A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z


Engaging the Hard-to-Reach 3 December 2008 Holiday Inn Bloomsbury, London Consultation Institute
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

Fans and booksellers eager for new J.K. Rowling book
Ad - Get Info for Book Publishing from 14 search engines in 1.

Top executives to leave Random House
Holiday Inn Bloomsbury, London Consultation Institute Public debate often fails to reach all opinions that need to be heard. A panel of experts and a roundtable of colleagues and peers will discuss ways improve your organisation's community involvement

De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 by Various



V >> Various >> De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65



"Voor tien woningen, honderd dollars.

--Dat is veel, dat is veel! zeide Ho-Ling.

--Neen, hernam de timmerman, dat is heel goedkoop.

--Een huis--tien dollars;--tien,--honderd dollars? vroeg Ho-Ling.

--Ja, antwoordde de timmerman, zonder na te denken.

--Ga dan je gang maar."

Toen de timmerman met het werk begon, stapten zeven nieuwe Chineezen
uit den spoortrein, gingen naar de woning van Ho-Ling en begaven
zich daarop naar de achterbuurt, waar de nieuwe mongoolsche wijk zou
verrijzen. Zij zetten zich op den grond, begonnen, onder het kauwen
van hun betel, bamboes-stengels te vlechten, en zagen nauwkeurig toe
hoe de timmerman zijn palen insloeg en zijn planken spijkerde.

"Goed gebouwd--tien dollars, grijnsde Ho-Ling, zoodra de eerste barak
onder dak was.

--Ik zal ze allen in een oogwenk voor u klaar maken, zei de timmerman,
het geld in zijn zak stekende.

--Geen huizen meer noodig, hernam Ho-Ling; ik zal ze nu allen zelf
wel maken, allen."

De timmerman vloekte, maar er was niets aan te doen. Hoewel hij hier
met geheel andere materialen werken moet, dan in zijn eigen land,
heeft Ho-Ling niet alleen zijne barakken gebouwd, maar is bereids
de bouwindustrie zelve te San-Jose voor een groot deel in handen
der Chineezen overgegaan, die de blanke bouwmeesters allengs hebben
verdrongen.

Zoo gaat het eveneens in vele andere takken van bedrijf. Het
sigarenmaken is een van de belangrijkste industrien van San-Francisco,
waarbij duizenden personen werk en brood vinden. Deze tak van industrie
is geheel in chineesche handen overgegaan. Het schoenmaken, de wollen
manufacturen, en de handel in ingelegde vruchten en groenten, worden
ook reeds voor het meerendeel door Chineezen uitgeoefend en gedreven.

"Zoo ge een paar laarzen noodig hebt, zegt een mijner vrienden in
de Pacific Club, ga dan naar Yin-Yung in de Jacksonstraat: dat is de
beste schoenmaker in Californie.

--Ge wilt zeggen, de goedkoopste, zegt spottend een heer uit onzen
kring.

--De beste zoowel als de goedkoopste," hervat de eerste spreker.

