A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z


'Da Vinci Code' publisher one of two execs leaving Random House
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

Fans and booksellers eager for new magic from Potter author J.K. Rowling
Ad - Get Info for Book Publishing from 14 search engines in 1.

Rubin, Irwyn Applebaum Out in RH Reorg
NEW YORK - The man who helped give the world 'The Da Vinci Code' and a leading publisher of Danielle Steel and other brand-name authors are leaving Random House. The departing executives are Stephen Rubin, who as head of the Doubleday Publishing Group

De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 by Various



V >> Various >> De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65




V.

San-Gimignano verlatende, toog ik westwaarts naar de dusgenoemde
Maremma van Toskane: eene dorre, onbebouwde streek, weinig bevolkt, met
geen anderen plantengroei dan enkele boschjes van verschrompelde boomen
met grijskleurige bladeren. Voortdurend steeg de weg; San-Gimignano
zonk achter mij in de diepte; ton westen verhieven zich vrij hooge
bergen, waarboven, aan den gezichteinder, een kegelvormige top uitstak,
met rechtlijnige muren bekroond. Die hooge berg stond daar immer
voor ons, terwijl wij in breede kringen, over den kam der heuvelen,
de woestijn doortrokken; eindelijk, toen wij den top vlak tegenover
ons zagen, wees de koetsier met zijn zweep naar dit, den ganschen
omtrek beheerschend punt, en sprak: "Ecco lassu Volterra!"

Het rijtuig keerde en wij reden recht op de stad aan over een hoogen
rug, als een natuurlijke brug, dwars door de cirkelvormige vallei. Om
de oude etrurische hoofdstad te bereiken, werden nog twee paarden voor
ons rijtuig gespannen: en nu ging het voorwaarts, omhoog langs het
steile pad, terwijl wij nederblikten aan den gapenden afgrond nevens
ons, waarvan wij slechts door een houten leuning gescheiden waren.

Vlak aan den ingang van Volterra bevindt zich de herberg, op een terras
gebouwd, van waar men de Maremma overziet; van deze piazzetta gaat eene
smalle straat uit, die naar het hart der stad voert. Terwijl men bezig
was de bagage af te laden, ging ik, verleid door de avondschemering,
die nauwe straat in; na een paar donkere, tusschen hooge zwarte muren
ingesloten steegjes te zijn langs gaan, zag ik een in grootschen stijl
aangelegd plein, en stak dat over, in de hoop nu een meer levendiger
wijk te zullen bereiken. Geen enkele winkel was verlicht; de koude
wind, die op deze hoogte woei, had alle wandelaars van de straat
gejaagd; zelfs geen bedelaar was te bespeuren in deze uitgestorven
stad, waar de eenzaamheid een zoo veel akeliger indruk maakte dan
op het open veld. Spoedig keerde ik naar de herberg, de locanda,
de Unione, terug.

Volgens de reisboeken, hebben de vreemdelingen de keus tusschen
twee evenzeer beroemde ciceroni: het ongeluk wil echter dat beiden
een winkel hebben te Florence, waar zij drie vierden van het jaar
doorbrengen, zoodat zij hunne reputatie, die hun klanten bezorgt,
gemakkelijk genoeg verdienen. Daar zij ook nu afwezig waren, zond men
ons, reeds in den vroegen ochtend, het zoontje van een hunner, een
dommen knaap, van wien wij geen woord konden verstaan. Wij moesten
hem met eenige baiocchi wegzenden; en daar dit geschiedde juist
toen de winkels werden geopend, spreekt het van zelf dat eene zoo
ongewone gebeurtenis de algemeene aandacht trok. Een kapper en eene
banketbakster verwijderden de bedelaars, en beduidden ons dat wij den
concierge van het museum als gids moesten nemen. Aanstonds liepen een
dozijn jongens weg, om hem te halen; en weldra verscheen de custode in
de gedaante van een kleinen, glimlachenden grijsaard; zijne meer dan
verwaarloosde, boersche kleeding, waarvan de tallooze vlekken de vele
dienstjaren bewezen, zag er bijzonder armoedig uit: trouwens, hij was
gekleed, zoo als bijna iedereen van drie vierden van Italie. De jonge
meisjes zijn koket en opgeschikt, de oudere vrouwen en alle mannen
gaan bijna in lompen; de nationale kleederdrachten zijn verdwenen;
de zucht voor schelle kleuren is nog algemeen, hoewel die kleuren
door ouderdom dikwerf haar glans verloren hebben en verschoten zijn.

