De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 by Various
V >>
Various >> De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32 |
33 |
34 |
35 |
36 |
37 |
38 |
39 |
40 |
41 |
42 |
43 |
44 |
45 |
46 |
47 |
48 |
49 |
50 |
51 |
52 |
53 |
54 | 55 |
56 |
57 |
58 |
59 |
60 |
61 |
62 |
63 |
64 |
65
Dit euvel is de bron van zeer vele anderen, en tevens van den
allernoodlottigsten invloed niet alleen op het onderling verkeer
tusschen de beide geslachten, maar ook op het karakter en de positie
der vrouwen zelven. In dit opzicht staat Amerika achter bij elk ander
beschaafd land.
In 1871 bedroeg de bevolking van Groot-Brittannie, in ronde cijfers,
een-en-dertig millioen zeshonderd-zeventienduizend zielen. Daaronder
waren vijftien millioen-driehonderd-zestigduizend mannen, en
zestien-millioen tweehonderd-zeven-en-vijftigduizend vrouwen: overwicht
der vrouwelijke bevolking, achthonderd-zeven-en-negentigduizend.
In 1870 telden de Vereenigde-Staten ook, in ronde getallen, eene blanke
bevolking van drie-en-dertig millioen vijfhonderd-negentigduizend
zielen. Daarvan behoorden zeventien millioen negen-en-twintigduizend
tot het mannelijk, en zestien millioen vijfhonderd-zestigduizend
tot het vrouwelijk geslacht. Overwicht der mannelijke bevolking,
vierhonderd-negen-en-zestigduizend zielen.
Deze wanverhouding, reeds op zich zelve zoo bedenkelijk, wordt nog
erger door de zeer ongelijke verdeeling der vrouwelijke bevolking
in de verschillende deelen des lands. Terwijl de republiek over
het geheel arm aan vrouwen is, is bijna de helft der staten daarvan
rijk voorzien, sommige staten zelfs al te rijk. In zeventien staten
en in het district Columbia zijn er meer vrouwen dan mannen. In
enkele van die staten is het verschil onbeteekenend, maar in andere
daarentegen zeer aanzienlijk, grooter dan in eenig land van Europa. In
Engeland bedraagt het verschil tusschen mannen en vrouwen gemiddeld
acht-en-twintig per duizend--een gevolg van de sterke landverhuizing--;
in Pruisen niet meer dan dertien. In Massachusetts bedraagt dit
cijfer reeds vier-en-dertig, en in Noord-Carolina en Rhode-Island
is de verhouding nog ongunstiger. Daarentegen heeft in al de andere
staten en territorien de mannelijke bevolking de meerderheid. Ook hier
is het verschil soms onbeteekenend: in Vermont, Delaware en Kentucky
niet meer dan zeven per duizend. In Californie, Kansas en Minnesota is
het verschil zeer belangrijk; in Arizona, Wyoming, Idaho en Montana
is het buitensporig groot:--drie, en zelfs vier tegen een. Is het
noodig in beschouwingen te treden omtrent den maatschappelijken en
zedelijken toestand van landstreken, waar slechts eene blanke vrouw
wordt gevonden tegen vier blanke mannen?
In onmiddellijk verband hiermede staat een ander feit. Drie jaar
geleden maakte het bureau voor onderwijs eene statistiek openbaar,
waaruit ontegenzeggelijk bleek, dat het getal der geboorten in Amerika
van jaar tot jaar verminderde, en dat niet slechts in enkele staten,
maar in alle staten. De afneming is blijvend en algemeen: dezelfde in
Arkansas en Alabama, als in Massachusetts en Connecticut, in Michigan
en Indiana als in Pennsylvanie en New-York, Het getal der geboorten
is aanzienlijker onder de landverhuizers dan onder de ingeborenen;
en toch, ondanks deze omstandigheid, is het gemiddeld cijfer over het
geheele land lager dan in eenig land van Europa. Is het wel zoo vreemd,
dat sommige bekwame statistici en physiologen tot de, waarschijnlijk
wel wat voorbarige, slotsom zijn gekomen, dat het blanke ras op den
duur op amerikaanschen bodem niet leven kan?
