrokken.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32 |
33 |
34 |
35 |
36 |
37 |
38 |
39 |
40 |
41 |
42 |
43 |
44 |
45 |
46 |
47 | 48 |
49 |
50 |
51 |
52 |
53 |
54 |
55 |
56 |
57 |
58 |
59 |
60 |
61 |
62 |
63 |
64 |
65