De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 by Various
V >>
Various >> De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32 |
33 |
34 |
35 |
36 |
37 |
38 |
39 |
40 |
41 |
42 |
43 |
44 |
45 |
46 |
47 |
48 |
49 |
50 |
51 | 52 |
53 |
54 |
55 |
56 |
57 |
58 |
59 |
60 |
61 |
62 |
63 |
64 |
65
"Wilt ge zoo beleefd zijn, om het een en ander te vertellen omtrent
de Zes Maatschappijen?
--Zes Maatschappijen? Gij verkeert daaromtrent in dwaling. Wij hebben
in werkelijkheid maar vijf maatschappijen, en geen zes. Wat gij de
zesde maatschappij noemt, is eene commissie van beheer en arbitrage,
een plaatselijk bestuur, in Amerika gevestigd, en belast met de
behartiging onzer belangen langs de kust van den oceaan. De Vijf
Maatschappijen hebben haar zetel in China, en ontleenen haar naam
aan de plaats waar haar leden wonen: Ning-Yung, Kwong-Tchaw, Hop-Wo,
Sam-Yep en Yung-Wo. Deze Vijf Maatschappijen verzamelen de emigranten,
brengen hen naar Canton en Hongkong, maken al de noodige schikkingen
voor hun overtocht, en bezorgen hen aan boord der stoombooten. De
zesde maatschappij, of liever commissie, zetelt in San-Francisco, waar
het haar taak is, de landverhuizers bij hunne aankomst te ontvangen,
en toe te zien dat hunne contracten en verplichtingen zorgvuldig
worden nagekomen.
--Wilt gij mij iets naders mededeelen omtrent die contracten en
verplichtingen?
--Volgaarne; maar dan moet gij u ook op ons standpunt plaatsen en
de zaken in het ware licht beschouwen. De Melikanen (Amerikanen)
noemen ons heidenen, maar wij hebben onze eigene godsdienst, en onze
godsdienst is niet, als die der Melikanen, alleen verbindend voor
degenen, die van haar gediend willen zijn en slechts zoolang zij dit
willen. Onze godsdienst geldt voor ons zoo lang wij leven en ook na
onzen dood. Alzoo, wanneer de Vijf Maatschappijen zich verbinden om
iemand naar Californie te brengen, is dit een punt: wanneer zij zich
verbinden om zijn stoffelijk overschot naar China terug te brengen,
is dat een tweede punt. Gij begrijpt mij? Het eerste punt is een
contract, het andere eene verplichting.
Geldt dezelfde soort van overeenkomst voor al uw passagiers?
--Niet voor allen. Wij hebben op onze lijsten twee klassen van
landverhuizers: ten eerste, zij, die op onze kosten overkomen,
alzoo onze schuldenaars zijn, en verplichting hebben tegenover ons;
en ten andere, zij die hun overtocht zelven te Hongkong betalen en
dus bij hunne komst in Francisco vrij zijn. Met de eersten alleen
hebben wij een contract; maar ook tegenover de anderen hebben wij onze
verplichtingen, daar wij gehouden zijn, hen, in geval van overlijden,
terug te voeren.
--Zeg mij, hoe die maatschappijen werken. Waar vinden zij de
landverhuizers?
--De Vijf Maatschappijen hebben hare reizende agenten, die alle
provincien bezoeken, zoowel langs de kust als in het binnenland;
zij spreken de arme lieden, die gebrek hebben aan rijst en thee, van
het overvloedige loon, dat zij in Californie, Oregon en Nevada met
hun handenarbeid verdienen kunnen. Natuurlijk hangen zij daarvan de
verleidelijkste schilderingen op. De Melikanen verstaan de kunst van
overdrijven; de Chineezen hebben het daarin nog verder gebracht dan
de Melikanen. Die agenten maken den lieden wijs, dat de heuvels louter
zilver zijn, en dat de rivieren goud in overvloed bevatten. Zij bieden
hunne hulp aan, en verstrekken paspoorten aan allen, die wenschen te
vertrekken. Zij maken gebruik van alle mogelijke vervoermiddelen,
te land en te water; en daar zij over voldoende middelen kunnen
beschikken, weten zij alles zoo goed in te richten, dat zij een
landverhuizer, per wagen en per schip, naar de kust brengen voor
minder geld dan hij op een voetreis zou moeten uitgeven. Voor vijf
dollars brengen zij hem van zijn dorp naar Hongkong. Is hij arm,
dan worden hem die vijf dollars voorgeschoten, en krijgt hij ook het
noodige voedsel, voor welk een en ander hij eene schuldbekentenis
afgeeft. In Hongkong aangekomen, zorgen zij voor zijn paspoort,
en bespreken zijne plaats op de boot. De vracht, vijf-en-veertig
dollars, wordt door hen betaald, benevens eene landings-premie van
vijf dollars, die door de stoomboot-maatschappij aan onze commissie
in San-Francisco wordt terugbetaald. Die vijf dollars worden in het
fonds der overledenen gestort.