Wij gaan naar de Jacksonstraat, en nemen een kijkje in den winkel
van Yin-Yung, waar wij, tot onze groote verwondering, zeer goed werk
vinden; de laarzen en schoenen schijnen zoo netjes en sterk, als
ge die ergens vinden kunt, en zijn toch veel minder in prijs. Tot
zeer onlangs had Yin-Yung nooit eene engelsche laars gezien. Een
mandarijn in China draagt muilen, een koopman gaat in klompen over
de straat. Maar Yin-Yung had gebrek aan rijst; en gelezen hebbende,
dat zekere Aaron Isaacs, schoenmaker, bekwame knechts noodig had,
meldde hij zich bij hem aan; en daar hij nagenoeg geen loon vroeg,
voorzag de Jood hem van het noodige en zette hem aan het werk. Ras
en geloof zijn voor een Jood geen belemmeringen, zoodra hij minder
loon voor den arbeid behoeft te geven. Hij weet wel, dat John zijn
handwerk zal leeren en straks als zijn concurrent zal optreden; maar
hij houdt zich overtuigd, dat hij, eer het zoover komt, zelf lang
zijn slag zal hebben geslagen. Dat sommige beroepen en handwerken,
tot groote schade van de blanken, in handen der gelen overgaan,
is natuurlijk den Jood onverschillig, die geen vaderland heeft,
en ieder land slechts als zijne prooi beschouwt. Hij heeft wel
gaarne een stillen, onderworpen Mongool tot bediende, dien hij,
als er gelegenheid toe is, kan slaan en bestelen, zonder dat hij
voor feitelijk verzet behoeft te vreezen. Daarom wemelt het in de
joodsche winkels en magazijnen van chineesche bedienden.--Yin-Yung
lokte nu ook zijn broeders naar den winkel van Isaacs; en ongeveer
een jaar lang maakte de Jood uitmuntende zaken met den verkoop van
engelsche laarzen en schoenen, zoodat hij de markt van dat artikel
beheerschte en ook de andere schoenmakers dwong, chineesche werklui
te gebruiken. Wel raakten daardoor honderden blanken broodeloos: maar
wat kon dit den Jood schelen? Hij verminderde telkens het loon. Een
voor een verlieten hem zijn blanke knechts. Isaacs nam nu nog meer
Chineezen in dienst. Yin-Yung was thans reeds zoo ver, dat hij de nieuw
aangekomenen in het handwerk kon onderrichten. Toen ging Yin-Yung
ook heen, en begon voor eigen rekening zaken te doen. Tegenwoordig
is Yin-Yung een man van gewicht, eigenaar van een grooten winkel, en
deelende in de algemeene achting. Zoo lang hij van Isaacs afhankelijk
was, verdroeg hij zwijgend de mishandelingen, de scheldwoorden en
bedriegerijen van den Jood; maar nu vereffent hij de schuld, door aan
Isaacs oude klanten voor minder geld goede schoenen te leveren. Isaacs
is woedend en raast en tiert; maar het is hem nog niet gelukt Yin-Yung
er onder te krijgen. Te vergeefs neemt hij telkens meer Chineezen in
dienst: hij moet hun het noodige onderricht geven, en zoodra zij op
de hoogte zijn, treden ook zij op als zijn concurrenten.

Deze voorbeelden waren met vele andere te vermeerderen: overal
hetzelfde verschijnsel, overal moet de blanke werkman, die zijn
gezin te onderhouden en zoo velerlei behoeften te bevredigen heeft,
onderdoen voor den Aziaat, die op zich zelven staat en met een handvol
rijst tevreden is.

Even als Paddy Blake en Juan Chico, schijnen ook Hop-Li en Hong-Chi
gezellige dieren te zijn, die zich gaarne te midden der menigte
bewegen en het liefst in dicht bevolkte buurten wonen. Even als
vele hunner iersche en mexikaansche broeders, schijnen ook zij een
bijzonder behagen te scheppen in nauwe stegen, en met welgevallen
den afschuwelijksten stank in te ademen. In plaats van hun kamp op
te slaan in de open lucht, zoo als zij gemakkelijk zouden kunnen
doen, kruipen zij onder den grond, in de kelderverdiepingen van
groote huizen, en verbergen zich in gewelven en holen, in putten
en goten. Zij scheppen een soort van mierennest, een echte Cour
des Miracles, in elke stad, waar zij hunne tenten opslaan. Bij het
Zoutmeer scholen zij zamen rondom de markt; in Virginia verzamelen
zij zich rondom de mijnen. Te San-Francisco hebben zij de oudste en
smerigste buurt ter woning uitgekozen. Als zij te New-York komen,
zullen zij zich aan Five-Points nederlaten; verschijnen zij te Londen,
dan zal de wijk van de Seven-Dials hun geliefkoosde buurt zijn. Is er
ergens in eene groote stad een vuil en onrein kwartier, dan weten de
zonen van het Hemelsche rijk dit als bij instinkt te vinden, stroomen
daar heen en maken zich van die buurt meester. Het schijnt inderdaad
eene natuurlijke aandrift. Te Rome zouden zij hun broeders de Joden
uit hun Ghetto, te Napels, de lazzaroni van de Marinella verdrijven;
even als zij reeds de iersche en mexikaansche proletariers uit hunne
oude verblijven in San-Francisco verdreven hebben. En toch bestaat er
in hun land eene zeer talrijke bevolking, die uitsluitend in schuiten
en jonken op het water leeft, zich met visch voedt, en maar zelden
in de steden komt. In de vijf provincien, telt men deze bevolking bij
ettelijke millioenen. Zouden er langs de kusten van den Stillen-oceaan
ook geen Water-Chineezen te vinden zijn?

