A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z


Engaging the Hard-to-Reach 3 December 2008 Holiday Inn Bloomsbury, London Consultation Institute
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

Fans and booksellers eager for new J.K. Rowling book
Ad - Get Info for Book Publishing from 14 search engines in 1.

Top executives to leave Random House
Holiday Inn Bloomsbury, London Consultation Institute Public debate often fails to reach all opinions that need to be heard. A panel of experts and a roundtable of colleagues and peers will discuss ways improve your organisation's community involvement

De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 by Various



V >> Various >> De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65



De schoonheid der vrouwen van Volterra is opmerkelijk: danken
zij die zuivere, rustige, gedistingeerde gelaatstrekken aan haar
onverstoorbare werkeloosheid? Voor alle vensters, in alle wijken
en buurten, herkent ge aanstonds de typen, die de schilders van de
school van Sienna zoo gaarne op het doek brachten. Wat wachten zij,
daar werkeloos zittende, voor die ramen, uitziende op de straat, waar
zoo zelden iemand voorbijkomt? Zien zij uit naar den bruidegom, haar
in haar droomen verschenen? Helaas! er valt weinig meer te zien dan
enkele zwaluwen. Die dochters van Etrurie keuvelen met elkander, met de
buurmeisjes ter wederzijde en aan den overkant; komen er jonge lieden
voorbij, die kijken ter nauwernood naar haar; de vreemdelingen alleen
zien haar aan, waarover zij in lachen uitbarsten. In tegenstelling
van de schoone sekse, nemen de giovinetti, wier aantal niet groot is,
majestueuse airs aan; bij de minste aanleiding wikkelen zij zich in
zware groene of bruine mantels; ook weten zij standen aan te nemen, die
een mensch verbazen.... Ik heb mijzelven afgevraagd, wat hier met de
oude vrouwen gebeurt, want men ziet er geen! De grootmoeders en moeders
blijven waarschijnlijk in huis, en zorgen voor de huishouding, terwijl
de dochters, om de eer der familie op te houden, zich aanstellen als
aanzienlijke juffers, die rijk genoeg zijn om niets uit te voeren.

Terwijl wij deze levende galerij beschouwen, niet zonder eenigen
aanstoot te geven aan onzen ouden custode der etrurische sarkophagen,
zagen wij, aan het boveneinde der straat, een optocht naderen. Het
was een dubbele lijkstoet, twee lijken achter elkander; de kisten,
met een zwart en geel laken overdekt, werden gedragen door zwarte
boetelingen, wier gelaat verborgen was achter een met twee openingen
doorboorden kap, en die op het hoofd lage hoeden met breede randen
droegen. Haastig trok de sombere processie langs ons heen, een
treurigen en ontstemmenden indruk achterlatende.


Blanken en kleurlingen.

(Vervolg van bladz. 184).


XXV.

Onze gele broeder.--De mongoolsche landverhuizing.

In Amerika heeft de blanke bevolking niet alleen te rekenen met
de Indianen en de negers, maar ook met de landverhuizers uit het
Hemelsche rijk; nevens de negerkwestie staat de chineesche kwestie,
die misschien ruim zoo ernstig is.

Wij maakten voor het eerst kennis met onzen gelen broeder op de markt
te Baltimore, zeker de smerigste en rumoerigste plek in de Vereenigde
Staten, met uitzondering van de chineesche wijk te San-Francisco, en
die wordt door gezondheids-commissien niet gerekend tot de Vereenigde
Staten te behooren.--Onze broeder is in-duplo: misschien man en vrouw,
misschien ook tweelingen. Wie van beiden man of vrouw is, valt op het
eerste gezicht niet zoo gemakkelijk te zeggen. Beiden zijn even groot,
en dragen denzelfden ronden hoed en denzelfden blauwen kiel; beiden
hebben hetzelfde gladde gezicht, ronde kin, zwarte wenkbrauwen,
gevlochten haar, platten neus en kalmen blik. Te midden van het
geraas en het gewoel van die markt, waar vleesch en visch, vruchten en
groenten zijn uitgestald, gaat hij ongestoord en rustig zijn weg, niet
aanmatigend en brutaal als de Yankee, ook niet met schuwen weerzin als
de Indiaan, of angstig en beschroomd als de neger, maar volmaakt kalm
en oplettend. Hij opent den mond niet om eene enkele vraag te doen,
maar niets ontgaat aan zijn scherpen blik. Hij kauwt op zijn betelblad,
en kijkt naar kramen en uitstallingen, naar vleesch en groenten, naar
alles wat op de markt te zien is, zonder dat een glimlach om zijne
lippen plooit of zijn voorhoofd zich fronst; maar als hij heengaat,
kunt ge het hem aanzien dat hij zich bewust is, alles wat hij daar
heeft gadegeslagen, ook zelf te kunnen maken en doen.