--Zoo is dan, als algemeene regel, ieder landverhuizer, die van
Hongkong naar San-Francisco gaat, niet alleen een hulpbehoevende maar
bovendien een schuldenaar, op wien bepaalde verplichtingen rusten?
--Hm! Een Chinees is daaraan gewend; hij geeft daar niet om; hij kan
hard werken en veel geld opsparen. Dan wordt hij van zelf vrij.
--Hoeveel bedraagt, gemiddeld, zijne schuld bij zijne aankomst
in Amerika?
--Een gewoon passagier kan, alles bijeen genomen, bij zijne
maatschappij voor negentig of honderd dollars in schuld staan. Al
dat geld moet hij verdienen.
--Eer hij zijn eigen meester is en kan doen wat hij verkiest?
--Natuurlijk; eer hij doen kan wat hij verkiest moet hij beginnen
met zijne schuld af te betalen.
--Stellen de Vijf Maatschappijen in China zich met zijne persoonlijke
schuldbekentenis tevreden, in het vertrouwen dat zij van de zesde
maatschappij in San-Francisco haar uitschotten terug zullen krijgen?
--Zij nemen ook eene schuldbekentenis voor de geheele familie aan. In
China heeft iedereen wel iemand--vader, oom, broeder--die borg voor
hem spreken wil. Wij zijn niet als de Melikanen. De inrichting der
familie bij ons maakt het gemakkelijk zulke borgstellingen te krijgen,
want ieder lid eener familie heeft zijne aangewezene plaats in eene
heilige reeks, die van het eene stamhoofd tot den laatsten afstammeling
reikt. Is er grondeigendom, dan nemen wij daarop hypotheek, en de
familie betaalt de aflossing en de rente tegen vier-en-twintig of
zes-en-dertig ten honderd.
--Dat is eene aardige rente!
--Ja; het is handel, en als zoodanig moeten wij trachten er zooveel
mogelijk voordeel van te trekken. Als een landverhuizer geen vaste
goederen bezit, verlangen wij de persoonlijke borgstelling van zijn
vader en grootvader: want voor een Chinees is eene verbindtenis, uit
naam van zijn voorouders aangegaan, de heiligste die hij kent. Wordt
er enkel een persoonlijke borgtocht gesteld, dan vorderen wij hooger
rente; wij vragen dan tien dollars per maand, in plaats van twee. Toch
worden die overeenkomsten zelden verbroken. Natuurlijk loopen wij
eenige risico.
Onze man kan sterven; nog erger, hij kan ziek worden; of wat het ergste
is, hij kan eene misdaad begaan. Wordt hij in de gevangenis gezet,
dan kan hij niet werken. Ook kan het gebeuren dat zijn borg in gebreke
blijft. Maar in alle zaken moet men op dergelijke kwade kansen rekenen.
--Een man, met zulk eene schuld te zijnen laste, is metterdaad
een slaaf.
--In Canton, ja; in San-Francisco, niet. Wij gebruiken nooit zulke
uitdrukkingen; wij zijn zijne meesters en zijne bloedverwanten. Wij
ontvangen hem, bij zijne komst te San-Francisco, in onze twee groote
vereenigingen--de Wing-Yung en de Fook-Ting-Tong--die bij leven en
sterven zorg voor hem dragen.
--Wat zijn dat voor vereenigingen?
--Wing-Yung is ons bureau voor de levenden, dicht bij de gevangenis
van het graafschap. Bij de aankomst der schepen brengen wij onze
lieden naar Wing-Yung, waar zij huisvesting en voeding vinden, en waar
eene dienst voor hen gezocht wordt. Fook-Ting-Tong is ons bureau voor
de overledenen, op het kerkhof van Laurel-Hill, waar het stoffelijk
overschot van ons volk wordt bijgezet, tot het naar China kan worden
terug gezonden.