Een ander euvel, waarmede de amerikaansche maatschappij te worstelen
heeft, en dat ontzaggelijke verwoestingen aanricht, is de verregaande
onmatigheid, de dronkenschap. Deze schier onbedwingbare trek naar
sterken drank is eene erfenis van de germaansche, engelsche en
duitsche, voorvaders van het tegenwoordige amerikaansche volk; hier
echter wordt die behoefte nog meer geprikkeld door den invloed van
een klimaat, dat zoowel in warmte als in koude telkens tot uitersten
overslaat. Evenals de Engelschen, hebben ook de Amerikanen allerlei
middelen aangegrepen om dit steeds heftiger voortwoekerend kwaad te
stuiten. Zij zijn daarin zelfs verder gegaan dan in Engeland. In
sommige staten werd de verkoop van bedwelmende dranken geheel
verboden; in andere werd die handel aan beperkingen onderworpen,
welhaast met een verbod gelijkstaande. In onderscheidene staten
is de drankverkooper verantwoordelijk gesteld voor de vergrijpen of
misdaden, door de beschonkenen begaan; en in vele andere is doorgaande
dronkenschap een grond voor echtscheiding. En toch--in Amerika zoowel
als in Engeland, is de uitkomst van dergelijke maatregelen voor 't
minst twijfelachtig. Over het geheel genomen, wordt er in Amerika
tegenwoordig meer sterke drank gebruikt dan ooit te voren. Zelfs
in die staten, die tot dusver geacht konden worden het minst aan
dit euvel te lijden, nemen de veroordeelingen wegens dronkenschap
voortdurend toe. In spijt van zijn uiterst strenge wetten, worden
er in Maine, in het vorige jaar (1875), meer personen ter zake van
dronkenschap veroordeeld, dan in eenig vroeger jaar sedert de invoering
der verbodsbepalingen. Massachusetts, na gedurende meer dan twintig
jaar de proef te hebben genomen met het verbod van drankverkoop,
hoeft onlangs die wet ingetrokken, en laat nu den verkoop van sterken
drank toe, behoudens vergunning der overheid. Wetten, reglementen
en politiemaatregelen zijn onmachtig gebleken om het kwaad te
keeren; maar evenmin is dit tot dusver gelukt aan de ijverige en
welmeenende pogingen van particulieren, afschaffingsgenootschappen,
vereenigingen, meetings, predikers, zendelingen. Zelfs de, in sommige
opzichten misschien bespottelijke, maar in ieder geval goed gemeende,
kruistocht door de vrouwen in Ohio, onder aanvoering van Moeder Carey,
tegen den drank ondernomen, heeft, voor zoover men oordeelen kan,
niet bijzonder veel vrucht gedragen. Het kwaad is zoo ingeworteld,
en zoo velerlei oorzaken werken, juist in onzen tijd, mede om het te
bevorderen, dat de vraag, hoe die verderfelijke en steeds grooter
verwoestingen aanrichtende kanker kan worden genezen of althans
beteugeld, inderdaad eene der ernstigste is, die de staatsman en
ieder vriend des volks zich ter beantwoording kan voorleggen.
Weinig minder ernstig is het gevaar, dat de republiek dreigt door
de schromelijke onwetendheid harer burgers. In Europa wordt zoo
dikwijls en met zoo grooten ophef over de amerikaansche scholen
en het amerikaansche onderwijs gesproken, dat vele mijner lezers
misschien zeer verwonderd zullen zijn, als ik hun zeg, vooreerst,
dat er geen amerikaansch stelsel van onderwijs bestaat; ten andere,
dat het schoolbezoek nergens in vollen ernst verplicht is, zoo
als in Zwitserland; en ten derde, dat het onderwijs noch algemeen,
noch voldoende is. De republiek als zoodanig bemoeit zich niet met de
opvoeding harer burgers: zij heeft slechts twee speciale inrichtingen
van onderwijs: de militaire akademie te West-Point in New-York, en de
marineschool te Annapolis in Maryland. De zorg voor het gewone, lager,
middelbaar en hooger onderwijs wordt door de republiek overgelaten
aan de bijzondere staten, en door de staten aan de verschillende
graafschappen (provincien), en over het algemeen door de graafschappen
weder aan de verschillende gemeenten (townships). Ligt er eene stad
binnen de grenzen eener gemeente, dan moeten de burgers dier stad
doorgaans zelven voor het onderwijs hunner kinderen zorgen. Daar is
dus niet alleen geen algemeen stelsel van onderwijs in Amerika, maar
men zou bijna kunnen zeggen, dat er zoo vele verschillende stelsels
als gemeenten zijn.