Des avonds ontmoeten wij hem in een verkoophuis van gering gehalte;
daar slaat hij, met schijnbare onverschilligheid, maar met ingespannen
aandacht, de verrichtingen van den afslager gade: hij ziet hem zijne
vodden, zijn katoen, zijn papieren schoenen, zinken scheermessen,
glazen juweelen en geverfde pelterijen aan den man brengen. Hij zelf
doet nooit een bod; maar telkens als de afslager eenige van zijn
verdachte artikelen toewijst, doorgaans aan oude arme negerinnen,
speelt een glimlach van goedkeuring op zijn gelaat. Onze gele broeder
voltooit hier blijkbaar zijne opvoeding.

Wat later in den avond vinden wij hem bij het schietspel; niet zelf
zijne centen verschietende, zoo als de Yankees en de negers, maar
toekijkende en de schoten opteekenende. Voor zoo ver het mogelijk is
eenige andere uitdrukking op zijn onbewegelijk gelaat te bespeuren,
schijnt hij minder op zijn gemak in het schietspel dan op de markt
en in het verkoophuis. Het belletje gaat te dikwijls; het schieten
schijnt hem te hinderen. Na een poosje gekeken te hebben, brengt hij
zijn betelblad naar de andere zijde van zijn mond, spuwt zijn rood
speeksel uit en gaat naar buiten, zich even weinig bekommerende over
het gejoel en gelach van negers achter zijn rug, als een Arabier om
het blaften van zijn straathonden.

In Chicago, op het punt van naar Californie te vertrekken, maken wij
kennis met Paul Cornell, een van de voornaamste aandeelhouders in de
groote uurwerkfabriek van die stad. Van een anderen aandeelhouder,
die voor zijne zaken naar San-Francisco gaat, verneem ik, dat Ralston
het denkbeeld heeft opgevat om in San-Francisco eene groote fabriek
van horloges op te zetten, op eene schaal, waarvan men tot dusverre in
Geneve of Neuchatel nog geen begrip heeft. De grondslag van dit plan
van Ralston is het gebruik van gele in plaats van blanke werklieden.

"De Chineezen, zegt Cornell, leveren goed werk voor weinig geld;
zij zijn dienstvaardig, onderworpen en vlug van begrip; zij drinken
nooit en maken geene wanorde.

--Hebben zij eenige bekwaamheid in het maken van uurwerken en horloges?

--Neen, voor 't oogenblik niet: zij moeten het vak nog leeren; maar
zij zijn vlug en geduldig. Binnen zes of acht maanden zal de eerste
de beste chineesche werkman, dien ge van de straat opraapt, in staat
zijn een horloge te maken."

Te San-Francisco is eene maatschappij opgericht, waarvan Cornell
president, Ralston penningmeester en Cox secretaris is. Cornell
staat aan het hoofd van verschillende godsdienstige inrichtingen en
genootschappen. Ralston is een zoo volbloed patriot, dat hij geene
sofa in zijn salon, geene schilderij in zijne spreekkamer hebben wil,
die niet van inlandsch maaksel zijn. Cox is een van de voornaamste
straatpredikers, en wijdt zijn zondag aan evangelisatie-arbeid in de
achterbuurten van San-Francisco. Men huurde een deel van eene fabriek,
in de Vierde straat, niet ver van de chineesche wijk, en richtte dat
voor de nieuwe bestemming in. De instrumenten en machinerie werden
van Cincinnati en New-York ontboden. Alles gaat voorloopig naar wensch.