--Trachten uwe schuldenaars zich niet dikwijls door de vlucht aan
hunne verplichtingen te onttrekken?
--Dat kunnen zij niet doen. Zij hebben geen eten en geen geld;
zij spreken geen woord engelsch en kennen geen enkel melikaansch
magistraat. Bijna iedereen in San-Francisco beschouwt hen als slechte
menschen--straatloopers, booswichten en oproerlingen. In geen enkel
gezin wil men een Chinees als bediende aannemen, tenzij wij hem een
getuigschrift geven en borg blijven voor zijn goed gedrag. Zoo moeten
zij zich wel aan ons houden, of op straat van gebrek omkomen. Wij
verhuren hen en ontvangen hun loon, waarvan wij hun een zeker bedrag
per maand uitkeeren, zooveel zij noodig hebben om van te leven,
tot dat hun schuld is afgelost.
--Maar nu de personen van de andere kategorie, zij die zelven hun
overtocht betalen en voor eigen rekening naar herwaarts komen--hebben
zij bij hunne aankomst niets met u te maken?
--Niets te maken met de zesde Maatschappij?
--Ja; zijn zij dan van alle toezicht ontslagen, behalve natuurlijk
van dat der amerikaansche policie?
--Zij betalen aan de Maatschappij vijf dollars per hoofd, bij wijze
van landingspremie. Die premie moeten zij betalen, omdat zij zonder
onze vergunning niet aan land kunnen komen.
--Zoo heeft dus uwe maatschappij eene zekere mate van gezag over ieder,
die van Hongkong komt en in deze haven aan wal stapt?
--Wij zijn zedelijk verplicht, zijn gebeente naar China terug te
brengen: tot dekking van onze kosten, leggen wij hem de betaling
van vijf dollars op. Als wij geen getuigschrift voor hem afgeven,
wil de stoombootmaatschappij hem niet aan land laten gaan. Dit is
eene voorwaarde van het contract, door de Vijf Maatschappijen met
de stoomvaart-maatschappij gesloten. Zoodra een passagier zijn vijf
dollars betaald heeft, mag hij het schip verlaten;--maar die vergunning
wordt hem niet gegeven, zoolang hij niet bewijzen kan, deze premie
betaald te hebben, hetzij in goud, hetzij door eene schuldbekentenis.
--En daarna verliest gij hem evenmin uit het oog als uw
rechtstreekschen schuldenaar?
--Zeker, evenmin. Wij verliezen niemand uit het oog. Wie zou anders
zorg dragen voor zijn lijk?
--Gij hebt uwe eigene policie en uwe eigene magistraten, niet waar?
--Wij hebben overal onze spionnen en opzieners. In San-Francisco hebben
wij veel spionnen. Niemand ziet daarin iets berispelijks. Met behulp
van deze onze spionnen en opzieners weten wij wat er in ieder huis
omgaat. Wij kennen den naam van ieder der onzen; wij weten waar hij
is en wat hij doet. Het is onze plicht, zooveel mogelijk met alles
bekend te zijn. Immers, als iemand gestorven is, moeten wij zijn lijk
opsporen en naar het vaderland terugzenden. Zoo wij dit niet deden,
zou hij als een hond begraven en vergeten worden.
--Naar men verzekert, zou uwe maatschappij over zoo groote geheime
macht beschikken, dat gij de overtreders op elke plaats kunt
bereiken en te ieder stond kunt treffen, zelfs onder de oogen der
plaatselijke overheid. Men heeft mij, bij voorbeeld, verhaald van
twee uwer landslieden, die bij Reno, in de bergen van Nevada woonden;
een daarvan zou zich schuldig hebben gemaakt aan een of ander vergrijp
tegen de reglementen van de Zes Maatschappijen; zijn makker zou daarop
een wenk hebben ontvangen om hem te dooden, waarop de schuldige zoo
handig uit den weg werd geruimd, dat men de misdaad nooit op het
spoor is kunnen komen. Kan zoo iets waarlijk zijn gebeurd?