Te Monterey verhaalt men mij van eene groep chineesche landverhuizers,
die van San-Francisco zijn gekomen, en zich als visschers hebben
gevestigd aan de hooge kust nabij Pinos-Point. Zij houden zich niet,
zoo als hunne andere stambroeders, op met het wasschen van hemden,
het koken van vleesch, het maken van wegen; zij graven en zij spitten
niet; zij zijn, naar men verzekert, vrije mannen, die aan de Vijf
Maatschappijen geen geld schuldig zijn, en dus ook geene verplichtingen
hebben. Hunne eigene keus kunnende volgen, toonen zij niet bijzonder
door het stadsleven te worden aangetrokken, en geven zij de voorkeur
aan eene woning op den heuvel, waarover de frissche zeewind heenstrijkt
en aan welks voet de Oceaan ruischt, boven een krot in eene vuile,
overvulde, stinkende buurt. Zij hebben vrouwen en kinderen bij
zich. Aan het strand levende, ver van de aanraking met de blanken,
buiten bereik van concurrentie en kapitaal, verdienen zij voor zich
en hun gezin een eerlijk stuk brood door den handel in gedroogde visch.

Zulk eene kolonie van Aziaten, die van de blanke kapitalisten noch
werk, noch gunst vragen, maar die met flinken moed, in het open veld,
den strijd des levens wagen als soldaten, voor eigen rekening en op
eigen risico, liever dan als parasieten en slaven, is inderdaad iets
opmerkelijks. Hier zijn dus lieden, die het zonder de blanken stellen
kunnen, geheel anders dan de mexikaansche arbeiders, die zij gaandeweg
uit Californie en Nevada verdringen.

Een weg loopt van Monterey langs Fray Junipero's Kruis en het kasteel
van Don Rivera, naar dit aziatische dorp: maar die weg is niets meer
dan een indiaansch voetpad, niet geschikt voor paarden en nog minder
voor rijtuigen; wij moeten ons dus getroosten te wandelen. Eene
voetreis van een paar mijlen, te rekenen van het oude mexikaansche
hoofd, brengt ons naar een hoop rotsblokken; en den hoek omslaande,
bevinden wij ons eensklaps in China, vlak bij eene verzameling van
houten blokhuizen en droogschuren, waar van alle kanten nijdige
honden ons tegenblaffen en alles doortrokken is van de onaangename
lucht van gedroogden visch en den rook van sandelhout.

De eerste kolonisten schijnen zich hier eenigermate in den blinde
te hebben gevestigd, naarmate een of ander plekje hun aanstond en
de boomstammen, waarmede de woning moest worden opgetrokken, dicht
bij de hand waren. De toegang tot dezen doolhof is niet moeilijk te
vinden. Ge gaat slechts op de lucht van het hout af, jaagt de honden
weg, en struikelt hier en daar over naakte kinderen. Maar uit dien
warboel wijs te worden, is iets anders: daartoe heeft men chineesch
geduld en chineesche vindingrijkheid noodig. Hier, tegenover u,
is een varkenshok, met den gebruikelijken vuilnishoop. Die teenen
kooi is een kippenren, geflankeerd door een poel, waarin eenden en
ganzen ploeteren. Welk eene ondenkbare vuiligheid! Een honderdtal
bouwvallige barakken en krotten,--huizen, winkels, schuren--vormen te
zamen deze vrije en onafhankelijke kolonie. Die barakken en krotten
zijn zoo slecht gebouwd, dat sommigen bij de minste windvlaag en bij
iedere harde regenbui omvallen. Een fiksche storm zou waarschijnlijk
de gansche kolonie vernielen en in de zee slingeren. Gelukkig voor de
bewoners, leven zij aan de kust van den Stillen-oceaan, waar stormen
bijna onbekend zijn.

