De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 by Various
V >>
Various >> De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32 |
33 |
34 |
35 |
36 |
37 |
38 |
39 |
40 |
41 |
42 |
43 |
44 |
45 |
46 |
47 |
48 | 49 |
50 |
51 |
52 |
53 |
54 |
55 |
56 |
57 |
58 |
59 |
60 |
61 |
62 |
63 |
64 |
65
Wij hadden onze eerste schreden gericht naar de Collegiata, van
buiten ontsierd door trappen en een voorgevel van de achttiende eeuw;
maar het was niet mogelijk in de kerk te blijven, zoo overvol was
zij. Een Franciskaner-monnik stond op den preekstoel, en verkondigde
met groote levendigheid den lof van den H. Josef. Van tijd tot tijd
barstte zijn gehoor in lachen uit; eensklaps bracht hij het dan
weer tot bedaren door luide kreeten. "Ha ben gridato!" zeiden, in
stille bewondering, de contadini tot elkander. Deze goede monniken
doen hun best om de populariteit op te houden, die hier verzekerd
is aan alles wat aan Sint-Franciscus herinnert, sedert 1227, toen
het eerste klooster werd gesticht in de Via di Quercecchio, weinige
jaren na een bezoek van den grooten man zelven. De gemeente schonk
in 1242 landerijen buiten de Sint-Janspoort aan de Franciskanen;
het volk koos hen tot scheidsrechters, tot gezanten, tot kanseliers;
en toen in 1499 het algemeen kapittel der orde hier gehouden werd,
beijverden de magistraten zich om de afgevaardigden met den meest
mogelijken luister en eerbied te ontvangen.
Terwijl het volk naar de preek luisterde, wierpen wij een blik op het
zoogenaamde paleis van het Horloge, sedert het einde der dertiende
eeuw de residentie der podesta's. Twee bijzonderheden geven aan dit
paleis een eigenaardig karakter:--de een-en-vijftig el hooge toren,
de Rognosa genoemd, die ouder is dan het paleis;--en eene lage, ruime,
donkere, gewelfde zaal, van oploopende zitplaatsen omringd en die
door middel van een geweldigen portone op straat uitkomt. Dit hol,
zooals men die sombere ruimte bijna noemen kan, is nooit door eene
deur afgesloten geweest; volgens sommigen werd hier rechtzitting
gehouden. Het paleis werd in 1337 vergroot en van boven van eene
loggia voorzien, waarvan de bogen thans dichtgemetseld zijn, en waar
de magistraten openlijk met hunne waardigheid bekleed werden.
Tusschen de Rognosa en een anderen, misschien nog ouderen toren,
staat een smal huis, met spitsboogvensters, dat vroeger tot het oude
paleis van den podesta moet hebben behoord, en dat omstreeks 1340
met twee verdiepingen werd verhoogd. Deze bijzonderheid bewijst dat
dit huis, thans een koffiehuis, destijds niet het eigendom was van
partikulieren. Immers de vroedschap bepaalde met volstrekt gezag het
aantal kamers en verdiepingen, zoowel als de hoogte der torens en de
breedte der paleizen. Voor het niet zeldzame geval van straatgevechten
en bestorming der huizen, was het billijk, dat de partijen elkander
met gelijke wapenen bestreden.
Toen, na de vereeniging met Florence, de vroedschap niet langer het
souverein gezag bezat, vestigden de podesta's hunne residentie
naast de kerk in het nieuwe Volkspaleis; het oude werd toen
bestemd tot woning voor aanzienlijke vreemdelingen en voor sommige
staatsambtenaren. Tijdens het woeden der pest in 1420 en in 1464,
woonden Domenico Capponi en Lucca Pitti tijdelijk in dit paleis. Later
diende het voor kanselarij, en werd ook gebruikt voor de openbare
scholen, reeds in 1279 georganiseerd, en waartoe ook eene universiteit
behoorde, door Domenico Mainardi gesticht. Later hield het gilde der
wolwerkers hier zijne zittingen; sedert 1537 diende de groote zaal
tot theater, en het gebouw werd al spoedig wat het nog heden is:
een schouwburg.