--Wie zal dat zeggen? Er zijn goede en er zijn slechte Chineezen. De
melikaansche wetten maken de slechten nog slechter. Zoo gij in Hongkong
iemand vermoordt, wordt gij onfeilbaar opgehangen, onverschillig
of gij rijk zijt of niet. Het geld doet niets af. Maar zoo gij in
San-Francisco een moord pleegt, laat men u, indien ge veel geld hebt,
vrij gaan. Dat is geen billijke wet. Hier zijn ook allerlei soorten
van geheime genootschappen geoorloofd. In China worden alleen ter
kwader naam bekend staande lieden leden van eene Vrijmetselaarsloge:
schavuiten en rebellen, die de dynastie willen omverwerpen en de
godsdienst vernietigen. Al zulke geheime genootschappen, die niets
dan kwaad stichten, worden door de mandarijnen streng onderdrukt. Hier
stichten de slechte, verdorven Chineezen eene loge. Wij verzoeken de
Melikanen, dat zij die loge zullen doen sluiten, en wij krijgen ten
antwoord, dat de melikaansche wet de oprichting van Vrijmetselaarsloges
vergunt. Dat is eene zeer verkeerde wet. Zoo moet dan de Zesde
Maatschappij zelve die genootschappen en loges vernietigen.
--Gij schijnt dus de taak van eene veiligheids-commissie op u te
hebben genomen? [24]
--Neen; wij bezitten geene geheime macht. Wij hebben alleen onze
schuldbekentenissen en hypotheken, en daarmede dus ook de macht,
welke ieder die geld leent bezit over zijn schuldenaar. Wat daarbuiten
ligt, is enkel zedelijke macht ... en de twee groote vereenigingen
Wing-Yung en Fook-Ting-Tong. Zelven Chineezen, kennen en begrijpen
wij onze broeders; wij hebben dezelfde godsdienstige plechtigheden
en hetzelfde besef van familieband en familieplicht als de armste
volgelingen van Tao en Boeddha. Het begrafenisfonds--ziedaar den
voornaamsten grondslag van ons gezag. Wie niet zou aarzelen een
moord te doen, zal zich toch tweemaal bedenken, eer hij in verzet
komt tegen eene rechtbank, die de macht heeft om het overbrengen van
zijn gebeente naar Hongkong voor onbepaalden tijd uit te stellen.
--Gebeurt dit dikwijls?
--Ja, voor maanden en soms voor jaren. Zonder een door ons afgegeven
bewijs, wil geene stoomboot een lijk aan boord nemen; sommige
gezagvoerders weigeren het volstrekt.
--Bezit gij zelf geen schepen?
--Nog niet. Wij drijven onzen handel met engelsche schepen; en
engelsche matrozen zijn afkeerig van het vervoer van lijken. Hunne
godsdienst brengt niet, als de onze, mede, dat iemand moet begraven
worden op de plaats, waar hij geboren is.
--Keeren dan al uwe landgenooten terug?
--Ja, alle brave lieden onder hen. Hier en daar vindt ge enkele
tartaarsche ellendelingen, die geen eerbied hebben voor hunne
voorvaderen, die hun staart afknippen en zich naar melikaansche wijze
kleeden. Dit zijn geen menschen, maar honden. Dezulken uitgezonderd,
keeren alle Chineezen terug--na hun dood.
--En toch neemt de landverhuizing toe?
--Ja, van jaar tot jaar. Het laatste jaar bedroeg het getal der
emigranten vijfduizend; dit jaar, dertienduizend; in het volgende
jaar, misschien vijf-en-twintigduizend. In Melika is land in overvloed
en weinig inwoners; in China is het juist andersom; daarom wil een
Chinees gaarne in Melika leven en na zijn dood naar China terugkeeren."
Als ge zulk een bescheiden, zachtmoedigen Mongool, met zijn
vriendelijk-kalme oogen, aanziet, en dan hoort, hoe over hem en zijn
gansche geslacht de bitterste vervloekingen, de grofste smaadredenen
worden uitgestort, dan kunt ge niet nalaten, medelijden met hem
te gevoelen.
Zie hem aan tafel, waar zijn helder gelaat, zijne slanke figuur
en vlugge bewegingen eene zoo scherpe tegenstelling vormen met de
vuil donkere kleur, de vormeloos plompe gestalte en de onbeholpen
traagheid van den neger-bediende. Sla hem gade in de keuken, in de
werkplaatsen der spoorwegen, in de zilvermijnen: altijd en overal is
hij bij de hand, met zijn geschoren gelaat, zijn gevlochten staart
en zijn beleefd onderdanigen glimlach, altijd vaardig om voor u te
doen wat hij kan, en dat zoo goed als hij kan.