In dezen uithoek van Amerika wonen vier- of vijfhonderd Aziaten, die
hun mager levensonderhoud vragen van de zee en het strand. Zij vangen
geheele troepen van spiering en rapen schelpdieren bij duizenden. De
walvischvangst is eene te moeilijke en zware taak, maar somwijlen
gelukt het hun, een gansche school van kabeljauwen te vangen. Hun
geliefkoosde kost is de inktvisch. In den zomer kunnen zij goed leven,
naar mij Ah-Tim, een der volkplanters, verzekert. Het bosch voorziet
hen van brandstof, en de zee laat hen nooit verlegen om visch. De
kleine akkers en tuintjes nabij het dorp leveren peper, groenten en
enkele vruchten op. Door een deel van den in den zomer gevangen visch
te drogen, voorzien zij zich van den noodigen wintervoorraad, als de
zee te hoog staat om uit visschen te gaan. Wat zij voor zichzelven
niet noodig hebben, verkoopen zij, en met het daarvoor ontvangen geld
koopen zij een weinig thee, sandelhout en opium. Al het overige geniet
een Chinees in den droom: een paar trekken aan zijn opiumpijp maken
hem tot den gelukkigsten man van de wereld.

Onder geleide van Ah-Tim bezoeken wij verschillende woningen. De
hutten gelijken allen op elkander: zij zijn klein maar van binnen
zindelijk, en gelijken meer op huisjes uit een speelgoeddoos dan op
menschelijke verblijven. In de meeste vindt ge roode aanplakbiljetten
tegen den wand: aankondigingen van loterijen, van voorstellingen in
de schouwburgen, en van godsdienstoefeningen in de groote pagode van
San-Francisco. Ieder Mongool in Amerika beschouwt San-Francisco als
zijne hoofdstad, en de groote pagode in die stad als zijn tempel. Als
zijne landslieden over het algemeen, is ook Tim op zijn manier een
zeer godsdienstig man. In het dorp bij Pinos-Point is geene pagode,
want de arme visschers kunnen zich de weelde van een priester niet
veroorloven; maar in elke hut op den heuvel vinden wij een beeld
van Boeddha op den schoorsteenmantel, even als in iedere baskische
woning een kruis, en in elke russische boerenstulp een beeld van de
Heilige-Maagd. Hoe arm hij ook moge zijn, heeft toch iedere Chinees
voor zijn afgodsbeeldje een potje kokende thee en eenige brandende
stukjes cederhout staan. "Het is beter voor den mensch, het zonder
rijst en opium te doen, zegt Ah-Tim, dan dat hij Boeddha zijn thee
en zijn cederhout niet zou geven."

In een der hutten vonden wij vijf of zes mannen aan tafel zitten:--de
maaltijd bestond uit kool, in traan gekookt, en eenige gebakken
mosselen; elke gast was gewapend met de bekende stokjes, die de plaats
innemen van lepel en vork. Eer zij gaan zitten, kijken zij even
naar den schoorsteenmantel, om zich te overtuigen dat de thee van
Boeddha goed warm is. Na afloop van den maaltijd, steken zij eenige
cederhoutjes aan en laten die verbranden; maar bij deze godsdienstige
handelingen treft u het volkomen gemis van vromen eerbied, ernst en
tederheid van gevoel; hier is niets van die innigheid, van dien diepen,
heiligen ootmoed, die een hooger uitdrukking leent aan het gelaat
van den russischen boer, als hij na het voleindigen van zijn maal
het teeken des kruises maakt en zich buigt voor het heilige beeld,
met den uitroep: "Slava Bogu!"

Ah-Tim brengt ons naar zijne woning, waar zijne vrouw thee zet, en
zijn twee kleine jongens in den modder rollen en ploeteren. Tim is
eene eigenaardige figuur: koud, prozaisch, aardschgezind, met die
versteende, onaandoenlijke hersenen, die amerikaansche dichters,
niet zonder reden, als een kenmerk van den heidenschen Chinees
hebben genoemd. Tim maakt in zoo verre eene uitzondering op de
groote meerderheid zijner landslieden, dat hij zich met politiek
afgeeft. Hij is geen geld schuldig aan de maatschappijen, en heeft
dus niets van haar spionnen en opzichters te duchten. Hij is in het
land zelf geboren, en heeft hoegenaamd geene begeerte om Canton te
zien. Hij wil zijn burgerrechten doen gelden; hij wil kiezer zijn,
en wenscht dat zijn buren ook kiezers zullen zijn. Tim was de eerste
Chinees, die in Californie geboren werd. Als geboren Amerikaan, is hij
dus bevoegd tot het bekleeden van alle ambten. Indien hij inderdaad
bezat, wat hem volgens de amerikaansche constitutie, met onbetwistbaar
recht, toekomt, dan zou hij zich tegenover generaal Grant kandidaat
kunnen stellen voor het presidentschap. Maar, volgens de overtuiging
van Ah-Tim, schenden de blanken in Californie de constitutie, door
te beweeren dat de rechtsregel: "ieder, die op amerikaanschen grond
is geboren, is amerikaansch burger", alleen voor de blanken geldt. En
het is niet gemakkelijk, te bewijzen dat Ah-Tim hierin ongelijk heeft,
al ligt het voor de hand, waarom de blanken dien regel alzoo toepassen.

