De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 by Various
V >>
Various >> De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 | 5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32 |
33 |
34 |
35 |
36 |
37 |
38 |
39 |
40 |
41 |
42 |
43 |
44 |
45 |
46 |
47 |
48 |
49 |
50 |
51 |
52 |
53 |
54 |
55 |
56 |
57 |
58 |
59 |
60 |
61 |
62 |
63 |
64 |
65
Naar men zegt, zouden de Uskoken, in 1617 naar Krain overgebracht,
nog heden, onder hun waren slavischen naam, ten getale van meer
dan duizend, in die provincie worden aangetroffen. Zij kleeden
zich, naar men verhaalt, in witte wol, dragen des zomers linnen,
en onderscheiden zich verder door eigenaardige zeden en gebruiken
van de andere inwoners.
III.
Men telt in de golf van Quarnero niet minder dan dertig eilanden
of klippen, als schepen te midden der golven geankerd, die allen
bij de zeevaarders bij name bekend zijn. Vijf van deze eilanden,
Cherso, Veglio, Lussine, Pago en Arbe, bevatten steden en havens. De
anderen zijn eigenlijk niet meer dan klippen of rotsen (scogli);
op de grootsten vindt men slechts enkele visschershutten. De drie
eerstgenoemde eilanden behooren tot het markgraafschap Istrie, de
twee anderen tot het koningrijk Dalmatie.
De reiziger, die van Pola naar Fiume vaart, heeft het eiland Cherso
aan zijne rechterhand; oorspronkelijk maakte dit eiland een geheel uit
met het eiland Lussine; maar ten gerieve van de scheepvaart, heeft men
tusschen de beide eilanden een kanaal, het kanaal van Ossoro genoemd,
gegraven, waarover eene smalle brug ligt, de Cavanella genoemd.
Cherso heeft eene lengte van niet minder dan vijf-en-dertig, en eene
breedte van zeven mijlen; de kust is steil, de bergen zijn voor een
deel kaal en naakt; de valleien, ook die het meest tegen den wind
zijn beschermd, bieden slechts een steenachtigen, rotsigen bodem
aan. Er wordt een weinig koren verbouwd, maar daarentegen veel wijn,
olijven en honig. Een van de hoofdbronnen van de welvaart des lands
is de veeteelt. De zee nabij de kust is zeer rijk aan visch; en in het
meer Vrana, in het binnenland, vindt men palingen van zeldzame grootte.
De stad, waaraan het eiland zijn naam ontleent, telt ongeveer
vijfduizend inwoners, en niet minder dan acht kerken. De haven is zeer
goed, de kaaien zijn meerendeels met nieuwerwetsche gebouwen omzoomd;
de stad zelve is aan haar steenen muurgordel ontwassen: zij heeft zich
rechts en links uitgebreid en de berghellingen beklommen. Ondanks de
olijvenkweekerij en den wijnbouw, ondanks de uitgebreide veeteelt ook,
is Cherso toch hoofdzakelijk een land van zeevaarders en matrozen. De
scogliari of eilandbewoners gaan dikwijls ver weg, tot in het uiterste
Oosten, om hunne fortuin te beproeven; en de arme eilander, die met
groote moeite en zware inspanning, door het kweeken van olijven of
druiven, een schamel stuk brood verdient, wijst den vreemdeling met
trotsche bewondering op de enkele gelukkigen, die als signori van
hunne verre reizen zijn teruggekeerd.
Ossero, zoo als het eiland Lussine doorgaans genoemd wordt, is kleiner
dan Cherso, maar bezit twee havens, Lussin-Grande en Lussin-Piccolo,
die van zooveel belang zijn, dat sommige aardrijkskundigen het geheele
eiland met den naam Lussine aanduiden. De stad Ossero treedt voor
deze twee havens in de schaduw; zij ligt op een voorgebergte, op het
eiland Cherso, maar het kanaal, dat haar van het eiland Ossero scheidt,
is zoo smal, dat de Cavanella bijna niet meer dan eene sluis is. Deze
stad, die vroeger haar naam aan het gansche eiland schonk, is thans
verlaten en als uitgestorven: zij telt niet meer dan eenige honderden
inwoners: het leven heeft zich geheel saamgetrokken in de twee havens.