"Het klimaat van San-Francisco, zoo verzekert mij Cornell, is bij
uitstek geschikt voor het horlogemakersvak. Te Chicago hebben wij met
vele bezwaren te worstelen; het is er zomers te heet, en 's winters
te koud. De werklui verlangen warme kleeding, goede woning en duur
eten. De hitte en de koude zijn schadelijk voor onze instrumenten;
brandstof is er schaars en duur. In Californie hebben wij niets te
vreezen van overmatige hitte of koude. Wij kunnen het gansche jaar
door werken, en zoo het noodig is, kunnen wij onze machines dag en
nacht aan den gang houden."

Met godsvrucht op de plecht en vaderlandsliefde aan het roer, wat
kan de nieuwe maatschappij te duchten hebben?...

"De wetten van God!" antwoordt eene stem aan mijn oor, de stem van
een geneesheer, die vele jaren in San-Francisco heeft gewoond, en die
met groote aandacht en niet zonder bekommering de verhuizing onzer
gele broederen van Hongkong naar Californie heeft gadegeslagen.

"Deze onderneming stuit mij tegen de borst, zegt hij mij, bij een
vertrouwelijk gesprek in zijne kamer. "Ik ben een geboren Amerikaan,
en ik wensch dat Amerika alleen aan de Amerikanen zal behooren. Weinig
menschen zijn zoo van nabij bekend met onze Aziaten als ik; en
als man van wetenschap en vriend van zedelijkheid en orde, kan ik u
verzekeren, dat ik niet dan met leedwezen de bevolking der chineesche
wijk zou zien toenemen. Wat stelt die maatschappij van Cornell zich
nu voor? Zij zeggen, dat zij in San-Francisco eene nieuwe industrie
zullen vestigen. Maar wie zal daarvan profiteeren? Niet de Amerikanen,
maar de Aziaten. Zij zullen chineesche werklieden onderrichten,
hoe zij den arbeid van den blanke moeten doen, en zich van de markt
meester maken. Waarom? Omdat de Aziaat, die van rijst en thee leeft,
voor vijf-en-zeventig centen per dag wil werken; terwijl de Amerikaan,
die van ossevleesch en bier leeft, vijf dollars per dag vraagt. Als de
onderneming slaagt, zoo als Cornell denkt, zullen de horlogefabrieken
in Chicago stilstaan, en zullen tweehonderd bekwame werklieden
broodeloos zijn; Illinois zal een artistieke tak van industrie zien
te gronde gaan, en vijf- of zesduizend Mongolen zullen van Hongkong
oversteken, waarvan minstens een tiende gedeelte eene winstgevende
betrekking aan onze kusten vinden zal."

Als wij de bergen van Wyoming bestijgen, beginnen wij onzen gelen
broeder op onzen weg te ontmoeten; hier als een vlugge bediende, elders
als landbouwer of aardwerker; maar overal zwijgend, bescheiden, ijverig
en onvermoeid in den arbeid. Sam huivert terug voor den kouden bergwind
en de wintersneeuw. Hoog loon verlokt hem naar herwaarts te komen;
maar als de ijzige adem van den wind hem het bloed doet stollen,
dan geeft hij al spoedig aan de pompoenen en het suikerriet van
Zuid-Carolina de voorkeur boven de elanden en herten van Wyoming. Hi-Li
kan in elk klimaat en in elk land leven; in Bitter-Creek zoowel als in
San-Jose en Los-Angeles; naar het schijnt, is hitte en koude, droogte
en regen, goed en slecht voedsel, vriendelijke en ruwe bejegening,
hem altegader onverschillig, mits hij slechts geld kan verdienen en
besparen. Te Evanston, een station in het gebergte boven het Zoutmeer,
waar gewoonlijk het middagmaal gebruikt wordt, vinden wij eene schaar
chineesche bedienden, in korte witte kielen of jurken gekleed als
jonge meisjes, met ronde gladde gezichten als meisjes, en vlugge,
stille manieren als meisjes.