"Maakt gij inderdaad aanspraak op uw burgerrecht?

--Ja, mijnheer. Ik ben geboren in Melika; ik ben gehuwd in Melika;
ik woon in Melika; mijn kinderen zijn geboren in Melika. Is dat
niet voldoende?"

Toen de amerikaansche constitutie werd opgesteld, gold de stelling
"dat alle menschen van geboorte vrij en gelijk zijn", alleen voor de
blanken. Een neger was volstrekt niet vrij. Een roodhuid werd volstrekt
niet als een gelijke beschouwd. Maar de loop der gebeurtenissen heeft
aan die afgetrokken stelling eene nooit vermoede, geduchte praktische
beteekenis gegeven. Een in Amerika geboren neger is in het bezit
van alle burgerlijke rechten. Waarom dan niet een Mongool? Is het
afrikaansche ras bij geval edeler dan het aziatische? Als Zete Fly
waardig wordt geacht in de voorrechten der emancipatie te deelen,
waarom dan niet Ah-Tim?


XXVIII.

De chineesche wijk.--Chineesche vrouwen.

Een zevende deel van de bevolking, een zeventigste deel van de
oppervlakte, van San-Francisco is aziatisch. De Oosterlingen hebben
minder behoefte aan ruimte dan de Europeanen. In vele steden kan
men dicht opeengepakte menschenmassaas vinden: Russen en Tartaren
te Nishni-Novgorod, Kopten en Armeniers in Jeruzalem, Arabieren en
Mooren in Kairo; maar noch in Rusland, noch in Syrie, noch in Egypte,
zal men zulk eene menschenmenigte vinden, als hier in de aziatische
wijk van San-Francisco opeengepakt is.

De uitdrukking aziatische wijk zou iemand in de meening kunnen brengen,
dat hier sprake was van een afzonderlijk deel der stad, door muren van
het overige gedeelte gescheiden, zooals, bij voorbeeld, de chineesche
stad in Moskou; maar de aziatische wijk te San-Francisco is eene aan
alle zijden toegankelijke buurt, eene open kolonie, gelijk May-Fair
in Londen. De Chineezen hebben zich in het hart zelf van San-Francisco
nedergezet.

Het theehuis van Lock-Sin, in de Jacksonstraat, mag als het middenpunt
van dit nieuwe aziatische rijk in Amerika worden beschouwd; want in
de Jacksonstraat, geschaard rondom Lock-Sin's veranda, vindt men de
chineesche banken en magazijnen, de chineesche kramen en markten, de
chineesche schouwburgen en speelhuizen; terwijl ter wederzijde van die
straat de blinde stegen en namelooze poorten en gangen liggen, waarin
de chineesche schurken en dieven huizen, met hun onvermijdelijken
nasleep van slavinnen.