Lussin-Piccolo, naar den naam te oordeelen de kleinste der beide
steden, is echter inderdaad de grootste; zij ligt aan den oever
eener ruime, goed gesloten baai, aan den voet van een tamelijk hoogen
berg. De ingang van de baai is zoo smal, dat wij eenmaal het anker
uitgeworpen hebbende, de straat, waardoor wij de baai zijn binnen
gevaren, niet meer terugvinden kunnen. Lussin-Piccolo is eene nijvere,
vooruitstrevende stad, waar energie en kloeke ondernemingszucht woont;
ook zij heeft haar muurgordel verbroken, en zich naar alle zijden
langs de berghellingen uitgebreid; nog voortdurend zet zij hare palen
uit, overal verrijzen nieuwe, witte, geheel moderne huizen. Zelfs de
voorsteden, waar zich de scheepstimmerwerven, haar rijkdom en haar
trots, bevinden, zijn allengs binnen den kring der wassende gemeente
opgenomen, zoodat men nu, midden in de stad, schepen op stapel kan
zien staan.
De bewoners van Lussine overtreffen al hunne buren in ijver, in
levendigheid, in verstand, in zuinigheid en overleg; zij hebben van
de gunstige omstandigheden uitnemend weten partij te trekken, en
als het getij verliep, de bakens verzet. Zij bouwen de vaartuigen,
die langs de geheele kust voor de kleine vaart gebruikt worden; ook
kan geen andere haven van Istrie of Dalmatie met deze wedijveren voor
den bouw van groote koopvaardijschepen. Tijdens mijn bezoek, wees
men mij op een der werven, het grootste schip dat tot dusver hier
gebouwd was. Er is als het ware een wedstrijd tusschen deze kleine,
energieke stad en de scheepstimmerwerven langs de kust. Te Gravosa, de
haven van Ragusa, was voor eenigen tijd een koopvaardijschip gebouwd,
dat als het grootste werd beschouwd, dat daar nog ooit van stapel was
geloopen. Eenige maanden later werd te Klein-Lussine de kiel gelegd van
een schip van nog meer tonneninhoud. Tijdens mijn verblijf stonden er
acht schepen op stapel. De zee dringt schier als eene wigge in de stad
door; overal zijn kaden; de gansche stad is een haven, en de geheele
haven is stad. De bewoners zijn tegenwoordig geen reeders meer, maar
houden zich hoofdzakelijk met scheepsbouw bezig; zij trekken dus al
het voordeel van hun arbeid, en zijn niet blootgesteld aan verliezen
door het vergaan van schepen. Gedurende den Krimoorlog hebben velen
hunner fortuin gemaakt, door ten behoeve der Franschen, Engelschen,
Piemonteezen en Turken, hunne schepen te verhuren voor het vervoer
van allerlei krijgsbenoodigdheden.
Tegenwoordig liggen de stoombooten viermaal in de week te Lussine
aan; deze stad is, ondanks hare weinig talrijke bevolking, die
hoogstens omstreeks vijfduizend zielen kan bedragen, eene van de
belangrijkste der gansche kust. In 1848 telde zij niet meer dan
vijf-en-twintighonderd zielen.
Van al deze eilanden is Veglia het vruchtbaarste en meest bevolkte;
het ligt onder de kust van Kroatie, waarvan het door het kanaal van
Maltempo is afgescheiden. Op de kaart schijnt dit kanaal smal en
gemakkelijk over te steken, maar inderdaad is dit niet het geval; de
vaart van het eene eiland naar het andere in een visschersvaartuig, is
eene heele reis. De bevolking van het schoone eiland, tusschen vijftien
kleine stadjes en meer dan vijftig dorpjes en gehuchten verdeeld,
bedraagt ongeveer vijf-en-twintigduizend zielen. De inwoners leggen
zich minder dan die van Cherso op de zeevaart toe, en zijn ook minder
welvarend, ondanks de uitnemende vruchtbaarheid van den grond. Van het
eiland Veglia ontvangt Fiume schier al zijne benoodigdheden: koren,
olie, wijn, heerlijke vruchten. Wij steken van Porto-Re de straat over
naar Castelmucchio; langs een zeer moeilijken en vermoeienden weg,
alleen bruikbaar voor voetgangers of voor de kleine, zenuwachtige,
zeer vlugge paarden, die op het eiland geboren en ook naar elders
uitgevoerd worden, wandelen wij, dwars door het eiland heen, naar het
stedeke Veglia. Die kleine havenstadjes gelijken allen op elkander. Zij
zijn allen gebouwd aan een door de natuur gevormden inham van de
hooge kust, eene kalme baai, die door de omringende bergen tegen de
aanvallen van de geduchte bora beveiligd wordt. Langs den oever,
half tegen de berghellingen opklimmende, groepeeren zich dan, in
vaak schilderachtige wanorde, de witte huizen van het kleine vlek,
half handelstad, half visschersdorp.