Het plein van het openbare Paleis (Palazzo publico), waar ge de
bibliotheek en de musea vindt, doet u meer aan Sienna dan aan Florence
denken; maar het plein is kompleet, en van zoo eigenaardig karakter,
dat het op geen ander gelijkt. Tegenover de musea, paleizen van de
dertiende eeuw, met drie rijen spitsboogvensters ongelijk verdeeld
en hier en daar verspreid, verrijst het Paleis van justitie, in de
veertiende eeuw gebouwd. De gekanteelde toren verheft zich hoog boven
den evenzeer gekanteelden toren van het Municipio. Aan de hoeken van
dit laatste gebouw staan, op voetstukken, twee marmeren leeuwen. Een
derde paleis, niet minder oud, de Uffizio postale, verrijst tegenover
den met wit en zwart marmer bekleeden ingang van eene der kapellen
van de hoofdkerk. In den gevel van het Palazzo publico, even als in
het voorhuis, ziet ge de wapenschilden van de oude consuls en van de
heerlijkheden, die aan deze kleine republiek onderhoorig waren, voor
zij zelve onder het gezag kwam van Florence. Deze veelkeurige gordel
van blazoenen schenkt leven en toon aan het sombere monument. Elk van
deze wapenschilden is eene herinnering aan eene adellijke familie,
wier geheimzinnige geschiedenis deze oude muren zouden kunnen
verhalen. In de bibliotheek en in de zaal der gesneden steenen heeft
men nog enkele overblijfsels uit dien tijd bewaard: onder anderen zes
bruidskoffers, met basreliefs in ivoor versierd, uit de dertiende eeuw;
twee bisschopsstaven uit denzelfden tijd, en twee vazen van gebakken
aarde, uit de vijftiende eeuw.

In de zaal der gesneden steenen bevinden zich eenige voorwerpen,
in vergelijking waarvan de vier a vijf eeuwen oude freskoos der zaal
modern schijnen. Die kleine glazen flesschen, met gouden arabesken
doorslingerd, hoe zijn die vervaardigd? Reeds de Romeinen wisten
daarop geen antwoord meer te geven. Het zijn zwarte vazen, bronzen
voorwerpen, werktuigen, die voor een of ander onbekend doel werden
gebruikt; zeldzaamheden, waarbij een kleine Mercurius, in zuiver
griekschen stijl, bijna eene nieuwerwetsche schepping schijnt. Eene
eenige verzameling is die van de etrurische munten, van de grootste
asse, waarop een dolfijn is afgebeeld en die den etrurischen naam
van Volterra (Velathri) draagt, tot de kleinste stukjes. Er zijn in
het geheel zes-en-dertig stukken, van verschillenden vorm: de meesten
vertoonen een hoofd, dikwijls met een dubbel voorhoofd.

Het gezicht dezer penningen voert eensklaps de verbeelding terug naar
de oudste tijden, naar dat onbekende volk, dat voor de Romeinen in
Toskane heerschte, waarvan de taal en de geschiedenis ons tot heden
verborgen zijn, maar dat in eene menigte monumenten de sporen van
zijn bestaan en van eene onbekende beschaving heeft nagelaten.

Na een leven van zooveel duizend jaar, dankt Volterra haar roem juist
aan die overoude tijden. Deze stad, een der twaalf lucumonien van de
Tyrrheensche confederatie, door Ptolomeus in de derde plaats genoemd,
is een der vijf steden, die, volgens het bericht van Dionysius
van Halicarnassus, de wapenen hebben opgenomen om den aanval der
Tarquiniussen af te slaan. Door onderscheidene staten van Latium
gescheiden, beveiligd door haar ongenaakbare ligging, wist deze
oude bondgenoote van Porsenna langen tijd hare onafhankelijkheid
tegenover de Romeinen te handhaven, en haar zeer uitgestrekt
gebied, dat tot Vetulonia reikte, te doen eerbiedigen. In het jaar
456 na Rome's stichting drong Cornelius Scipio Barbatus diep in
centraal Etrurie door, en leverde in de onmiddellijke nabijheid van
Volterra een bloedigen veldslag, die twee dagen duurde, en waarbij de
overwinning toch onbeslist bleef. In de volgende eeuw werd de vesting
met storm genomen, en wel voor het jaar 547; want toen de kleinzoon
van Cornelius Scipio, in dat jaar, van de etrurische steden bijdragen
vorderde voor de uitrusting der vloot, die Carthago moest aantasten,
gaf Volterra koren en was. Voortaan ingelijfd bij een der zestien
landelijke stammen, die de eerste territoriale verdeeling van den
romeinschen staat vormden, werd Volterra, dat, volgens Fabretti,
tot de Sabatina behoorde, eene provinciestad.