Ter linkerzijde van het plein, tusschen de kollegiale kerk en
l'Orologio, staat het Palazzo del Commune, of del Popolo, of ook del
Nuovo Podesta, gebouwd in 1288, toen de burgers van San-Gimignano,
in het volle bewustzijn hunner macht, wilden dat hunne overheden
en vertegenwoordigers in een gebouw zouden zetelen, hunner en der
republiek volkomen waardig. In 1323 wilden de Negen, die, ten gevolge
van moeilijkheden met het kapittel, niet langer de klok der kerk
gebruikten om de leden van hun raad ter vergadering op te roepen,
het gemeentehuis met een toren begiftigen, die al de andere zou
overtreffen. Die toren is ruim drie-en-vijftig el hoog; zij hingen
er drie klokken in, waarvan de grootste, die het jaartal 1328 draagt,
door de gebroeders Riciardo en Francesco, van Florence, werd gegoten.
De massieve toren, van gehouwen steen opgetrokken, heeft van onderen
een overwelfden doorgang, vensters op iedere verdieping, en van boven
eene uitstekende galerij. Talrijke wapenschilden versieren den toren,
krachtens eene ordonnantie van de Negen, waarbij aan al de hoofden der
adellijke familien een schatting van driehonderd pond werd opgelegd,
waarvoor hun het voorrecht werd toegekend om hun wapenschild aan den
toren op te hangen. Op de binnenplaats van het paleis, die met de
wapenschilden der podesta's, basreliefs en een bekoorlijke kleine
fresko prijkt, bevindt zich een groote waterput, in 1360 gemaakt,
en daarnevens een monumentale trap; het geheel doet u denken aan de
binnenplaats van het Bargello te Florence. Aan den voet van dien trap
werden de twee gebroeders Ardinghelli en Angelo Bartoli onthoofd.
De bovenverdieping van het paleis bevatte het pretorio of gerechtshof,
uitkomende op eene loggia, die nog bestaat, en waartoe de groote trap
van de binnenplaats toegang gaf. De groote zaal, waar de Negen zitting
hielden en de volksvergaderingen plaats grepen, stond door een vrij
hoogen stoep rechtstreeks met de Piazza in gemeenschap. Deze zaal,
die de geheele benedenverdieping inneemt, is zeer ruim en treurig
vervallen, maar heeft toch nog haar karakter behouden. Zij is
tegenwoordig tot museum ingericht.
Vooral in deze zaal vertoont zich de grootheid dezer kleine republiek
in een zeer eigenaardig licht. Vroeger waren de voornaamste feiten
harer historie op de wanden dezer zaal afgebeeld; van die schilderijen
is niet veel meer overgebleven dan het overschot eener Jacht; verder
eenige figuren van beroemde mannen, onder anderen Scolaro Ardinghelli,
aartsbisschop van Tyrus; en eindelijk een reusachtige fresko,
voorstellende de Madonna op een troon, omringd door acht-en-twintig
meer dan levensgroote beelden van engelen en heiligen. Aan de voeten
der Madonna ligt Mino de Tolomei geknield, die in de eerste jaren
der veertiende eeuw podesta was. Een troonhemel, waarvan de draperie
door engelen wordt opgehouden, overschaduwt de hoofdfiguur; op dien
troonhemel is het wapen der Tolomei, vier wassenaren, geschilderd,
benevens het wapenschild der gemeente. Deze voortreffelijke fresko
is het meesterwerk van Lippo Memmi.
De oploopende zitplaatsen rondom de zaal waren bestemd voor de prioren
met hun priposto (provoost, voorzitter) en hun gonfaloniere; voor hen
zaten de hoofdmannen van de welfische partij met hun gonfaloniere; ter
wederzijde de rechters, de griffiers, de voormannen der gilden. Allen
moesten hier verschijnen, gekleed met de tuniek en kap, of met een
mantel "decentemente colorati." De houten zetel of pulpitto der
priposti is een der oudste, die men kent: het is een vijfhoekig
gestoelte, vrij smal in verhouding tot zijn hoogte, sober versierd
en door pilasters omringd. In deze zelfde zaal was het, dat Dante,
op 8 Mei 1299, de zaak van het welfische verbond bepleitte.