De geschiedenis van het eiland Veglia is zeer belangwekkend en rijk
aan afwisseling. Sinds de vroegste tijden, waarvan de kronieken
melding maken, was dit eiland eene zelfstandige republiek, waarvan
de magistraten gezamenlijk door de edelen en de plebejers, ieder
voor een deel, werden verkozen. Aan het hoofd van het uitvoerend
bewind stond de hoogste overheidspersoon, met den titel van Graaf,
die voor een jaar gekozen werd. Doch daar het eiland telkens aan
de aanvallen der zeeroovers bloot stond en reeds herhaaldelijk de
bescherming van Venetie had moeten inroepen, gaf de kleine republiek
zich zelve, in de twaalfde eeuw, vrijwillig aan Sint-Marcus. In 1260,
tijdens het bestuur van den Doge Rainero Zeno, werd het eiland, door
de regeering van Venetie, tot een leen verklaard ten behoeve van
de broeders Zuane Schinella, patriciers van edelen stam. Zonder van
zijne rechten of bezittingen afstand te doen, verklaarde de Senaat
het gezag over het eiland erfelijk in deze familie, die den titel
had aangenomen van graven van Frangipani. Omstreeks dienzelfden tijd
zwierf Bela IV, de verdreven Koning van Hongarije, door de Turken
achtervolgd, als vluchteling langs de naburige kust; hij zocht en hij
vond eene schuilplaats op Veglia. De inwoners, vreezende dat de Turken
hen zouden overvallen, hielpen nu Bela een leger bijeen brengen; de
onttroonde Koning stak daarmede naar den vasten wal over, verjoeg de
Turken en herwon het land. Ter belooning voor de bewezen hulp, gaf
Bela aan de Frangipani de stad Segna ter leen. Toen vormde zich een
hongaarsche partij op Veglia, en het eiland zeide de gehoorzaamheid
aan Venetie op. Maar de Senaat duldde geen verzet van de zijde zijner
kolonien: hij vaardigde gezanten af naar graaf Zuane, die weigerde
zich te onderwerpen. Welhaast uit zijne bezittingen verdreven, moest
Zuane een wijkplaats zoeken in Segna, en do standaard van Sint-Marcus
wapperde op nieuw op het eiland. De macht der Frangipani ging allengs
te gronde. Volgens eene vrij algemeen verspreide overlevering,
zouden de inwoners van Veglia, eeuwen lang, de herinnering aan de
Frangipani hebben bewaard, en, ter gedachtenis aan dit geslacht,
de gewoonte aangenomen om, bij wijze van rouw, donker gekleurde
kleederen te dragen.
Veglia heeft een eigen bisschop; ook was ik getroffen over het groot
aantal priesters, die ik op het eiland ontmoette: ook dat is trouwens
nog eene herinnering uit den tijd der Venetianen. Men vond in de
golf van Quarnero een aantal kloosters, meerendeels door de rijke
patriciers gesticht en mild begiftigd. Nog heden ontwaart de reiziger,
die deze eilanden doorkruist, hier en daar, op eene eenzame plek,
op een schilderachtigen heuveltop, een eerwaardig kloostergebouw,
op welks muren nog het fiere blazoen van Sint-Marcus prijkt.
De twee dalmatische eilanden, Pago en Arbe, zijn veel kleiner. De kust
langs het kanaal della Morlacca, dat deze eilanden van den vasten
wal scheidt, is steil, wild en rotsachtig. Daar heerschen telkens
geweldige winden, en de hoogste terreinen van deze eilanden zijn
onbewoond en onbebouwd; maar aan de andere zijde, langs de kust van
den Quaruerolo, is de bodem vruchtbaar en wel bebouwd: daar tieren
olijven, wijngaarden en moerbezienboomen. De bevolking splitst zich
in zeevaarders en landbouwers, tevens veefokkers; de vischvangst is
zeer bloeiend en levert rijke uitkomsten op.