Hier schitteren in den vollen glans van een aantal papieren lantaarns,
de twee groote theehuizen van Lock-Sin en Hing-Ki, waar ge thee
kunt gaan drinken en inmiddels kijken naar de vertooningen der
danseressen. Hier, rijkelijk versierd met roode en zwarte vlaggen, en
weergalmende van den klank van gongs en cymbalen, prijkt Yu-He-Un-Choy,
de koninklijke schouwburg, waar reeds drie weken lang een groot
historisch tooneelstuk, een kroniek van de Ming-dynastie, vertoond
wordt, dat waarschijnlijk nog negen weken duren zal. Tegenover ons,
bijna even bont rood en geel geverfd, bijna even vervuld van het geluid
van tam-tams en bekkens, verrijst Sing-Ping-Yuen, de nieuwe schouwburg,
waarin stukken van minder gehalte worden opgevoerd, die niet langer
dan dertig of veertig avonden duren. Hier in den omtrek vindt ge ook de
gemeene kroegen, kelders en speelholen, waar gele dieven en booswichten
zich met hunne afzichtelijke vrouwelijke kameraden, overgeven aan het
verboden genot van het hazardspel om geld. Nabij die kelders bevinden
zich de opiumkitten, waarheen de spelers zich in hunne koortsige
opwinding begeven, om het nog gevaarlijker en vreeselijker genot te
smaken van zich naar ziel en lichaam te verderven ter wille van den
damp van papaversap. Daar om den hoek staat ook de groote pagode, een
ruim vertrek, met gordijnen en draperien behangen, stralende van rood
en goud, waarin een afgodsbeeld troont: niet een mongoolsche afgod,
met een plat en glad geschoren gelaat, schuine oogen en opgetrokken
tartaarsche wenkbrauwen, maar een eerzame duitsche mijnheer, met een
rechten neus, een mooien knevel en een netjes geknipten baard. Voor
dien vreemden afgod staan, dag en nacht, trekpotten met thee te
pruttelen en cederstokjes te branden.

De chineesche wijk in San-Francisco breidt zich voortdurend naar
alle kanten uit. De Aziaten hebben reeds een goed doel van de
Dupontstraat en Kearnystraat in beslag genomen, en dringen door in
de Pynboomenstraat, in de Stockton- en Pacificstraten, zelfs tot in
Californiastraat. In al die straten behooren een zeker aantal huizen
aan Chineezen. Als de Mongolen eens een huis binnendringen, verjagen
zij de Europeanen, die niet bestand zijn tegen den rook en den stank,
tegen de vuiligheid en het geraas. Zoo kruipen zij al verder voort,
straat voor straat veroverende, en drijven overal de blanken voor
zich heen, die zich met schrik en toorn van hen afwenden, als van
eene bende melaatschen. Geen blanke wil onder hetzelfde dak slapen met
een Chinees; geene blanke vrouw zal gaarne door de Jacksonstraat gaan.

Laat ons eens een kijkje nemen in een dier woningen, en die Aziaten
in hun huiselijk leven en bedrijf gadeslaan. Niet ver van Lock-Sin's
theehuis staat een vrij groot gebouw, vroeger bekend onder den
naam van het Globe-hotel; een huis, vier verdiepingen hoog,
met zes ramen nevens elkander in den voorgevel, en ruimte genoeg
aanbiedende voor vijftig gasten. Met inbegrip van het onderhuis en
zolders, zijn er waarschijnlijk zestig kamers. Aan alle kanten door
chineesche mierennesten omringd, werd het Globe-hotel niet langer door
fatsoenlijke reizigers bezocht, en eindelijk verhuurd aan Li-Si-Tut,
een rijken Chinees, die op zijne beurt de kamers verhuurt aan zijne
landgenooten van tamelijken stand--winkeliers, hotelbedienden, klerken
en agenten. Li-Si-Tut draagt zorg, dat hij zijn kamers nooit verhuurt
aan iemand van slechte reputatie. Geen dief, geen voddenraper, geen
nachtlooper kan in zijn hotel een onderkomen vinden; geene geblankette
vrouw wordt hier binnen gelaten. Dobbelen en andere verboden spelen
worden niet toegelaten, evenmin als gekijf of vechtpartijen. Voor
zoo ver uitwendige voorschriften de orde kunnen verzekeren, heerscht
er orde in Li-Si-Tut's etablissement; en het Globe-hotel in de
Jacksonstraat mag als de koninklijke karavanserai en het zomerpaleis
van de chineesche kolonie in Amerika beschouwd worden.

Laat ons binnengaan. Een walgelijke stank dringt in uwe neusgaten,
zoodra ge den voet op den drempel zet. Stank komt u tegen uit
iedere kamer; het vuil ligt opgehoopt op ieder portaal; het stof van
jaren her bedekt de vensters met eene dikke korst. Vergeleken met
dit Globe-hotel onder het bestuur van Li-Si-Tut, is eene turksche
gevangenis een fatsoenlijk verblijf te noemen. Alles is overdekt
met eene vuile, stinkende vochtigheid, die in dikke, zwarte droppels
langs de muren sijpelt. En dan, wat gedrang en geloop van allerlei
lieden op de trappen en in de kamers! Overal wemelt het van menschen;
overal ontmoeten u de bleeke, spookachtige gezichten van wezens,
aan spel en opium verslaafd.