In 1853 bepaalde de stedelijke regeering, dat de schoone schilderijen,
in de kerken en kloosters der stad verspreid, in deze zaal
zouden worden bijeengebracht en gerangschikt, ten bewijze van den
kunstzin der voorgeslachten. Men vindt hier een honderdtal doeken,
waaronder dertig zeldzame en minstens vijftien meesterstukken. Eene
beschrijving beteekent niets, voor wie de stukken zelven niet zag:
te minder, daar in de schilderijen van dien tijd de afwisseling
wordt gemist, waarop onze tijd roem pleegt te dragen, en waarin zij
vergoeding wil zoeken voor hetgeen haar ten eenenmale ontbreekt: de
onuitsprekelijke bezieling, de innigheid, de extase van de waarlijk
geloovige kunstenaars, voor wie het hoogste ideaal werkelijkheid,
de kunst inderdaad eene Godsvereering was. Ik zal mij daarom bepalen
tot het opnoemen der namen van eenige beroemde meesters, van wie hier
werken gevonden worden: Taddeo di Bartolo; Lorenzo Nicolo van Florence,
wiens schilderijen zeer zeldzaam zijn, en van wien hier een tryptiek te
zien is; Domenico Ghirlandajo, de meester van Michel-Angelo; Vicenzo
Tamagni, een der beroemdste leerlingen en medewerkers van Rafael,
onder den naam van Vincent van San-Gimignano. Het juweel der galerij
is waarschijnlijk een schilderij van Pinturicchio, afkomstig uit
het oude klooster van Montoliveto. De Madonna zweeft te midden van
een grooten ovalen nimbus, geheel met kleine engeltjes gestoffeerd,
ter rechter- en ter linkerzijde liggen een Paus en een gemyterde abt
geknield; de achtergrond vertoont een met groot talent gekomponeerd
toskaansch landschap.
De Stad met de schoone torens, zoo als San-Gimignano genoemd werd,
heeft het levenslicht geschonken aan een aantal dichters, kunstenaars,
prelaten, krijgshoofden, gezanten, geleerden, die in hun tijd mede
een zitplaats hebben ingenomen in dezen salone, waar nu de kunst
alleen heerscht. De geleerde Paolo Cortese, bisschop van Urbino, wiens
geschriften door niemand minder dan Poliziano met lof worden vermeld,
en zijn broeder Alessandro, waren van San-Gimignano geboortig. Coppo
Coppi, de Nestor der toskaansche dichters, aanschouwde op dezen heuvel
het levenslicht. Mattia Lupi, de Vergilius van zijne vaderstad, die
in 1463 de Annales Geminianenses, een soort van Eneide in verzen,
voltooide, genoot bij zijn medeburgers zoo hooge achting dat zij hem
vrijstelden van alle belastingen. Cherubino Quarquagli, een luimig
dichter; Onofrio, wiens borstbeeld in de Collegiata prijkt; Vicenzo
de' Cetti, Giulio de Noris, Bartolommeo Nerucci, die een kommentaar
op de Divina Comedia geschreven heeft; Filippo Bonaccorsi, bijgenaamd
Callimaco, de vriend van Campano en Platina, en een der beroemdste
geschiedschrijvers van Italie, waren allen mede van San-Gimignano
afkomstig.
De familie Cattani mocht er roem op dragen, aan de Kerk een heilige te
hebben geschonken: Sint-Pieter-Martelaar, van de orde der Predikheeren,
die door Sint-Franciscus van Assisi tot priester werd gewijd en naar
Afrika gezonden om het Evangelie te verkondigen, waar hij in 1220
in Marokko werd ter dood gebracht. Ook Santa-Fina, hier niet minder
populair dan Sinte-Catharina te Sienna, werd te San-Gimignano geboren.
Van de schilders, die hier het levenslicht zagen, noem ik er voorloopig
slechts twee: Poccetti (Bernardino Barbaselli) in 1548 geboren
en leerling van Micaele di Rodolfo del Ghirlandajo; en Sebastiano
Mainardi, afstammeling uit een oud adellijk geslacht, dat een aantal
uitstekende mannen heeft voortgebracht. Mainairdi was de geliefkoosde
leerling en vervolgens de medearbeider van Domenico Ghirlandajo,
met wien hij onder anderen aan de prachtige freskoos in de koorkapel
van Santa-Maria-Novella te Florence werkte. Maar zijne voornaamste
en beste werken bevinden zich in zijn vaderstad San-Gimignano, en
met name in de hoofdkerk, oneigenlijk de Domkerk genoemd.
IV.