Pago maakt een zeer eigenaardigen indruk: dit eiland is eigenlijk
eene aaneenschakeling van kleine eilandjes, door smalle landtongen aan
elkander verbonden. De stad van gelijken naam is in de zestiende eeuw
door de Venetianen gebouwd; het besluit van den Senaat, waarbij de
bouw der stad binnen een bepaalden tijd werd gelast, berust nog in de
archieven. Pago, een der sleutels van den Quarnero, was een punt van
groot strategisch gewicht; wie hier gebood, was meester van een der
uitgangen van het kanaal della Morlacca, en kon dus gemakkelijker de
Uskoken in Segna blokkeeren. De Venetianen bouwden hier een citadel,
legden een haven aan, en richtten de plaats in tot militaire post
en station voor de galeien, die voor de veiligheid der golf moesten
zorgen. Het eiland telt een tiental dorpen of gehuchten; Pago levert
wijn op, het bezit ook rijke zoutputten en een steenkolenmijn.
De reiziger, die een tocht door deze eilanden wil doen, moet zich
van den noodigen voorraad voorzien en alles wat hij behoeft zelf
medenemen. Men kan zich moeilijk een begrip vormen van de levenswijze
der bewoners van het binnenland. Op Cherso, Veglio en Ossero vindt
men langs de kust, en vooral in de havens, althans een onderkomen,
en wanneer men zijne eischen zeer matig stelt, kan men hier ook het
noodige voor levensonderhoud bekomen. Maar als men de havens verlaat,
om hetzij te paard, hetzij te voet, een dezer eilanden in zijne lengte
en breedte te doorkruisen, is zelfs voor goud noch logies, noch voedsel
te bekomen; en nog altijd herinner ik mij den afschuwelijken smaak
van een schotel olijven, in olie drijvende, die eene arme vrouw van
Val Cassione, ter eere van den vreemdeling, met suiker had bestrooid
en mij voorzette.
IV.
De tocht van Fiume naar Zara duurt zeventien uren; wie van
Lussin-Piccolo vertrekt, hoeft slechts zes uren noodig om de hoofdstad
van Dalmatie to bereiken. Bij fraai weder, is zulk een zeereisje een
waar genot. De uitstekend ingerichte stoombooten van de Lloyd varen
steeds dicht langs de kusten; ge telt achtervolgens al die kleine
havenstadjes en schilderachtige dorpen, half wegschuilende tusschen
de bergen; met rustige zekerheid vervolgt de boot haar weg door dien
doolhof van kanalen, zich slingerende tusschen de tallooze eilandjes
en klippen, langs de kusten gestrooid.
De meest geschikte tijd voor een pleiziertochtje in de
Adriatische-zee is de lente of het begin van den herfst. November
is een noodlottige maand, en de laatste dagen van den winter zijn
vol van gevaren. Naarmate men het Oosten nadert, worden de kleuren
en tinten levendiger; de wateren schijnen met zilver overstrooid;
de donkere bergen schijnen te zweven in een van licht stralenden,
van goudglans doortrokken ether.
Dalmatie vormt eene smalle strook lands, door Kroatie en Herzegowina
begrensd, en zoo zeer tusschen de bergen en de zee ingeklemd, dat het
schijnt of de kust in eene ontelbare menigte eilanden en eilandjes
is verbrokkeld. Op sommige punten is deze strook zoo smal, dat de
Turken, van de toppen der bergen, eene in de dalmatische havens voor
anker liggende vloot zouden kunnen beschieten. Ten zuiden, omstreeks
Ragusa, heeft het land de minste breedte; even beneden Sebenico,
tusschen kaap la Planca en den berg Dinara, is de breedte het grootst.
Een der zijtakken van de Alpen loopt in zuidoostelijke richting van
Krain tot nabij Griekenland, scheidt het bekken van de Adriatische-zee
van het stroomgebied van den Donau on de Zwarte-zee, en sluit zich ten
zuiden aan de gebergten van Epirus aan. De van dezen bergrug uitgaande
zijtakken en heuvelklingen, die naar het zuiden en zuidwesten loopen,
vormen de bergen van Dalmatie.