Slechts in vijf staten van de negen-en-dertig bestaat er eene
wet, die het bezoeken der school voorschrijft. Die vijf staten
zijn New-Hampshire, Massachusetts, Connecticut, Michigan en
New-York; maar zelfs in die staten wordt de wet nergens met kracht
gehandhaafd, en de uitkomsten der statistiek zijn dan ook alles
behalve gunstig. In New-Hampshire kunnen zevenduizend personen
niet lezen, en bijna tienduizend niet schrijven. In Connecticut
kunnen twintigduizend personen niet lezen, en dertigduizend niet
schrijven. In Michigan kunnen vier-en-dertigduizend personen niet
lezen, en drie-en-vijftigduizend niet schrijven. In New-York
zijn er honderd-drie-en-zestigduizend personen, die niet
lezen, en bijna tweehonderd-veertigduizend, die niet schrijven
kunnen. Volgens de statistiek, door het bureau van onderwijs te
Washington uitgegeven, waren er in 1870 in geheel Amerika ruim vier
millioen-vijfhonderd-duizend personen, die niet lezen, en meer dan
vijf millioen-zeshonderd-duizend, die niet schrijven konden!
En men meene niet, dat deze ongeletterde lieden geheel of voor het
meerendeel vreemde landverhuizers zijn: iersche arbeiders, duitsche
landbouwers, Chineezen, Afrikanen enz. Volstrekt niet. Vooreerst
kunnen de duitsche en chineesche landverhuizers, in den regel,
wel lezen en schrijven;--ik heb nog nimmer een Chinees ontmoet,
die niet kon lezen, en maar zeer weinigen, die niet konden
schrijven--natuurlijk in hun eigen taal. Maar volgens de statistiek
zijn van die vijf millioen zeshonderdduizend, die niet lezen en
schrijven kunnen, slechts zevenhonderd-vijftigduizend personen
niet in Amerika geboren. Natuurlijk worden bij deze opgaven de
negers medegerekend; maar de negers zijn nu ook amerikaansche
burgers, met politieke rechten. Hun aantal in deze statistiek
bedraagt twee millioen zevenhonderd-vijftigduizend. Dan komen
nog eenige getallen in aanmerking voor roodhuiden en Chineezen;
maar na aftrek van negers, roodhuiden en gelen, blijven er dan
toch nog twee millioen achthonderdduizend zuivere blanken over,
die noch lezen, noch schrijven kunnen, en daarvan zijn ruim twee
millioen echte geboren Amerikanen! Als men nu daarbij overweegt,
hoe bitter weinig de bloote kennis van lezen en schrijven voor de
intellectueele ontwikkeling bewijst, dan zal men den grooten roep
over het amerikaansche volksonderwijs zoo wat op zijne wezenlijke
waarde kunnen schatten.--Echter moet worden erkend, dat sedert deze
verbazingwekkende feiten aan het licht kwamen, van verschillende
zijden, met ernst en kracht, de hand aan het werk is geslagen, om in
dezen jammerlijken toestand--mede voor een groot deel het gevolg van
den burgeroorlog--verbetering te brengen. Daar zullen echter vele, vele
jaren moeten verloopen, en daar zal nog zeer, zeer veel gedaan moeten
worden, eer de model-republiek, ook wat het volksonderwijs aangaat,
zich op gelijke lijn kan stellen met de meeste staten in Europa.
Laat ons, ten slotte, met een enkelen blik, den huldigen toestand
overzien.
De natuurlijke hoofdvoorwaarden voor nationale ontwikkeling zijn
overal: grond en bevolking. Ook Amerika dankt aan den overvloed van
beiden in de eerste plaats zijn voorbeeldeloos snellen wasdom. Tot
nu toe heeft de stroom van immigranten niet stil gestaan, en voor
allen was er grond en woning in voorraad. Zal dit zoo blijven?
Sedert het einde van den onafhankelijkheidsoorlog heeft Europa meer dan
negen millioen menschen aan Amerika geleverd. Blijkens de volkstelling
van 1870 waren vijf-en-een-half millioen inwoners op vreemden grond
geboren; terwijl van bijna elf millioen hetzij de vader, hetzij de
moeder vreemdeling van geboorte was. Van de zeven Amerikanen was er
dus een van geboorte vreemdeling; en bijna een van de drie was althans
deels van vreemde afkomst. Geen ander land telt zoo vele vreemden in
zijn gebied.
Van de ongeveer tien millioen menschen, die uit verschillende
wereldstreken naar Amerika zijn verhuisd, zijn bijna zes millioen
van de Britsche eilanden en van Britsch Amerika afkomstig; en ruim
twee-en-een-half millioen van Duitschland, met inbegrip van Pruisen
en Oostenrijk, doch zonder Polen en Hongarije. Van de niet-europeesche
staten heeft China het grootste getal geleverd; dan volgen West-Indie
en Mexiko. Maar de bijdragen van landverhuizers uit Azie, Afrika,
Australie en Amerika (met uitzondering van Engelschen) beloopen nog
niet een per dozijn. De republiek is dus hoofdzakelijk bevolkt door
personen, uit Engeland en Duitschland afkomstig.