Toen wij het paleis der podesta's verlieten, was de dienst in de kerk
geeindigd, en had de schare zich verspreid over het eerwaardige plein,
dat met zijne vijf massieve torens schier aan den binnenhof van een
alouden burcht denken doet. Wij traden de kerk binnen. Deze kerk,
met hare drie schepen, die van de twaalfde eeuw dagteekent, doch van
buiten door smakelooze restauratien bedorven is, maakt van binnen een
zeer bijzonderen indruk. De vrij ver uit elkander staande vensters
zijn in de veertiende eeuw nog verkleind, om daardoor voor den muur,
die het gewelf dragen moet, meer ruimte te winnen; het daglicht
dringt gedempt door geschilderde glazen en hult de gansche kerk in
eene geheimzinnige schemering. Bij dat flauwe licht ontwaart ge,
niet zonder verbazing, langs de wanden der kerk eene gansche wereld
van beelden: de Collegiata werd, tusschen de jaren 1393 en 1490,
inwendig geheel, van onderen tot boven, met freskoos overdekt. Daar
ontrolt zich, in half schemerachtige figuren, de gansche geschiedenis
des Ouden en des Nieuwen Verbonds.
Het is natuurlijk niet mogelijk, al deze schilderijen, waarvan de
waarde onderling zeer verschilt, te beschrijven; slechts op enkelen
wil ik wijzen. Ziehier, aan den wand rechts van het middenschip,
eene voorstelling van het Paradijs, met Christus in heerlijkheid
bovenaan en de Madonna, door engelen gedragen. Aan hunne voeten, de
machten en tronen en heerschappijen des hemels, spelende op allerlei
muziekinstrumenten; lager, de heilige maagden, martelaars en belijders,
de Pausen, bisschoppen, stichters van geestelijke orden, allen in de
extase der aanbidding. In de hoogte ademt alles de overweldigende macht
der onuitputtelijke, goddelijke liefde, die een stroom van vreugde
en zaligheid om zich verspreidt; beneden: het blijmoedig vertrouwen,
de zaligheid in hope der uitverkorenen. Ga niet vluchtig langs zulke
voorstellingen heen, want dan zult gij ze ziende niet zien: de diepe
zin, de innige inspiratie dezer verheven kunstwerken, gedichten in
kleuren, zullen u verborgen blijven. En toch, hoezeer verdienen zij
de volle aandacht, de ernstige liefdevolle studie, deze wondervolle
scheppingen van een tijd, waarin de kunst, met minder ophef en rumoer,
inderdaad vrij wat hooger plaats innam dan heden ten dage, en waarin
zij zelve gedragen en bezield werd door hooge idealen, door een zoo
verheven geest, dat al het gemeene als van zelf buiten hare sfeer viel.
Taddeo di Bartolo, de schepper van dit hemelsch visioen, heeft,
in het jaar 1393, op den tegenoverstaanden wand, als tegenhanger,
de Hel geschilderd, waarbij hij, blijkbaar geinspireerd door Dante,
aan zijne verbeelding den vrijen teugel heeft gevierd en een tafereel
ontworpen, wel geschikt om een machtigen indruk te maken. Ik ga de
verdere reeks der voorstellingen uit het Oude en het Nieuwe Testament
voorbij, maar mag de kerk niet verlaten zonder een blik geworpen
te hebben in de kapel van Santa-Fina in het rechter kruispand. De
naam van Santa-Fina is te San-Gimignano niet minder populair dan die
van Sinte-Catharina te Sienna. Reeds in de veertiende eeuw werden
haar bidkapellen toegewijd; het hospitaal harer geboortestad staat
onder hare bescherming, en haar beeld hervindt ge telkens op de
schilderijen. Haar moeder heette Impereria, haar vader Cambio de'
Ciardi. Hoewel uit adellijk bloed gesproten, kende zij reeds van
haar geboorte de ontberingen der armoede; toen hare moeder weduwe
geworden was, leefden de beide vrouwen van haar handenarbeid. Fina,
hoewel van zeldzame schoonheid, weerstond de verlokkingen der wereld,
en zocht haar kracht tegen verzoeking in onthouding, gebed, en stille
afzondering. Uitgeput door haar strenge boetedoeningen, werd zij
krank, en legde zich neder op een smalle plank, waarop zij zich niet
kon omkeeren. Na den dood harer moeder, werd zij nog losser van de
aarde, en kende geene andere vreugde dan den verborgen omgang der ziel
met haar hemelschen Bruidegom; twee weldadige vrouwen, Bonaventura,
haar geburinne, en Beldia, haar min, voorzagen in haar nooddruft. Op
haar armoedig sterfbed uitgestrekt, door de koorts verteerd, door
pijnen gefolterd, week de blijmoedige glimlach niet van haar gelaat,
hoewel haar uitgeput lichaam ten grave neigde. Naar de mythe zegt,
verscheen haar, acht dagen voor haar dood, de Paus Sint-Gregorius,
die haar haar naderend uiteinde voorspelde. Op den 15den Maart 1253
ontsliep zij. Aanstonds ontloken bloemen rondom haar legerstede,
en begonnen de klokken der stad van zelve te luiden. Nog andere
wonderen, heet het, werden door haar kracht gewrocht: de burgers van
San-Gimignano verkozen haar tot hunne voorspraak; Sixtus IV vergunde
in 1481 de vereering van deze heilige; in 1538 werd de kanonisatie
nader bevestigd door Paulus III.