Aan gene zijde van het Zoutmeer neemt het getal dezer Aziaten
voortdurend toe. Overal vonden wij hen, in de valleien bij kaap Horn,
te Toano, te Indian-Creek, te Halleck, in hutten en hoeven. Wij
ontmoeten hen in Copper-Canon en aan de Palissaden; wij hooren van
hen in de White-Pine-Country, in Mountain District, te Tuscarona,
te Cornucopeia, te Eureka. Zij gaan overal heen, en doen alles wat
men wil. Te Elko komt een chinees naar mij toe, met een stuk papier
in zijne hand, waarop geschreven staat: "Li-Wang, Antilope-hoeve,
White-Pine-Country." Li-Wang kan geen woord engelsch spreken, toch
gaat hij geheel alleen naar de mijndistrikten van Nevada, om daar
een onbekenden meester te dienen, die hem misschien behandelen zal
als een hond. Chineezen kunnen nog leven, waar alle andere menschen,
zelfs de Uten en Shoshones, zouden sterven. Zij zijn tevreden, als
zij in verlaten mijnen mogen graven en uitgeputte velden nalezen;
zij achten zich voor hunne moeite beloond, zoo hun slechts een korrel
zilver, een enkele maishalm ten deel valt. Zij voeden zich met dood
wild, dat zelfs de Indianen niet willen aanraken. Als bedienden,
houthakkers, matrozen, mijnwerkers, bleekers, winnen zij het van alle
andere arbeiders, mannen of vrouwen, blanken of zwarten.

Te Sacramento was ik getuige van een tooneel, waaruit mij bleek, hoe
de blanke jeugd van Californie hun gele broeders en makkers beschouwt.

"Daar is John! roept een jongen tot zijn kameraad: willen wij hem
eens gooien?"

De twee knapen houden op met hun spel, om steentjes te werpen naar
een mongoolsch werkman, die zijne zware dagtaak verricht voor een
zeer matig loon. Niemand schijnt er iets verkeerds in te vinden,
dat die kinderen dus dezen onschuldigen man tot slachtoffer van hunne
kwaadwilligheid maken.

"Het is John maar!" roept de eene jongen, als ik zijn arm vastgrijp
en hem dwing de steenen te laten vallen. "Het is John maar! Ziet ge
niet dat het John is?"

De gewoonte om de Chineezen als het uitschot van het menschdom te
beschouwen, is dien kinderen als met de moedermelk ingegeven, juist
zoo als de knapen in Georgie en Virginie van der jeugd af leerden,
op een neger als hun mindere neer te zien. In den Goudstaat geboren,
hebben deze knapen, van dat hun besef ontwaakte, gezien dat hunne
gele buren als honden werden behandeld, geslagen, geduwd, beleedigd,
mishandeld door iederen blanke. Te huis zien zij hoe hunne chineesche
bedienden als slaven worden bejegend; in de kerk hooren zij hen voor
heidenen uitmaken. Nooit, zoo ver hun geheugen reikt, hebben zij een
chinees eene beleediging zien wreken of een slag terug geven. Waarom
zouden zij zich dus ontzien, zulk een zwak en weerloos wezen met
steenen te gooien?

De vader van den knaap schijnt geheel en al van dezelfde meening te
zijn. Verwijten en vermaningen zijn bij hem even onvermogend. John
is nu eenmaal een lastdier, een vagebond, een zwerver, die geen
enkel recht kan doen gelden. Waarschijnlijk is die Amerikaan zelfs
van meening, dat zijn jongen den chinees eene groote eer bewijst,
als hij hem een gat in het hoofd gooit.

Deze verschijning van aziatische landverhuizers in Amerika, is
zeker eene der zonderlingste, en waarschijnlijk eene der ernstigste
gebeurtenissen van onzen tijd: daarmede is aan de amerikaansche
staatslieden een vraagstuk gesteld van het uiterste gewicht, dat niet
gemakkelijk valt op te lossen.

Sedert onheugelijke eeuwen was het chineesche volk in zijn land
opgesloten, niet alleen geen omgang of gemeenschap zoekende met andere
volken, maar hunne deur sluitende voor iederen vreemdeling. Zich niet
om de buitenwereld bekommerende, wilde dit volk in zijne afzondering
volharden, zijn eigen leven levende, zijn eigen voortbrengselen
genietende, zijn eigen gewoonten en gebruiken betrachtende. Een muur,
het wonderbaarlijkste gewrocht van menschelijken arbeid, scheidde
hen van hunne naburen in het westen, terwijl zij in het oosten geen
andere buren hadden dan de golven en de winden. In elke chineesche
haven, in elke chineesche stad, verrees een slagboom: hetzij een
muur of een verbod, in ieder geval iets dat de vreemdelingen buiten
sloot. Nu en dan mocht een enkele pelgrim binnensluipen en bij zijne
terugkomst wonderen verhalen van het Bloemenland. Een enkele koopman
mocht, nu en dan, een ambtenaar omkoopen en ruilhandel drijven: maar,
als een geheel beschouwd, was de gansche uitgestrekte landstreek
tusschen den Hindoe-Kush en de Gele-zee ontoegankelijk voor vreemde
ondernemingszucht en onbekend bij de overige menschheid.