Romeinsche burgers geworden, behielden de inwoners van Volterra niet
vele van hunne zoo duur gekochte rechten; tijdens den burgeroorlog
tusschen Marius en Sylla, kozen zij de partij van eerstgenoemde,
hetgeen hun een aanval van Sylla op den hals haalde; na eene
langdurige belegering moest de stad zich overgeven, waarop de
muren werden geslecht, de voornaamste gebouwen in de asch gelegd,
de aloude vrijheden vernietigd en de landerijen der burgers onder
de soldaten van den dictator verdeeld. Eenigen tijd daarna werd de
stad eene der militaire kolonien van Caesar; onder Augustus werd
zij weder herbouwd, verfraaid en van muren omringd, die nog bestaan;
vervolgens deelde Volterra voortaan in de algemeene lotgevallen van
het romeinsche rijk. Van dit tijdvak zijn intusschen weinig sporen
overgebleven. Zie om u heen, delf in den grond: alles spreekt u van de
tijden der Etruriers, bijna niets van de romeinsche periode. In deze
streken, waar het verleden met een ondoordringbaren sluier bedekt
blijft, in het oude Etrurie, waar nog zoo vele gedenkteekenen zijn
overgebleven eener maatschappij, waarvan wij zoo weinig weten, eener
taal, die wij ontcijferen zonder haar te verstaan,--zijn gedurende
het romeinsche tijdvak twee beroemde mannen opgestaan: Linus, de
zoon van Herculanus, de opvolger van Sint-Pieter op den romeinschen
bisschopszetel, van wiens leven wij verder niets weten; en Aulus
Persius Flaccus, de satirendichter, wiens werk meermalen duister is,
en die sedert eeuwen het geduld en de wetenschap der commentatoren
op de proef heeft gesteld.

In de benedenverdieping van het Volkspaleis zijn negen zalen gevuld
met kunstwerken, sedert het jaar 1731 uit de etrurische graven te
voorschijn gebracht. Beelden, sieraden, gereedschappen, vazen, maar
vooral kleine sarkophagen, van marmer, maar meest van albast, en met
basreliefs bedekt, vormen te zamen eene geheel eenige verzameling,
die niet minder dan zevenhonderd dertig nommers telt. De opschriften
zijn talrijk: van de rechter- naar de linkerhand lezende, kan men
eenige eigennamen ontcijferen, maar dat is ook alles.