Negentien jaar na den dood van Fina, besloot de volksraad, ter harer
eere in de parochie eene kapel te stichten; dit plan, dat aanvankelijk
door den oorlog en andere rampen en verwikkelingen op den achtergrond
geraakte, kwam eerst in 1465 tot uitvoering. De prachtige en rijk
versierde kapel, door Giuliano de Mariano gebouwd, prijkt met twee
groote freskoos van de hand van Domenico Ghirlandajo, den beroemden
leermeester van Michel-Angelo. Deze beide schilderijen zijn ware
juweelen, uitmuntende zelfs te midden der rijke kunstschatten van
Toskane en Umbria. De eene stelt de Uitvaart van de heilige voor. De
bisschop komt de gebeden opzeggen; eene aandachtig luisterende
schare omringt hem. Op haar leger uitgestrekt ligt daar Fina, over
wier schoon gelaat een onbeschrijfelijk waas van jeugdige teederheid
en kinderlijke argeloosheid is verspreid; de gestorvene heft, door
een wonder, hare hand op, en schenkt aan haar min de gezondheid, en
aan een geestelijke het gezicht weder. Een engel roert de klokken in
den toren aan, die van zelve beginnen te luiden. Zielsrust, heilige
kalmte, dweepend geloof, ziedaar wat u tegenstraalt uit al de figuren
op deze verwonderlijke schilderij, waarop, zoo als de oude Pecori zegt,
"de heilige schijnt ingesluimerd aan den mond des Heeren."
De andere fresko verplaatst u in eene armoedige woning, een soort van
keuken, met huiselijk gereedschap en vaatwerk. Twee vrouwen zitten te
naaien: zij zijn hoogst eenvoudig gekleed, met groote boerinnemutsen
op het hoofd. Op den grond ligt Fina, die de oogen gericht houdt naar
een hoek van het vertrek, waar haar Sint-Gregorius verschijnt. De
eene vrouw, Bonaventura, heeft niets bespeurd; de andere, Beldia,
wendt zich half om en ziet de hemelsche verschijning: haar gelaat en
houding teekenen wel heiligen eerbied en bewondering, maar niet in het
minst verbazing. Weet zij niet, dat bij God alles mogelijk is, en dat
de nederigheid der woning voor Hem geen beletsel is voor de openbaring
zijner genade en heerlijkheid? Boven ziet ge een schaar van kleine
engelen, die de ziel der afgestorvene ten hemel voeren. De rustige
toon van het geheel draagt het zijne bij tot den diepen, weldadigen
indruk van dat nederig binnenhuis, waar hemelsche verschijningen en
wonderteekenen zich zoo geheel geleidelijk invoegen in het gewone,
alledaagsche leven, zoo natuurgetrouw weergegeven, dat ge nog heden
elk oogenblik het origineel daarvan vinden kunt. Deze naieveteit,
deze treffende onbevangenheid, die het hoogste idealisme op de meest
eenvoudige wijze met de alledaagsche werkelijkheid weet te verbinden,
zonder dat ge iets van gaping, veel min van tegenstelling, gevoelt,
is het groote, onnavolgbare geheim der oude meesters, waardoor zij,
ook ondanks de gebreken en zwakheden der techniek, als kunstenaars
zoo uitnemend hoog staan.