Een vreemdeling mocht niet in het land komen, een inboorling mocht
het niet verlaten. China was een land op zich zelf, zonder eenige
betrekking met het overige der wereld. Zelfs de inboorlingen waren
verdeeld in klassen en maatschappijen, die, in een sociaal belang,
niet minder scherp van elkander waren gescheiden dan de kasten in
Bengalen. Alles was in geheimenis gehuld. Een koopman kwam niet in
rechtstreeksche aanraking met zijn mandarijn, een mandarijn mocht
zich niet persoonlijk tot den Vorst wenden. Behalve de leden der
keizerlijke familie, mocht niemand den "Zoon des Hemels" naderen. In
zijn paleis opgesloten, volkomen onbekend met menschen en zaken,
omringd door slavinnen, bracht de beheerscher van een derde gedeelte
van het menschdom zijne dagen door met het drinken van thee, het rooken
van opium en het spelen met zijne slavinnen. In zijn ongerijmden,
dommen hoogmoed, beschouwde de tartaarsche monarch ieder, die buiten
de grenzen van zijn gebied geboren was, als een hond, onwaardig zich
te koesteren in het licht zijner hemelsche oogen.

Het engelsche geschut verbrijzelde de poorten van dit paradijs
van theedrinkers en opiumrookers. De inboorlingen stroomden naar
buiten door de bres, die onze kanonnen hadden gemaakt, en sinds
dien dag heeft deze menschenstroom niet opgehouden te vloeien, als
het overtollige water van een Alpenmeer. De stroom splitst zich in
beken, in watervallen, in rivieren: een der takken richt zich naar
Polynesie, een ander naar Australie, een derde naar de Gouden-Poort
van Californie. Wie zal ons zeggen, of en wanneer deze stroomen zullen
ophouden te vloeien?

Bij voorkeur trekken deze Mongolen naar Californie: vooreerst, omdat
de overtocht gemakkelijk en goedkoop is; ten andere, omdat het klimaat
hun bevalt; ten derde, omdat het loon hooger en de markt uitgestrekter
is dan ergens elders. Van Californie gaan zij over de zee naar Oregon,
en over land naar Nevada, Idaho en Montana. In Utah vinden zij weinig
gelegenheid om zaken te doen, want de Mormonen zijn niet minder matig
en arbeidzaam dan zij zelven. Toch hebben zij zich zelfs in de stad
van het Zoutmeer weten te vestigen. Zij komen in troepen, en met ieder
jaar worden deze troepen grooter. In den beginne verschenen zij bij
twee en drie te gelijk, toen bij tien en twintig, kort daarop bij
honderden en duizenden. Nu komen zij bij tienduizendtallen.

De intocht dezer aziatische horden in Amerika geschiedde zoo stil en
onopgemerkt, en hunne tegenwoordigheid in het land is van zoo veel
nut gebleken, dat de zeer ernstige zijde van het probleem, hoewel
niet verborgen voor de mannen van wetenschap, toch tot dusver aan de
aandacht der staatslieden is ontsnapt. Wel heeft nu en dan een enkele,
dieper ziende dan de anderen, zich de vraag gesteld, welken invloed
deze invasie van barbaren zal uitoefenen op de europeesche rassen
in Amerika? Maar hij deinsde terug voor het antwoord op die vraag,
zoodra het gele spook voor zijne verbeelding oprees.

Voor ieder, die eenigermate deze gewichtige kwestie heeft bestudeerd,
staan de volgende vijf punten vast, en omtrent de daaruit
voortvloeiende gevolgen is ook nauwelijks twijfel mogelijk.