Over de afkomst van het oude volk der Etruriers of Etrusken hangt
nog altijd een sluier; naar de getuigenis der meeste oude schrijvers
zouden zij uit Klein-Azie afkomstig en met de Pelasgers verwant zijn;
en de nieuwste nasporingen hebben althans, mijns inziens, niets aan
het licht gebracht, wat met deze hypothese in strijd is.--Noel des
Vergers, bijna de eenige die de begraafplaatsen in de verschillende
provincien van Etrurie volledig heeft onderzocht, merkt op dat men
in de zuidelijke streken bijna geen andere dan groote sarkophagen
vindt, bestemd om het lijk te ontvangen; terwijl meer noordwaarts deze
sarkophagen, meer versierd en kunstiger bearbeid, eigenlijk niet meer
zijn dan koffertjes, waarin de asch der overledenen werd bewaard. Tot
deze laatste kategorie behooren de sarkophagen van Volterra, die op
de voorzijde beeldwerken van hoogrelief vertoonen, en op het deksel,
de afbeelding van den overledene in slapende houding. De zes oudste
van deze sarkophagen zijn van gebakken aarde, en zonder bas-reliefs;
de meeste anderen zijn van albast; enkelen, van marmer, hebben in
het midden rozen of roosvormige bloemen, waarvan de meeldraden de
levensjaren van den overledene aanwijzen: deze bedoeling valt ligt
te raden: bij de portretten van jongelieden of kinderen vindt men
eenvoudige eglantinen; bij die van bejaarden en grijsaards, volle
honderdbladerige rozen. Men vindt hier eene reeks sarkophagen van de
Caecinae (Ceicna), een der oudste en doorluchtigste geslachten van
Etrurie, dat later eene eerste plaats bekleedde onder den romeinschen
adel, en de middeleeuwen door heeft voortgebloeid, tot nu voor
vijf-en-zeventig jaren de laatste afstammeling ten grave daalde. Een
der Caecinae heeft een apex in de hand: het teeken der priesterlijke
waardigheid.--Somwijlen stellen de bas-reliefs begrafenisplechtigheden
voor: de overledene wordt weggevoerd op een met twee paarden bespannen
wagen, terwijl de bloedverwanten en vrienden den stoet volgen. Op
sommige sarkophagen ziet men een begrafenisstoet, overeenkomende met
dien der Grieken; muziekanten, met reusachtige gebogen trompetten
voorzien, gaan voor den lijkwagen uit, die door vier paarden wordt
getrokken. Zeer dikwijls zijn offerplechtighedon afgebeeld; voor het
overige is de stof voor de meeste bas-reliefs ontleend aan de verhalen
van de Ilias en de Odyssea.--De liggende beeldjes op het deksel houden
doorgaans een of ander voorwerp in de hand: een papaver, een lotusblad,
een apex, een bal, een flabellum, een wiel enz.--Voorstellingen aan
den trojaanschen oorlog ontleend, zijn op de etrurische sarkophagen
zeer gewoon. Vooral werd mijne aandacht getrokken door een sarkophaag,
waarop het beleg der stad was afgebeeld; bijzonder trof mij hier het
karakter van realiteit dat de beeldhouwer aan den achtergrond van
zijn tafreel had weten te geven: de muren der stad met haar citadel,
een weg, die naar de hoofdpoort leidt, enz.... Die poort zelf, in
oud-tyrrheenschen stijl, met een menschenhoofd aan den sluitsteen, en
twee andere aan de uiteinden van den boog, had, met den muur, waarin
zij gevat was, iets zoo karakteristieks, dat men onwillekeurig den
indruk kreeg, hier eene kopie naar de natuur voor zich te hebben. Onze
custode vestigde bijzonder onze aandacht op dit bas-relief, gaf er
ons eene verklaring van, en vermaande ons, het niet te vergeten.

Nadat wij het Paleis verlaten hadden, voerde hij ons door eene kromme,
met zerken geplaveide straat, zoo steil, dat men gevaar loopt, uit
te glijden; zij voert naar eene kleine poort, begrensd door een muur,
uit kolossale steenen zonder cement opgetrokken. Wij gingen het gewelf
door, en volgden eenige oogenblikken een hellend pad, dat om de oude
vesting heenloopt. Daar verzocht onze gids ons om te keeren, en tot
onze onuitsprekelijke verbazing, zagen wij eensklaps de muren en de
poort van Iluwa, zoo als wij die straks op het etrurisch bas-relief
van het museum hadden aanschouwd. Dit is de Porta dell' Arco, een der
oudste monumenten van Etrurie, waarvan de oorsprong zich verliest in
den nacht der tijden. De bekwaamste archeologen hebben de kenmerken
van den oud-etrurischen stijl herkend aan deze poort, die misschien
sedert vijf-en-twintig eeuwen niet van bestemming is veranderd, en die
is afgebeeld op graftomben, die zelven opklimmen tot een tijd, waarvan
geen jaarboeken de heugenis bewaren. Uit rechthoekige steenblokken
opgetrokken, bestaat de boog uit negentien gehouwen steenen; de twee
benedenste en de sluitsteen prijken met menschenhoofden, in hoog
relief, die door den tijd eenigszins gesleten zijn.