Als ge meer dan verzadigd zijt van het staren op Biddy en haar
smerigen, smakeloozen opschik, dan is het eenn verkwikking uw oog te
laten rusten op Hop-Ki, die de tafel bedient in een eenvoudigen kiel,
zoo wit als versch gevallen sneeuw.
"Met zijn onnoozel gezicht, heeft die kerel toch twee messen onder zijn
kiel," fluistert mijn buurman, die een afkeer heeft van het gele ras,
maar er niettemin zelf een uitmuntenden chineeschen kok op nahoudt.
--Zoo op het oog is het toch een knappe jongen.
--Bah! een chineesche heiden; net zoo'n groote schavuit als de rest,
misschien nog erger, als de waarheid bekend was.
--Dus weet gij er niets van?
--Weten? Mijnheer, niemand kan hier iets van weten. De kerel heeft
geen naam, en niemand weet van waar hij komt. Hoe kan ik weten,
hoeveel moorden hij op zijn geweten heeft, hoe langen tijd hij in
de gevangenis gezeten heeft? Als ik hem ondervraag, vertelt hij mij
leugens. De kerel zegt dat hij nooit iemand heeft vermoord, en nooit
een dag in de gevangenis heeft doorgebracht, Zie eens, hoe hij daar
om den stoel van die dame sluipt. Geen twijfel, of hij heeft twee
messen onder zijn kiel verborgen.
--Och, kom; bewijs hem de gunst, dat nog niet voor uitgemaakt te
houden.
--Neen, ik wil dien kerel gene enkele gunst bewijzen. Hij werkt voor
mij, en ontvangt zijn loon: verder gaat onze betrekking niet. Geloof
mij, in zijn land was die kerel een dief, een muiter of een slaaf. Die
Chineezen zenden ons waarlijk niet de bloem van hunne bevolking. Zij
kunnen geen mandarijns missen."
Als men in de clubs en aan de open tafels te San-Francisco zulke
praatjes hoort, komt men van zelf op het vermoeden, dat een groot deel
van den haat, de vrees en het wantrouwen, waarmede Hop-Ki bejegend
wordt, niet zoozeer een gevolg is van zijn heidendom, maar van zijn
vrouwelijk voorkomen, zijne kalme, passieve manieren, en vooral van
den geringen prijs, dien hij voor zijn arbeid vraagt. Natuurlijk
kunnen enkelen ernstiger redenen hebben om hem te haten; maar de zoo
even genoemde motieven oefenen op de publieke opinie een zeer grooten
invloed uit.
"Hebt gij gaarne die aziatische bedienden in uw huis? vraag ik aan
mijn cynieken gastheer.
--In beginsel, neen;--in de praktijk, ja, antwoordt hij. Even
als met andere vrouwspersonen, kunt ge niets met hen aanvangen,
en het toch niet zonder hen stellen; en van twee kwaden moet
men het minste kiezen. Als koks en bedienden, zijn zij hun loon
waard; maar ge kunt ze niet lijden, want ge weet niet wie ze zijn,
en waarom zij Canton verlieten. In hun land, wees daar zeker van,
deugden zij niet veel. Voor ons blanken, zijn zij even fantastische
en onverantwoordelijke wezens als de kinderen van den mist. Maar als
gij een diner wilt geven, moet ge een chineeschen kok hebben.
--Waarom geene iersche Biddy of eene beiersche Gretchen?
--Neen, neen; spreek me niet van iersche Biddy's en beiersche
Gretchen's! Kijk eens naar dien schurk van een Ki. Ge merkt wel,
dat ik hem aanspreek als Ah-Ki en niet als Hop-Ki. "Ah" beteekent
zooveel als mijnheer, en de kerel staat ook op zijn eer. Iemand met
"Ah" aan te spreken, is een van zijn drieduizend beleefdheidsformules,
en die drieduizend formules beginnen te San-Francisco in gebruik te
komen. Ik noem dien bengel dus Ah-Ki, en heb niet noodig zijn loon
te verhoogen: zoo brengt mijne beleefdheid mij vijf dollars per maand
op. Bovendien kost Hop-Ki mij minder dan welke Biddy of Gretchen ook,
en is daarbij nauwgezetter in de vervulling van zijn plichten. Vraag
aan mijne vrouw, of zij ooit eene naaister, eene kamenier en waschvrouw
gehad hoeft, die met Ki kon wedijveren. In den beginne kunt ge u
niet van lachen onthouden, als ge zulk een heidenschen Chinees, met
zijn bleek maansgezicht, in uwe bad- en kleedkamer bezig ziet met het
ledigen der kuipen en het schoonmaken van kommen; maar als ge drie-
of viermaal aan zijn varkensstaart getrokken hebt, zonder dat het
ding loslaat, dan zijt ge aan hem gewend en ge vergeet zijne kunne.