Zal nu deze toevloed van engelsche en duitsche kolonisten ook in het
vervolg, op dezelfde groote schaal, blijven voortduren? Niemand die
het gelooft. Daar zijn vele teekenen, meer of minder duidelijk en
openbaar, die recht geven tot de uitspraak, dat deze landverhuizing
haar toppunt reeds heeft bereikt en verder voortdurend af zal nemen.
Gedurende veertig jaren (1820-'60) klom het cijfer der emigranten
uit engelsche havens met ieder tiental jaren. In het eerste tiental
bedroeg dit cijfer honderd-twee-en-vijftig-duizend; in het tweede
tiental steeg het tot omstreeks zeshonderd-duizend; in het derde tot
een millioen-zevenhonderdduizend; in het vierde tot twee-en-een-half
millioen. Dan volgt een stilstand. Gedurende twee jaar daalde het
cijfer, niet alleen in evenredigheid tot de vroegere vermeerdering,
maar ook wat het werkelijk aantal personen betrof. Toen de oorlog
uitbrak, en zoo lang die duurde, werden een aantal Ieren, door
het vooruitzicht van hooge soldij en goed voedsel, verlokt om
naar Amerika te gaan. Maar zelfs toen werden de vroegere cijfers
van emigranten nooit meer bereikt. De bronnen, waaruit de stroom
ontsprong, begonnen op te drogen. Door de engelsche regeering werd
en wordt nog niets gedaan, om de verhuizing des volks naar Amerika
tegen te gaan: het recht om zijn eigen woonplaats te kiezen, wordt
als een onschendbaar recht des menschen beschouwd. Integendeel zijn,
zoowel door de regeering als door particulieren, allerlei maatregelen
genomen om de landverhuizing te bevorderen en gemakkelijk te maken. En
toch, ondanks dat alles, neemt de beweging af; ja, is er zelfs reeds
eene beweging in tegenovergestelde richting begonnen. Scharen van
landverhuizers keeren naar Europa terug, en nog grootere scharen zouden
dit doen, indien hunne middelen het hun veroorloofden. Van Portland
tot Nieuw-Orleans worden onze consuls onophoudelijk lastig gevallen
met aanvragen om vrijen overtocht, dien zij niet bezorgen kunnen. De
verhouding tusschen de aankomende en de terugkeerende landverhuizers
is niet na te gaan, want van de vertrekkenden wordt geen aanteekening
gehouden. Maar de persoonlijke ervaring leert mij, dat menschen van
allerlei beroep, zoowel stedelingen als landbouwers, hun best doen
om terug te keeren. Onze regeering doet niets om deze beweging in
de hand te werken: een landverhuizer als zoodanig kan op geenerlei
ondersteuning rekenen: niettemin spannen duizenden en tienduizenden al
hunne krachten in om naar Liverpool en Cork terug te keeren. Tien jaar
geleden, vondt ge in Munster of Essex geen enkelen boer of arbeider,
die in Amerika was geweest: Amerika was voor allen het beloofde land,
en niemand dacht er aan, daaruit terug te komen. Tegenwoordig is dat
anders. In bijna ieder dorp nabij Cork vindt ge boeren, die te Chicago
of Saint-Louis zijn geweest. In den omtrek van Ongar en Brentwood is
het geen zeldzaamheid arbeiders aan te treffen, die met u over Kansas
spreken kunnen. Zij hebben het beloofde land aanschouwd, en zijn toch
tot hunne oude woningen teruggekeerd.
Uit Duitschland schijnt voortaan geen rijker toevoer van landverhuizers
te wachten dan uit Groot-Brittannie; laat mij liever zeggen nog
minder, want prins Von Bismarck heeft zijne aandacht gewijd aan deze
beweging en tracht de oorzaken der voor het vaderland zoo schadelijke
landverhuizing weg te nemen.