Elke kamer, oorspronkelijk ingericht voor het verblijf van een
logeergast, is hetzij door matten in zes of zeven kompartimenten
verdeeld, hetzij in het rond langs de wanden van kribben voorzien. Het
laatste is doorgaans het geval, want niemand gevoelt behoefte aan
afzondering, en eene kamer, die, bij verdeeling in kompartimenten,
maar ruimte voor zes of zeven personen zou aanbieden, kan licht een
dozijn slapers bergen, als er kribben gezet worden. Van boven tot
onder is elke kamer opgevuld met rook, zwart van de vuiligheid en
volgepakt met menschen. Niet minder dan vijftienhonderd personen
vinden dag en nacht logies in dit chineesche paradijs!

Overvulde en ongezonde kamers heb ik ook elders gezien, maar nooit en
nergens vond ik menschelijke wezens zoo opeengepakt als hier in dit
Globe-hotel. Volgens zijn zeggen, verhuurt Li-Si-Tut zijn huis aan
achthonderd huurders; waaruit zou volgen dat in elke van de zestig
kamers, met inbegrip van het onderhuis en de kelders, dertien personen
zouden wonen; maar zijne huurders, zoo beweert hij, bedriegen hem,
door de kribben weder te verhuren aan lieden, die daarvan maar
voor de helft van den dag gebruik maken. Bij onderzoek bleek mij,
dat dit verhaal van het onderverhuren en verdeelen der kamers de
zuivere waarheid is. Ki-Wok gebruikt zijne krib maar twaalf uren
van de vier-en-twintig, en verhuurt ze voor de andere twaalf aan
Li-Ho. In sommige kamers worden de kribben, in een etmaal, door drie
verschillende personen ingenomen.

En toch mogen zij, die in dit hotel hun intrek hebben, nog
gezegd worden in een ruim en luchtig paleis te wonen, als men zo
vergelijkt bij hen, die in den doolhof van straten en stegen, gangen
en poorten en sloppen wonen, welke rondom Bartlett-Alley gegroept
liggen. Hier vestigden zich sommigen van de eerste blanke kolonisten
in San-Francisco. De grond is er vochtig. De houten woningen werden
zoo haastig en zoo goedkoop mogelijk in elkaar getimmerd; en in
die door vocht en ouderdom half vergane, van onreinheid stinkende,
van ongedierte wemelende krotten huist thans de groote meerderheid
der Mongolen. In duistere holen en gaten, te slecht voor een hond,
ontwaart ge soms tien of twaalf uitgemergelde menschelijke wezens,
op planken uitgestrekt, met strakke blikken in het ijdel starende,
en hun best doende om zich zelven en hun ellende te vergeten in het
droomland van den opiumrooker.

Nog erger, indien hier van erger sprake kan zijn, is de dievenbuurt,
die zich ten deele ook binnen meer fatsoenlijke wijken uitstrekt. Het
is wenschelijk hier een gids en een goed geleide mede te nemen; want
ge moet deze buurt bij avond bezoeken, en de chineesche misdadigers
hebben hun eigenaardige manieren.

Het brandpunt van dit dievenkwartier is de onmiddellijke omgeving
van Bartlett-Alley; daar huist eene afschuwelijke bevolking op
onreine zolders, in walgelijk vuile kamers, in dompige vochtige
kelders. De grond is bedekt met vodden en afval, de lucht verpest door
de uitwasemingen van rottende stronken en schillen: overal slijk en
modder, opborrelende tusschen de half verteerde planken. Voddenwinkels
en bewaarplaatsen van gestolen goederen schuilen weg in den donker. En
overal, in al deze holen en krotten, te midden van al die onnoembare
onreinheid, wemelt het van Chineezen, wier bleeke, vervallen gezichten
er nog spookachtiger uitzien bij het flauwe schijnsel eener walmende
lamp.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65
Copyright (c) 2007. topknownbooks.com. All rights reserved.