Vier rivieren, die in sommige gedeelten van haar loop vrij belangrijk
zijn, vormen vier bekkens, en splitsen de bergen van Dalmatie in
vier onderscheidene groepen. Deze rivieren vloeien, door meer of
minder diepe valleien, naar de Adriatische-zee: en naarmate zij de
kust naderen, nemen de bergen in hoogte toe, en eindigen meestal in
zeer hooge, steile rotskegels.
Die vier rivieren zijn: de Zermagna, die de grensscheiding met Kroatie
vormt; de Kerka, dio dicht bij de Zermagna ontspringt, langs het fort
Knin vloeit, bij Scardona een beroemden waterval vormt, en bij Sebenico
in de Adriatische-zee uitloopt; de Czettina, die eerst van het noorden
naar het zuiden, vervolgens naar het westen loopt, en bij Almissa in
zee valt; en eindelijk de Narenta, die in Herzegowina ontspringt,
twintig mijlen van de dalmatische grens verwijderd, en zich in de
moerassen boven Fort-Opus verliest.
De bodem is dor, hard, steenachtig, dikwerf voor bebouwing ongeschikt;
in sommige streken, zoo als, bij voorbeeld, tusschen Zara en Knin,
vindt men op eene uitgestrektheid van vijf of zes mijlen, nergens
bouwland: ter nauwernood bespeurt men hier en daar, op de toppen
der heuvelen, of tusschen de rotsen, eenige dwergachtige, schrale
boomen. Kudden van klein, mager vee vormen schier al den rijkdom
des lands; en de Dalmatier, hoezeer matig en arbeidzaam van aard,
aan inspanning gewend, heeft toch dikwijls moeite in zijn onderhoud
te voorzien. De oude bosschen van Dalmatie, die nog in den atlas
van Coronelli, den geograaf der doorluchtige Republiek, voorkomen,
bestaan tegenwoordig niet meer, tenzij dan in de gedaante van
doornig struikgewas. De vernieling dezer bosschen wordt hoofdzakelijk
toegeschreven aan de geiten, die de jonge uitspruitsels der boomen
afknabbelen; toen, in het begin dezer eeuw, de fransche troepen
Dalmatie bezetten, bedroeg het getal dezer dieren, naar men zegt,
niet minder dan elfhonderd-duizend. Tijdens het venetiaansche bestuur
bestonden er bepalingen, waarbij het getal der geiten werd beperkt
en regelen gesteld voor het weiden.
Het land is arm, maar de bevolking is wel de aandacht waardig. Naar
men zegt, sterven vele kinderen, ten gevolge der heerschende armoede,
op zeer jeugdigen leeftijd; de sterkeren alleen blijven in leven,
en zoo doende verbetert het ras. De bevolking van Dalmatie is sterk,
moedig, prikkelbaar en vatbaar voor geestdrift; de bewoners zijn voor
het meerendeel zeer onwetend, maar zoo het hun aan kennis ontbreekt,
bezitten zij daarentegen de vrij wat kostelijker gaven van eenvoud des
harten, oprechtheid en onwankelbare loyauteit. Men heeft Dalmatie, niet
ten onrechte, het land der deuren zonder sloten genoemd. Diefstal is
onbekend; de misdrijven, welke hier voorkomen, zijn die van mannen,
gewoon hun tegenstander in het aangezicht te weerstaan, en die
gruwen van lafheid en huichelarij. Deze groote, stevig gebouwde,
sterk gespierde Dalmatiers, met hunne edele gelaatstrekken en hun
krijgshaftig voorkomen, zijn niettemin lui en zorgeloos; hunne vrouwen
moeten den zwaarsten arbeid verrichten, terwijl de mannen rustig zitten
te rooken. Zij zorgen niet voor den dag van morgen, en spaarzaamheid
is hun eene bijna onbekende deugd. Nog in den laatsten tijd volgde,
op jaren van betrekkelijk overvloedigen oogst, een enkel jaar van
misgewas: dadelijk heerschte alom de grootste ellende; niettemin was
de veiligheid in het door den honger geteisterde land niet minder
volkomen dan vroeger.