Vooreerst. China is de naaste westelijke nabuur van Californie; uit de
havens van Canton, Ningpo en Shanghai kan men, met de minste kosten,
de Gouden-Poort bereiken. Een iersche landverhuizer in Cork moet op
eene uitgave van honderd dollars rekenen, eer hij te Hunter's Point
voet aan wal zet; een mongoolsche landverhuizer in Canton behoeft,
om het zelfde punt te bereiken, slechts vijf-en-veertig dollars uit
te geven, waarvan dan nog vijf door de Fook-Ting-Tong-Maatschappij
in kas worden gehouden, om na zijn overlijden, zijn gebeente naar
Hongkong terug te voeren. Een iersche landverhuizer moet de ruwste
en onstuimigste zee ter wereld trotseeren, en een hoog gebergte
overtrekken; terwijl een Mongool van Fokien of Kiang-soe van de eene
haven naar de andere vaart, over eene zee, zoo kalm en effen als
een binnenmeer, in een hemelstreek, waar eeuwige lente heerscht. Het
spreekt dus wel van zelf, dat wanneer Cork en Canton haar overvloedige
bevolking uitwerpen, de hongerige schare van Canton veel vroeger en
onder gunstiger omstandigheden te San-Francisco komt, dan die van Cork.

Ten tweede. China, Californie's naaste buur, is het armste en meest
bevolkte land der wereld. Fokien, Tshe-kiang en Kiang-soe gelijken
meer op bijenkorven en mierennesten dan op gewone menschelijke
maatschappijen. De dichtheid der bevolking is geheel buiten verhouding
tot de uitgestrektheid van het chineesche gebied, en zelfs tot de
vruchtbaarheid van den chineeschen grond. Wat de oppervlakte aangaat,
is China, zonder de schatplichtige landen, niet meer dan een rijk
van den tweeden rang: nauwelijks half zoo groot als Brazilie, Canada
of de Vereenigde-Staten. Maar in bevolking overtreft het alle andere
landen. De bevolking van Europa en Amerika te zamen staat in getal nog
beneden die van China. In Kiang-soe wonen tweemaal zooveel menschen
op eene vierkante mijl dan in Belgie, het dichtst bevolkte land van
Europa. De bodem is in vele provincien bij uitstek rijk en vruchtbaar:
maar hoe vruchtbaar ook, kan geen land zulke massaas onderhouden. Daar
moet gebrek heerschen op groote schaal. En zullen die noodlijdenden
niet gaarne van alle gelegenheden gebruik maken om een goed heenkomen
te zoeken?

Ten derde. De havens van China zijn niet in waarheid open, en het
volk is metterdaad niet vrij. Er bestaat alle grond om aan te nemen
dat de chineesche landverhuizing geene vrijwillige daad is, zoo als
bij voorbeeld de landverhuizing uit Ierland en Duitschland. Rijke
en tevreden menschen verlaten schier nooit hun vaderland; geleerden
en gezeten burgers doen dat maar zelden. In den regel zijn het de
armen en onvermogenden, zij, die in hun eigen land geene toekomst
hebben, die naar elders trekken om daar vooruit te komen. Maar als
de havens open zijn, en ieder vrij is te gaan of te blijven, bestaat
er althans de mogelijkheid dat ook meer gegoede en ontwikkelde mannen
zich naar elders begeven. Gemeene sujetten van allerlei aard zijn in
menigte naar San-Francisco gekomen; maar over het geheel genomen,
behoorden de landverhuizers uit Europa toch niet tot de klasse der
bepaalde misdadigers. Kan men hetzelfde zeggen van China? Welken
waarborg heeft de amerikaansche regeering, dat de landverhuizers van
Hongkong niet allen, of althans voor het grootste deel, oproerlingen,
bedelaars, lichtekooien, moordenaars en slaven zijn? Daar is reden
om het ergste te vreezen. Het is bekend dat al de vrouwen slavinnen
zijn, in haar eigen land openbare lichtekooien, door slavenhandelaars
in Canton gekocht en naar San-Francisco gezonden met het doel om daar
haar ontuchtig bedrijf voort te zetten. De mannen schijnen maar al te
dikwijls tot dezelfde kategorie te behooren. Het is eene nog altijd
onbeantwoorde vraag, of China niet misschien het schuim harer bevolking
naar Californie zendt, zoo als Engeland eertijds zijn grootste boeven
naar Botany-bay zond.