Aan de kollegiale kerk van San-Gimignano hechten zich groote
herinneringen. Eugenius III en Bernard van Clairvaux hebben in deze
kerk de heilige dienst verricht. Sint-Bernardinus van Sienna hoeft
er gepredikt, zoowel als Felice Peretti, acht-en-dertig jaar voor
hij Paus Sixtus V werd. Maar de gedenkwaardigste predikatien zijn
wel die, welke Girolamo Savonarola hier, in de vasten van 1484 en
1485, gehouden heeft. Hier heeft de onstuimige hervormer zijn eerste
manifest uitgevaardigd; hier met beslistheid den grooten strijd zijns
levens aanvaard; hier zette hij de eerste schreden op den weg, die
hem naar den brandstapel van 1498 voeren zou.
De kerk verlatende, staan wij als het ware te midden derzelfde
omgeving, die op de oude freskoos onze aandacht getrokken heeft. In
de adellijke wijken van San-Giovanni en San-Matteo hebben de gevels
der dusgenoemde paleizen allen dezelfde afmetingen: volgens een
keur van 1253, mocht de breedte aan de straat niet meer bedragen
dan omstreeks zes meter, terwijl voor de diepte der woning het
dubbele was toegestaan. Het paleis mocht, behalve de loggia,
niet meer dan twee verdiepingen hebben, met twee vensters, die
somwijlen in een zelfden boog waren saamgekoppeld; de vensterbogen
zijn halfrond of spits toeloopend; somwijlen ook vindt ge bogen in
moorschen stijl. De versierde lijsten der vensters zijn van baksteen,
dikwijls van verschillende kleur, en met eenvoudige arabesken en
relief. Doorgaans is het benedengedeelte der paleizen van gehouwen
steen, en de bovenverdieping van baksteen. Er waren twee deuren:
de eene voerde naar de vertrekken, de andere naar de loggia of open
galerij, op kolommen of pilasters rustende, waar de heer des huizes
zijne vrienden of beschermelingen placht te ontvangen.
Nevens ieder paleis verhief zich weleer een toren. Nog zijn de
overblijfselen van de meeste dier torens duidelijk kenbaar,
ook al is het dak over het overgeschoten stuk doorgetrokken,
al heeft men vensters in den muur gemaakt en den toren bij de
woning getrokken. Tegen het einde der zestiende eeuw stonden er nog
vijf-en-twintig torens overeind; thans zijn er nog dertien, zonder
de kerktorens mee te tellen, die er bijna eveneens uitzien. Deze
burchttorens zijn vierkant, van ongelijke hoogte, maar stout gebouwd,
en ondanks hun slanken vorm, indrukwekkend, om niet te zeggen drukkend
en somber. Zij dagteekenen allen uit de dagen der onafhankelijkheid,
dat is uit de drie eeuwen, volgende op het jaar duizend.
Het bezit van zulk een toren was een voorrecht van den adel, van de
hooge staatsambtenaren, en ook van de uitstekende mannen op het gebied
van letteren en wetenschappen. Geen enkele toren mocht boven de Rognosa
uitsteken; zij staan bijna allen binnen de eerste omwalling, rondom
de Pieve en het Podesta, in de wijk van den adel. Aan de voorzijde
hebben zij eene kleine, lage deur; zij zijn van travertijnsteen gebouwd
en schijnen van verre uit een stuk gehouwen; de smalle langwerpige
vensters, zeer gering in aantal, zijn zonder orde aangebracht. Men
beklimt de torens met behulp van ladders, die van binnen op smalle
vloeren rusten; alleen de onderste verdiepingen worden bewoond. Sommige
paleizen, hoewel niet veel grooter dan de andere, onderscheiden zich
door hun bouwkundigen stijl. Uwe aandacht wordt getrokken door het
paleis der Vroedschap, door de casa der Borgheresi: vooral door de
woning der heeren Pesciolini. De architectuur is zoo rijk en zoo edel,
dat eene oude overlevering dit paleis tot de residentie maakt van
Desiderius den laatsten Koning der Lombarden, die in 759 de tweede
omwalling zou hebben gebouwd. Een marmeren opschrift vermeldt, sedert
eeuwen, dit feit, dat nochtans onjuist is: het paleis zelf is niet
ouder dan de veertiende eeuw.