Het aantal reizigers, die het land in alle richtingen hebben
doorkruist, is niet groot; en daar men dit niet anders dan te voet of
te paard kan doen, is het aantal van hen, die eene beschrijving van
hunne reis in het licht hebben gegeven, nog geringer. Dalmatie is geen
land voor onze moderne toeristen, die zich niet gaarne blootstellen
aan de ongemakken der reis in een streek, waar men soms honger en
dorst lijden kan, en bijna geen van de gemakken vindt, waaraan het
leven ons gewend heeft. Echter kan men, met eenige zorg zijn dagreizen
berekenende, welhaast zeker zijn, dat men bijna altijd gelegenheid
zal vinden om behoorlijk te overnachten en in een bed te slapen.
Wegen zijn zeldzaam, maar zij zijn volkomen veilig, ondanks het woeste
karakter des lands, het krijgshaftige, min of meer ruwe voorkomen
der bewoners, en het arsenaal van wapenen, dat ieder hier steeds bij
zich draagt. De Dalmatier is gastvrij, en geheel onbekend met die
streken en kunstgrepen, die geen ander doel hebben dan om den reiziger
af te zetten, en zooveel mogelijk voordeel van hem te trekken. De
levenswijze is meer dan eenvoudig en vordert dus niet veel uitgaven;
de eenige uitgave, waar men niet buiten kan, is die voor de middelen
van vervoer. Op de weinige groote wegen is het vervoer, zelfs per
as, zeer duur; en wanneer men de bergpaden moet volgen, en paarden,
muilezels en gidsen moet huren, dan loopt dit betrekkelijk zeer hoog;
maar daar de overige verteringen weinig te beteekenen hebben, weegt
het een weer tegen het ander op. Wie in Dalmatie wil gaan reizen,
moet zorgen altijd wat brandewijn en eenige ingelegde spijzen bij
zich te hebben; want het is mij meermalen overkomen, dat ik, na een
vermoeienden rit van tien uren langs bijna onbegaanbare wegen, in eene
armelijke woning komende, honger moest lijden, omdat de bewoners,
ook met den besten wil der wereld, mij zelfs geen ei of een handvol
rijst verschaffen konden.
De illyrische oorlogen leverden dit land in handen der Romeinen, die
het in drie provincien verdeelden, een soort van vazalstaten, welke
wel het oppergezag van Rome erkenden, maar overigens eene groote
mate van zelfstandigheid behielden. Het dalmatische gemeenebest
was voorspoedig en welvarend: het telde niet minder dan tachtig
steden, en was in staat legers op de been te brengen, die, Rome's
oppergezag miskennende, zelfs de romeinsche kolonien te Lissa en Trau
aantastten. Dezen riepen de hulp in van den Senaat, en nu begon een
reeks van oorlogen, die honderd-vijftig jaar lang voortduurden; wel een
bewijs, dat de Romeinen hier met een dapper en energiek ras te doen
hadden. Agrippa, Tiberius, Germanicus, Octavius-Augustus moesten het
land voet voor voet veroveren; in het negende jaar der christelijke
jaartelling was geheel Dalmatie eindelijk voor goed onderworpen aan
de heerschappij van het keizerlijke Rome. Tot dusver had het land
den naam gedragen van Illyrie; nu werd het Dalmatie genoemd, en daar
het ongehoorzaam was geweest aan het gezag der machtige metropolis,
moest het voortaan alle zelfstandigheid missen. Dit gemis werd echter
opgewogen door grooten bloei en ongekenden voorspoed; verder deelde
Dalmatie in de lotgevallen des rijks. Toen de barbaren uit het Oosten
naar het Westen drongen, vernielden zij op hun weg al die bloeiende en
prachtige steden, waarvan wij nog de verstrooide ruinen aanschouwen:
Scardona, Salona, Epidaurus, Nona, Promona en zoovele anderen.
Achter de Gothen en Avaren komen de Kroaten en de Serviers, die het
land onder zich verdeelen; dan komt Dalmatie onder de heerschappij
der grieksche Keizers; later, tijdens de oorlogen tusschen de
Turken en het wegstervende byzantijnsche rijk, nemen de Koningen van
Hongarije de plaats der Keizers in. Beurtelings oefent bijna iedereen
de heerschappij in Dalmatie uit: de Sarraceenen, de Venetianen,
de Napolitanen, zelfs de Genueezen; de piraten van Narenta richten
zulke verwoestingen aan, dat Venetie de Dalmatiers te hulp komt, en,
tot prijs voor deze bescherming, hun de onafhankelijkheid ontneemt.