--Vergeleken met Gretchen en Biddy, schijnt uw schurk van een Ki dan
toch eene soort van gunsteling te zijn.
--Wel, ja--eene soort van gunsteling; zoo als ge van een bunzing uw
gunsteling maken zoudt. Hij is des avonds altijd thuis, en verlangt
zondags geen uitgaansdag. Als hij een enkele maal naar de pagode wil
gaan, zal hij mij altijd verlof vragen, en nooit eene minuut over zijn
tijd tehuis komen. Ook brengt hij nooit broers of neven mede, die mijn
wildbraad opeten. Om den heiden recht te doen, hoewel hij twee messen
onder zijn kiel verbergt, moet ik zeggen dat hij sommige eigenschappen
bezit, die bij blanken zelden worden gevonden en nooit bij iersche
Biddy's en duitsche Gretchen's. Hij drinkt nooit, en is bijna nooit
nurks of driftig. Hij gebruikt nooit onbetamelijke worden, althans
geen woorden, die uwe vrouw of dochter kan verstaan. Ongetwijfeld
raast en tiert de kerel in zijn slaap, en vloekt hij in zijn eigen
taal; somwijlen betrap ik hem op zulke aanvallen van drift; maar die
heiden is zoo slim, dat zelfs in zijne hevigste aanvallen van woede,
iemand die hem niet kent, zou meenen dat hij een kind in slaap zong.
--Is het waar, dat, even als de andere Aziaten, ook de besten onder
deze Mongolen toch leugenaars en dieven zijn?
--Ja, zij liegen en stelen; maar niet erger dan de meesten van hun
stand. Alle dienstboden liegen en stelen. Biddy steelt erger, Gretchen
is brutaler dan Ki. Bovendien heeft Ki oogenblikken van berouw,
die bij Biddy en Gretchen nooit voorkomen. Als hij zich bijzonder
slecht gedragen heeft, dan komt hij tot mij, met tranen in de oogen,
en verzoekt mij, hem een goed pak slaag te geven.
--En doet gij dat?
--Wel zeker. Hij houdt van den stok, en ik ook. Het is voor ons
beiden goed, als Ki nu en dan een pak ransel krijgt. Ik voel mij
daarna altijd beter jegens hem gestemd."
Mijn gastheer is niet minder bekend wegens zijne zachtmoedigheid,
dan wegens zijn humor. Niemand in San-Francisco heeft zich meer moeite
gegeven dan hij, om te bewerken dat de Chineezen door de rechtbanken
en de policie naar billijkheid behandeld werden.
XXVII.
Chineesche arbeid.--Eene chineesche kolonie.
Van vrij wat ernstiger aard zijn de problemen, die in San-Francisco
aan de orde komen, ten gevolge van de groote gemakkelijkheid,
waarmede de Chineezen zich alle takken van handel en bedrijf eigen
maken. De verschijning der Mongolen in Amerika heeft, in vollen
omvang, den geduchten strijd om het bestaan doen ontbranden tusschen
de vleescheters en de rijsteters.
Uitsluitend van rijst levende, geen andere behoeften of weelde
kennende dan wat opium en eene handvol thee, kan John Chinaman
voor veel minder geld arbeiden dan iemand, die vleesch eet, die
's middags een stevig maal verlangt, en daarna op zijn gemak zijn
pijp wil rooken, zijn kan bier drinken, en op den koop toe een glas
whisky naar binnen slaan. Waar de laatste gebrek lijdt en van honger
vergaat, zal de eerste niet alleen het noodige hebben, maar zelfs
nog overhouden. De eerste Chineezen, die naar Californie overkwamen,
waren landbouwers, en hunne eerste concurrenten waren iersche matrozen
en zwijnenhoeders. John had deze mededingers spoedig verdrongen,
daar hij meer werk verrichtte voor minder geld, en zich bij zijn
meesters aangenaam maakte door zijn onverdroten ijver en zijn
bescheiden manieren. John bouwt de kapellen, de banken, de hotels
en de scholen. De onbekwame, onhandige, iersche boer kan thans in
San-Francisco niet meer terecht komen, en de verhuizing van iersche
werklieden naar deze kust heeft opgehouden. In een paar hotels is
Pat nog gebleven, om de tafel te bedienen; maar zelfs in die hotels
heeft hij de keuken en de wasch- en linnenkamer moeten ontruimen voor
Hop-Ki en Li-Sing.