Na een bezoek aan de ruinen der oude citadel gebracht, en vervolgens
de geheele stad doorkruist te hebben, sloegen wij links de straat
della Costa in, en stonden eensklaps voor een dier steile paden,
die schier loodrecht naar beneden dalen. Wij lieten ons te eer
verlokken dit bijna halsbrekend pad te volgen, omdat het uitliep
op een monument, dat wij, dus van boven gezien, niet konden thuis
brengen. Weleer bezat San-Gimignano op zijn berg welhaast geen ander
water dan wat in regenbakken werd opgevangen; weldra werden eenige
beekjes en sprengen van de naburige heuvelen stadwaarts geleid,
en had men, buiten de poorten, een paar magere fonteinen. Maar de
vroedschap, die haar burgers had gelast, zich geregeld te baden,
was daarmede niet tevreden. Voor 1239 ontbood zij water van Cellole,
op een afstand van vier mijlen buiten de poort San-Matteo. In 1327
richtte de stad publieke baden op in het kwartier San-Matteo. Eene
keur van 1415 beveelt dat de mannen en knapen boven de zeven jaar
zich tusschen zondag en woensdag moeten baden; de andere dagen van
de week waren bestemd voor de vrouwen en meisjes. Er was niets wat
de aandacht van deze stedelijke regeering ontging.
Het monument, waarheen wij onze schreden richten, bevat de grootste
fontein en de waschkuipen der stad. Zes rondbogen, door zware
gedrongen pilaren gedragen, vormen twee kleine schepen, wier lijnen
weerspiegelen in een groote waschkuip; de eigenlijke fontein is door
een spitsbooggewelf overdekt. Uit de verte gezien, kunt gij u geen
rekenschap geven van den aard van het gebouw, dat in een diep ravijn
als verscholen ligt. De fontein ontvangt haar water in overvloed van
eene mild vloeiende spreng uit den aangrenzenden heuvel; ge vindt
daar altijd een zeker aantal vrouwen, die haar waterkruiken komen
vullen of bezig zijn met wasschen.
Als ge door deze stad wandelt, die met zoo zeldzame zuiverheid haar
antiek-middeleeuwsch karakter heeft bewaard; door deze straten,
waar schier geen enkele wanklank de stille melodie van den ouden tijd
verbreekt, dan zijt ge bijna geneigd, de weinig talrijke hedendaagsche
bewoners voor een anachronisme te houden; en onwillekeurig ziet ge
om u heen, of ge niet een groep dier edelen en burgers bespeurt,
wier beeld zoo getrouw is bewaard op de schilderijen in de kerken. En
zoo ge slechts eenige studie gemaakt hebt van het verleden dezer oude
republiek, dan herleeft zij weder geheel voor u, die middeleeuwsche
gemeente, demokratisch door haar oorsprong en inrichting, maar, in
tegenstelling met wat men heden demokratie noemt, zoo gansch en al
doortrokken van den echt-aristokratischen geest: ja, aristokratisch in
al hare neigingen en hartstochten, van de liefde voor het schoone tot
den dorst naar het oppergezag, hooghartig, fier, vrijheidlievend, maar
tevens edelmoedig en grootmoedig. Aan dien geest dankte de kleine stad
haar zeldzamen bloei, haar grootheid en macht, de rijke veelzijdige
ontwikkeling van haar leven. Die geduchte wallen, die zware torens,
die dreigende vestingwerken--ze weten allen te verhalen van bloedigen
kamp en wilde worsteling met de vijanden van buiten en van binnen;
maar onder de gewelven der kerken en binnen de muren der paleizen,
zongen de oude schilders der ziel hunne wonderzoete liederen van de
teederste en verhevenste mystiek. De inwoners hebben nog iets van dien
ouden grooten geest overgehouden: zij hebben hunne stad en hunne kerk
lief; nog heden, als in de schoone dagen van weleer, dragen hier de
scholieren het kerkelijk gewaad; en geene schennende naamsverandering
der oude straten en pleinen heeft tot dusverre vermocht, dien zin
van pieteit bij de burgers van San-Gimignano uit te dooven. Mogen
zij lang getrouw blijven aan hun roemrijk verleden!
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32 |
33 |
34 |
35 |
36 |
37 |
38 |
39 |
40 |
41 |
42 |
43 |
44 |
45 |
46 |
47 |
48 | 49 |
50 |
51 |
52 |
53 |
54 |
55 |
56 |
57 |
58 |
59 |
60 |
61 |
62 |
63 |
64 |
65