Eerst bij het traktaat van 6 September 1669 echter, dat, door den
afstand van het eiland Kandia. een einde maakte aan den langdurigen
oorlog tusschen de Turken en de Venetianen, werd door Turkije de
souvereiniteit erkend van de republiek over het gansche kustland
van Cattaro tot aan de golf van Triest; van weerszijden worden
gevolmachtigden benoemd tot regeling van de grensscheiding. De
heerschappij van Venetie duurde, ondanks de pogingen van
enkele oproerige steden om het vreemde juk af te schudden,
driehonderd-vijftig jaar, tot op het traktaat van Campo-Formio,
den 17den October 1797 gesloten. Daarbij werden Istrie, Dalmatie,
de voormalige venetiaansche eilanden in de Adriatische-zee, Cattaro
en Venetie zelve aan den Keizer-Koning van Duitschland afgestaan. De
oostenrijksche heerschappij duurde echter ditmaal niet lang: reeds
den 9den Februari 1806, bij het traktaat van Presburg, werd Dalmatie
aan Frankrijk afgestaan. Napoleon lijfde het land bij het koningrijk
Italie in, en schonk aan den maarschalk Soult den titel van hertog van
Dalmatie. In Juli 1809 drongen de Oostenrijkers het land binnen; maar
bij den vrede van Weenen werd het op nieuw aan Frankrijk afgestaan. Nu
werd het echter van Italie gescheiden, en van 1809 tot 1814, met de
andere aan Oostenrijk ontweldigde en onder den naam van Illyrische
provincien vereenigde gewesten, bestuurd door gouverneurs-generaal,
die hunne residentie te Laibach hadden. De eerste dezer stadhouders
was Marmont, begiftigd met den titel van hertog van Ragusa. Na den
val van Napoleon werd het land, bij de traktaten van 1815, weder aan
Oostenrijk teruggegeven, waartoe het tot heden behoort.
Het koningrijk Dalmatie is in vier kreitsen verdeeld, die elk
een zeker aantal distrikten bevatten; de hoofdstad des lands is
Zara, tevens de residentie van den stadhouder, tegenwoordig Baron
Rodich, in wiens handen zoowel het burgerlijk als het militair
gezag berust. De vier kreitsen dragen, naar de hoofdplaatsen, de
namen van Zara, Spalato, Ragusa en Cattaro. Tot den kreits van Zara
behooren de eilanden Pago en Arbe, en voorts de distrikten Zara,
Obbrovatz, Knin, Scardona, Dernis en Sebenico. De kreits van Spalato
bevat de districten Spalato, Trau, Sign, Almissa, Smorchi, Brazza,
Lissa, Macarsca en Fort-Opus. Tot den kreits van Ragusa behooren de
districten Curzola, Sabioncello, Slano, Ragusa en Oud-Ragusa; en tot
den kreits van Cattaro de distrikten van Castel-Nuovo, Cattaro en
Budua. Zara telt tweehonderd-vier-en-negentig gemeenten; Spalato,
tweehonderd-een-en-vijftig; Ragusa, honderd-veertig, en Cattaro,
honderd-vier.
Tegen het einde van het venetiaansche bestuur telde Dalmatie
tweehonderd-twee-en-vijftigduizend inwoners; toen de maarschalk
Marmont eene volkstelling liet houden, schatte hij de bevolking op
tweehonderd-vijftigduizend zielen, die bijna allen de katholieke
godsdienst beleden; de aanhangers der grieksche kerk schatte hij
op niet meer dan een tiende van het geheel. In 1838 bedroeg het
totaalcijfer der bevolking ruim drie-honderd-vijftigduizend;
de verhouding tusschen de Slaven en de Italianen was toen
van driehonderd-veertigduizend tot zestienduizend, bijna allen
kustbewoners. In 1844 werd de bevolking op vierhonderd-drieduizend
zielen geschat; de laatste opgaven geven een cijfer aan van ruim
vierhonderd-vijftigduizend. Er is dus ontegenzeggelijk vooruitgang;
niettemin is de bevolking gering, in verhouding tot de uitgestrektheid
des lands.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 | 5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32 |
33 |
34 |
35 |
36 |
37 |
38 |
39 |
40 |
41 |
42 |
43 |
44 |
45 |
46 |
47 |
48 |
49 |
50 |
51 |
52 |
53 |
54 |
55 |
56 |
57 |
58 |
59 |
60 |
61 |
62 |
63 |
64 |
65