"Zeg eens, Pat, vraag ik aan mijn bediende in het Grand-Hotel, hebt
ge wel eens ruzie met die Chineezen?
--Neen, kapitein; antwoordt Pat; denkt gij dat ik mij zelven zou
willen onteeren door te gaan vechten met zoo'n vuil schepsel met
een varkensstaart?
--Maar door hem dalen toch de loonen in de dokken en op de werven,
niet waar?
--Hij mag vergaan, de smeerpoes. Zoo lang hij zijn vuil gezicht niet
had laten zien in de Marktstraat, kon een Christenmensch gemakkelijk
zes dollars per dag verdienen. Nu kan hij er ter nauwernood twee
krijgen: dat is een verlies van vier dollars, enkel door de schuld
van die varkensstaarten! Sommige patroons zijn niets beter dan die
smeerlappen; zij zeggen dat zij een blanke niets meer dan het dubbel
willen geven van wat zoo'n gele aap krijgt. Goede hemel! Alsof een
Christenmensch van twee maatjes rijst kan leven, omdat zoo'n heidensche
Chinees gebrek wil lijden met een!
--Ge meent dus dat die daling in de loonen de schuld is van de
Chineezen?
--Van wie anders, kapitein? Wel, voor de komst van die beesten, kon
mijne vrouw met wasschen en strijken nog genoeg verdienen, om van
tijd tot tijd eens een slokje te kunnen nemen; maar nu stelen die
schurken het brood zoowel van de vrouwen als van de mannen. Als ik
niet bang was om mijn handen vuil te maken, dan zou ik ze graag hier
eens kopje onder dompelen in de baai,--juist hier, bij Hunter's Point.
--Ge zijt dus niet van de leer, dat men moet leven en laten leven,
niet waar, Pat?
--Laten leven! Maar, kapitein, hij is een heidensche Chinees, een
echte heidensche Chinees! Wat heeft zulk volk hier te maken? Is er
in China geene ruimte genoeg voor hem?
--Maar, Pat, benje dan zelf niet overgekomen van Cork's County?
--Dat is waar, kapitein; maar het land komt ons wettig toe. Wij hebben
het veroverd op de Indianen en Mexikanen. Laat de Chineezen eens
probeeren, het op ons te veroveren. Ha! of ik verlang naar den dag,
dat zij de wapens tegen ons zouden opvatten ... och! die heidensche
Chineezen!"
John weigert geen enkel soort van werk. Hij maakt uw eten klaar, en
werkt in uw steengroeven; hij wiegt uw kind en verzorgt uw koeien;
hij snoeit uw boomen en smelt uw erts. Als hij zijne keus volgen kan,
verricht hij het liefst huiselijken arbeid; maar hij is geschikt
voor alles, en als hij eens iets door anderen heeft zien doen, kan
hij het zelf vrij goed nadoen.
Ho-Ling kwam met den trein in San-Jose: de eerste Chinees, die ooit
in die voormalige vrijstad was gezien. Hij huurde een klein huisje en
hing een uithangbord boven de deur: "Ho-Ling wascht en strijkt voor
de lui." Waarschijnlijk was er veel ongewasschen goed in voorraad
te San-Jose: hoe het zij, Ho-Ling was weldra dag en nacht bezig. Hij
ontbood Chou-Ping; maar nu konden de twee bleeke-maansgezichten, in hun
klein vertrek scharrelende, ter nauwernood hun werk af. Ho-Ling begon
geld over te leggen. Toen hij drie maanden in San-Jose gewoond had,
liet hij een timmerman komen, en vroeg hem hoeveel hij hebben moest
voor het bouwen van tien houten barakken op een stuk grond achter
Main-street, terwijl Ho-Ling zelf de planken en palen zou leveren.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32 |
33 |
34 |
35 |
36 |
37 |
38 |
39 |
40 |
41 |
42 |
43 |
44 |
45 |
46 |
47 |
48 |
49 |
50 |
51 | 52 |
53 |
54 |
55 |
56 |
57 |
58 |
59 |
60 |
61 |
62 |
63 |
64 |
65