Wij volgden een poos de oude muren, overal langs den rand van den
afgrond gebouwd, en die dikwijls zeer laag moeten afdalen om een
vast steunpunt te vinden: de stad schijnt als gedragen in een korf,
die op een hoog voetstuk rust. Deze omwalling is tegenwoordig voor
Volterra te ruim. Verschillende tijdvakken hebben hier hunne sporen
achtergelaten; maar men vergeet de restauraties van Augustus, en
zelfs de geduchte citadel, in 1343 door Gaulthier de Brienne gebouwd,
bij het gezicht der ontzagwekkende materialen die de Etruriers hebben
moeten bewerken en naar deze hoogte opvoeren, toen zij die geweldige
muren bouwden, die het werk van titans schijnen. Die gordel van
rotsen, symmetrisch door menschenhanden saamgevoegd, draagt op eene
oppervlakte van dertig el lengte en twaalf el hoogte, het bebouwde
terras van het oude klooster van Santa-Chiara. Langs den voet dezer
cyclopische wallen loopt een smal voetpad, dat door de wortels der
boomen wordt bijeengehouden, en dat u vergunt van nabij die zonder
cement, regelmatig op elkander gestapelde steenklompen te beschouwen:
sommige blokken zijn drie el hoog en zes el lang. De steen is een
groenachtig grijze, kalkachtige tufsteen, die zeer hard en dus zeer
zwaar is, en die fossiele overblijfselen bevat. De inwoners verzekeren
de vreemdelingen, dat die reuzenmuren gebouwd zijn met steenen, die
niet in het land zelf gevonden worden: dit is eene dwaling; maar een
feit is het, dat men die steenklompen zeshonderd ellen hoog heeft
moeten opvoeren, om ze te kunnen opeenstapelen.

Onze oude custode, die ons niet meer verliet en blijkbaar met zijn
rol als gids zeer was ingenomen, geleidde ons, langs den weg van
Pontederra, naar eene kapel, ter halver hoogte op een heuvel, aan den
voet der stad gebouwd. Aan den ingang van een klein klooster, bevindt
een door een kerk gesloten poort, die twee kapellen scheidt: de eene
toegewijd aan Sinte-Flora, de andere aan Sint-Hieronymus. Boven elk der
beide altaren prijkt een meesterstuk der gebroeders della Robbia: een
Laatste Oordeel van Andrea della Robbia, en een Sint-Franciscus, aan
een monnik en aan eene non zijne orde-regelen gevende, van Luca. Deze
kapel behoort aan de Inghirami en ligt aan den bovenrand eener helling,
waar zij sedert meer dan tweeduizend jaar hunne bezitting hebben,
die van vader op zoon is overgegaan; hunne etrurische graven zijn
hier onder den grond gevonden, dragende dien naam, die het romeinsche
rijk en de republieken der middeleeuwen heeft overleefd. Aan den
ingang van deze bezitting--eene villa met pachthoeven, die eene oasis
vormt te midden dezer wildernis van naakte bergen en ravijnen,--heeft
Luigi Inghirami een soort van kapel opgericht: in de nis prijkt eene
florentijnsche Madonna in bas-relief, die het Kind in de armen houdt;
boven de groep blazen engelen op de bazuinen. Dit beeldwerk, dat het
jaartal 1536 draagt, zou, naar men zegt, van Michel-Angelo zijn.

Doch het was niet zoozeer te doen om den ouden grafkelder der
Inghirami, in vier kamers verdeeld, die een latijnsch kruis vormen
en marmeren sarkophagen bevatten uit romeinschen tijd, als wel om
eene andere grafkamer, van zuiver etrurischen oorsprong, en die,
in 1861 eerst ontdekt, nog zeer weinig bekend is. Even als de
oostersche volken en de Egyptenaars, groeven de Tyrrheniers in
de rots familiegraven, die van buiten aan niets kenbaar waren, en
waarheen een verborgen onderaardsche gang voerde. Bij toeval werd,
toen men bezig was te graven voor de fondamenten van een muur, de
ingang ontdekt; de Inghirami hebben dien ingang doen herstellen en
met eene deur afgesloten. De tuinmansvrouw van de villa, eene stevige
contadina, kon niet dan met groote moeite den langen, zwaren grendel
verschuiven, en moest zich nog meer inspannen om het slot te openen,
dat sedert zeven maanden gesloten was. Een groote, rechtopstaande
steen verborg weleer een smallen gang, waardoor men langs in de rots
uitgehouwen trappen, naar den grafkelder afdaalde. Gij komt aan eene
ronde zaal, mede in den tufsteen uitgehouwen, en waarvan het gewelf
in het midden door een pilaar gedragen wordt. Rondom dien pilaar en in
het rond langs de wanden zijn amphitheatersgewijze twee rijen trappen
aangebracht, allen uit denzelfden steen gehouwen. Op die trappen
staan negen-en-veertig sarkophagen, van zestig tot vijf-en-tachtig
duim lang, waarin vroeger de asch der gestorvenen werd bewaard en
vele dier vrouwelijke sieraden, welke door de afstammelingen dezer
etrurische dames thans in de villa zijn bijeengebracht. Een aan het
gewelf bevestigde koperen stang diende om een lamp op te hangen,
die bewaard is gebleven.