Ten vierde. Deze Mongolen komen in dichte drommen. Nu brengt de
amerikaansche theorie van openbaar recht mede, dat alle macht bij de
menige berust. "Alle menschen zijn vrij en gelijk". Luidt zoo niet
de sakramenteele fraze, waarin eene der kolossaalste domheden wordt
uitgesproken? Iedereen heeft hetzelfde recht, ieders stem is van gelijk
gewicht. De meerderheid beslist. "De stem des volks is de stem van
God." Van de beslissing eener meerderheid is geen beroep.... Welnu, wat
zal men met al deze luid klinkende onzinnigheden aanvangen tegenover
de chineesche emigratie? Zijn de europeesche kolonisten in Amerika
gezind en bereid, de aziatische als huns gelijke te beschouwen en
te behandelen? De theorie eischt het; en op welken grond zou men
ook aan de Chineezen mogen onthouden, wat zelfs aan de negers werd
toegekend? Maar hoe zal dan de overmacht van die immer aangroeiende
menigte bij de soevereine stembus worden gekeerd?

Ten vijfde. Deze Aziaten staan tegenover de europeesche kolonisten,
niet alleen door hun geloof en zedeleer, door hunne wetten, taal
en litteratuur, maar ook in de lagere kringen van het gewone
leven. Zoo zij in eenig distrikt de meerderheid hebben, zouden
zij het onderwijs en de opvoeding naar aziatische, in plaats van
naar amerikaansche beginselen kunnen inrichten. Een Mongool heeft
geen zin voor natuurwetenschap; hij koestert wantrouwen tegen een
stoomwerktuig, en vrees voor een spoorweg. Ridderlijkheid tegenover
het zwakke geslacht is hem geheel onbekend. Hij hecht geene waarde
aan het menschelijk leven, maar zeer veel aan uitwendigheden en
ceremonien. In hun eigen land aan slavernij, polygamie en kindermoord
gewend, zouden chineesche magistraten waarschijnlijk niet gezind zijn,
hun gelen broeders het koopen van slaven, het huwen van onderscheidene
vrouwen en het vermoorden van onwelkome kinderen te verbieden. En waar
de Chineezen in de meerderheid zijn, kunnen zij magistraten naar hun
goedvinden kiezen.

In Californie is thans de vraag gesteld: zal de europeesche beschaving
of de aziatische barbaarschheid aan de kusten van den Stillen-oceaan
de overhand behouden?


XXVI.

De zes maatschappijen.--Hop-Ki.

Wat men elkander te San-Francisco omtrent de Chineezen verhaalt,
klinkt vrij verward en zonderling. Volgens het algemeene gevoelen,
zouden de Chineezen in Amerika niet veel anders zijn dan een troep
lijfeigenen, naar lichaam en ziel behoorende aan de Zes Maatschappijen
en onderworpen aan eene soort van aziatisch veemgericht of groot-loge,
met een geheimzinnig gezag bekleed, waaraan niemand, wie hij ook zij,
zich kan onttrekken.

Daar de geloofwaardigheid van deze legende mij nog al twijfelachtig
voorkwam, trachtte ik nadere berichten in te winnen bij personen,
die geacht konden worden met de feiten bekend te zijn--ambtenaren bij
de policie en geestelijken; maar langen tijd was al mijn onderzoek
vergeefs. Eindelijk gelukte het mij, door bemiddeling van den consul
Booker, in aanraking te komen met de eenige personen, die volledig
met den waren stand van zaken bekend zijn--de in Californie gevestigde
Chineezen van rang. Onder dezen, wier getal niet groot is, komt eene
eerste plaats toe aan Li-Wong, een voornaam koopman van onbesproken
eerlijkheid. Beter dan anderen, schijnt hij de rechte man om op mijne
vragen te antwoorden. Bovendien heeft Li-Wong verplichting aan onzen
consul wegens zekere diensten, hem in zijn handelszaak bewezen. Hij
toont zich bereid, een deel van zijne schuld af te doen, door ons
alle inlichtingen te geven, die wij mochten verlangen. Wij noodigen
hem daarom uit tot eene samenkomst op het consulaat. Hij verschijnt
stipt op het bepaalde uur, en na vele plichtplegingen en complimenten,
laten wij hem in een stoel plaats nemen tegenover het portret van
Koningin Victoria, wier majesteit mitsdien in zijne aziatische oogen
kon stralen.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65
Copyright (c) 2007. topknownbooks.com. All rights reserved.