De sarkophagen zijn bijna allen van albast, versierd met sterk
vooruitkomende bas-reliefs in griekschen stijl, en ontleend aan de
Ilias. De liggende figuren op de deksels staan in kunstwaarde beneden
de bas-reliefs. De gedrapeerde beelden dragen diademen, somwijlen een
wollen halsband en gordels: deze sieraden zijn dikwijls verguld. Op
een dezer monumenten vindt men wederom de Porta dell' Arco, zoo als
zij er nog heden uitziet.--Met een eigenaardige gewaarwording staart
ge, bij het licht der fakkels, deze sarkophagen aan, die sedert meer
dan twintig eeuwen in den schoot der aarde zijn verborgen. Welke
raadselen bevatten zij, tot welker oplossing ook de scherpzinnigste
kritiek nog geen enkelen draad gevonden heeft. Dat ge hier romeinsche
kleederdrachten, huisraad, gebruiken wedervindt, brengt u niet op
den weg, want de Romeinen hebben die voor het meerendeel aan de
Etruriers ontleend. Wij weten uit Silius Italicus, dat de twaalf
lictoren, de consuls met hunne bijlbundels, de vorm der curulische
gestoelten, de koperen trompetten en zelfs de purperen rand, die
de toga der magistraten omzoomde, van Vetulonia, nabij Volterra,
afkomstig waren. Datzelfde geldt van den kothurn, uit Lydie afkomstig,
en van de sieraden en tooisels der vrouwen. De Etruriers hebben aan
de Romeinen de kunst geleerd, om de jaarboeken hunner geschiedenis
te schrijven; in elke stad bezaten zij eene verzameling van hunne
kronieken, van hunne wetten, hunne godsdienstplechtigheden: en toch,
zonderling noodlot! dit volk, wier taal nog ten tijde van Claudius door
de advokaten te Rome gesproken werd, is bijna het eenige, van wiens
bestaan geen enkel geschreven document getuigt. Hoogstens kunnen wij,
in hunne geschriften, eenige namen ontcijferen, maar verder kunnen
wij niets te weten komen, noch van hen, noch van hun tijd.

Ware het niet zoo koud geweest, dan had ik met genoegen nog
eenigen tijd blijven ronddwalen door deze zonderlinge stad, zoo vol
geheimenissen. Welke vragen doen zich hier op, die zonder antwoord
blijven! Trouwens de eenmaal zelfstandige republiek verloor hare
onafhankelijkheid reeds in 1254, en hare autonomie in 1361, toen
zij zich geheel aan Florence overgaf, dat reeds honderd-zeventig
jaar te voren de stad ingenomen, en haar sedert niet met rust
gelaten had. Sommige kerken zijn meer gemoderniseerd geworden dan
de woningen der menschen; zij bevatten eenige schilderijen van
niet buitengewone waarde. De kathedraal is in dit opzicht rijker
voorzien. Haar voorgevel in peperijnsteen, uit de dertiende eeuw,
versierd met een fraaien, wit marmeren ingang, gaat door voor het
werk van Nicolaas van Pisa. Men vindt hier een aantal schilderijen,
waaronder zeer fraaie, van Dominichino, Marietto Albertinelli, Luca
Signorelli, Taddeo di Bartolo, Guido Reni, Filippo Lippi, Daniel van
Volterra, Benozzo Gozzoli en anderen. De preekstoel heeft bas-reliefs
uit de twaalfde eeuw, die veel overeenkomst hebben met de producten
der fransche kunst uit den tijd van Filips-August. De voorstelling van
het Avondmaal is zeer opmerkelijk: Jezus zit aan het eind der tafel,
met Johannes in zijn schoot, Judas ligt voor Christus neergeknield
en vraagt een stuk brood, achter hem kruipt een duivel. Op de tafel
staan drie visschen.

Dicht bij den dom staat het Battisterio, de doopkapel, een achthoekig
gebouw van de twaalfde eeuw; de marmeren doopvont werd in 1502 door
Andrea Contucci gebeeldhouwd; het Ciborium wordt aan Minoda Fiesole
toegeschreven. De Hemelvaart op het hoofdaltaar is, naar men zegt,
het werk van Pomerancio. Welke kunstschatten ook wederom hier, in de
ongenaakbare hoofdstad van dit arme en vergeten bisdom!

Ter linkerzijde van de kathedraal verrijst een vierkante, zeer
eenvoudige Campanile, met drie boogvensters boven elkander;
deze toren is een tegenhanger van den achthoekigen koepel van de
doopkapel, en maakt een vrij scherp contrast met den hoogen toren
van het Palazzo publico, waar schietgaten en kanteelen, op twee
verdiepingen aangebracht of liever voorgesteld, bewijzen dat de
bouwmeesters van 1826, die dezen ouden burchttoren herbouwden,
geen begrip hadden van de bestemming dezer werken, en zelfs in hun
namaaksel de waarschijnlijkheid niet wisten te bewaren.

Tusschen de doopkapel en het linker hoekhuis van het Domplein,
bevindt zich, boven eene steil afloopende steeg, eene ledige ruimte,
waar de piazza uitloopt op een terras, van eene leuning voorzien en
uitzicht gevende op de bergen. Het Paleis, het plein della Giustizia,
de doopkapel, de dom, geheel het middelpunt der stad schijnt als
een evenwicht te hangen boven een afgrond, waarlangs zich eene
nauwe straat voortkronkelt, slechts aan eene zijde bebouwd en
omzoomd door krotten en hutten, waarvoor wij met verbazing hoopen
sneeuw op de helling zagen liggen. Dit waren stukken albast, daar
neergeworpen door de beeldhouwers, die hier in hunne armoedige woningen
arbeiden. Zij maken medaillons, pendules, zonder het uurwerk, kistjes,
reliekbewaarders, beeldjes, presse-papier, lampen, schoorsteenvazen
en dergelijke voorwerpen. Deze werklieden beschouwen zich als groote
kunstenaars: ge bespeurt dat aan den trotschen blik, waarmede zij u
aanzien; wat de vaardigheid en bekwaamheid voor het werk aangaat,
hebben zij het inderdaad ver gebracht, maar het ontbreekt hun aan
smaak: zij bepalen zich nog altijd tot de dorre, harde, armoedige,
en volstrekt van alle kunstwaarde ontblootte ornamenten, die de
italiaansche salons ontsierden ten tijde van Pius VII en Leo XII. De
Amerikanen, die geen begrip van schoon of kunst hebben, zijn verzot
op deze monsterachtigheden.

In deze op- en neerklauterende straten, waarvan de rooilijn zich
schikken moest naar de golvingen van een smal bergplateau, ontmoet
ge bij elken stap paleizen, waar ge onder door gaat om in eene andere
straat uit te komen. Vele van deze paleizen dragen den naam der familie
Inghirami. Het paleis Viti, met ornamenten uit de zestiende eeuw,
is herschapen in een theater, aan Persius gewijd. Bij gebreke van
zijn huis, ziet ge, aan de casa Ducci, een opschrift in fraaie, al
te goed nagebootste, antieke kapitale letters, waarin de herinnering
wordt bewaard aan een der laatste afstammelingen van het geslacht
des dichters. De oude en edele familie der Ricciarelli bezit nog,
in de naar haar genoemde straat, drie kleine aan elkander grenzende
paleizen. Dat, waarin Daniello di Volterra geboren werd, draagt het
nommer 12: de deur is vernieuwd. Als de nakomelingen van den kunstenaar
zich in hunne woning bevinden, wordt gij in het huis toegelaten, waar
een fresko van den meester bewaard wordt. Aan den gevel der gebouwen,
ook van bijzondere woonhuizen, vindt ge zeer vele hartelijke en warme
lofredenen ter eere van de Groot-hertogen van Toskane uit het huis van
Oostenrijk-Lotharingen; ook ziet ge zeer dikwijls hunne borstbeelden
in nissen en op consoles. Dit getuigt wel, hoezeer deze Vorsten,
in deze afgelegen en weinig beweldadigde streek van Toskane, bij
het volk bemind waren; natuurlijk heeft deze liefde voor het oude
Vorstenhuis ook de inwoners van Volterra niet belet, hier en daar,
op de muren groote, roode W's te schilderen, die beteekenen moeten
Viva Vittore Emmanuele.... Wij weten van ouds, dat de volksgunst een
onbestendig ding is, en dat de menigte altijd geneigd is, de opgaande
zon te aanbidden.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65
Copyright (c) 2007. topknownbooks.com. All rights reserved.