Even als Engeland, leverde ook Duitschland in eene dekade het grootste
aantal landverhuizers, waarna de beweging afnam. In de eerste tien
jaren van hetzelfde tijdvak (1820-'60) vertrokken uit Duitschland,
met inbegrip van Pruisen en Oostenrijk, nog geen achtduizend zielen;
in het tweede tiental klom dit cijfer tot honderdvijftigduizend;
in het derde, tot vierhonderd-dertigduizend; en in het vierde tot
negenhonderd-vijftigduizend. Toen kwam ook hier de stilstand. Gedurende
de drie volgende jaren daalde het cijfer. Tijdens den burgeroorlog
wies ook weer tijdelijk de stroom der duitsche landverhuizing, maar
ook hier werden, ondanks de verlokkingen van hooge soldij en goed
voedsel, de cijfers van 1853 en 1854 nooit meer bereikt. De bronnen
schenen op te drogen. Sedert is in Duitschland eene geheele omkeering
tot stand gekomen. De pruisische regeering, thans de leidende macht in
Duitschland, is niet gezind de landverhuizing ongestoord haar gang te
laten gaan; reeds zijn er te velen vertrokken. Wel zal de regeering
de landverhuizing niet rechtstreeks verbieden, maar ongetwijfeld zal
zij die trachten te beperken en te voorkomen, door zooveel mogelijk de
oorzaken weg te nemen, die de lieden bewegen elders hun levensonderhoud
te gaan zoeken. Het laat zich dus niet aanzien, dat in het vervolg
vele millioenen Duitschers naar Amerika zullen verhuizen.
Dit voor zoo veel het volk betreft. En nu het land. Mogen wij de
opgaven en de verslagen van generaal Hazen gelooven, dan is de voorraad
van land evenmin onuitputtelijk als de toevoer van kolonisten. Vele
illusien daaromtrent zijn bij nauwkeuriger onderzoek geweken. Toen
Louisiana van Frankrijk werd aangekocht, achtte men dit grondgebied
schier grenzenloos; niemand wist hoe ver het zich naar het westen
uitstrekte, ter nauwernood waar de noordelijke grens te vinden
was. Toch is nu reeds iedere bunder van dat grondgebied bezet,
en voor zoover de arme en moerassige bodem toelaat, ook in cultuur
gebracht. Hetzelfde was het geval toen Illinois, Jowa, Nebraska,
Kansas ingelijfd werden. Die streken, meende men, boden overvloedig
ruimte aan voor een onnoemelijk getal menschen, elk minstens voor
dertig millioen, met eene boerderij voor ieder gezin. In deze vier
staten is ook al het land reeds ingenomen: althans al het land, dat de
moeite der inbezitneming loont. Het grootste gedeelte van Kansas en
Nebraska, en wijde, onafzienbare streken in Dakota en Colorado, zijn
voor nederzetting en kolonisatie geheel ongeschikt. Idaho, Montana,
Wijoming en Utah zijn bergplateaux, voor het grootste gedeelte hoog
en dor, over het geheel genomen slechts geschikt voor veeteelt op zeer
groote schaal, zoo als alleen voor kapitalisten mogelijk is. Langs den
oever van den Stillen-oceaan, van Washington tot Opper-Californie,
is geen "wild land" meer over, en nog maar een klein deel werkelijk
bruikbaar domaniaal land. Volgens Hazen geldt ditzelfde ook van Texas,
Nieuw-Mexiko en Arizona. In de nabijheid van den Mississippi is de
grond vochtig genoeg: maar naarmate men den Stillen-oceaan nadert,
wordt de bodem hooger en dorder. Water en hout worden zeldzaam;
de winter is hier zeer streng. Hier en daar vindt men wel eene
vruchtbare vallei en enkele liefelijke oasen in de woestijn, zoo
als Sint-George aan de Rio Virgen, maar over het geheel genomen is
het land uitgedroogd, naakt en dor. In Utah en Colorado is de natuur
minder ongunstig: maar de oppervlakte van het voor bebouwing geschikte
terrein is ook daar zeer gering; verder noordwaarts is de grond arm,
de hoeveelheid regen van weinig beteekenis, de plantengroei schraal
en de koude zeer streng.
De slotsom van generaal Hazen is, dat er binnen de grenzen der
republiek nog maar zeer weinig land over is van zoodanige kwaliteit,
dat degelijke kolonisten daardoor tot verhuizing zouden worden
uitgelokt.
Zijn deze opgaven juist--en zeer bevoegde personen verzekeren mij dat
ze juist zijn--dan is het einde van den buitengewonen, exceptioneelen
toestand, waarin Amerika tot dusver verkeerd heeft, nabij. Voor het
vervolg zal de republiek dan op eigen krachten moeten steunen en
zich zelve helpen, en kan zij voortaan van Europa geene andere of
meerdere hulp verwachten dan bij voorbeeld Engeland van Duitschland,
of Italie van Frankrijk verwacht.
Met haar schier voorbeeldeloos verleden mag Amerika voorzeker op eene
schoone toekomst hopen. Maar er zijn dreigende teekenen, die niet
over het hoofd mogen worden gezien. De strijd is nog niet volstreden;
het groote werk nog niet voltooid. Zal het blanke ras in Amerika
zijne meerderheid tegenover vreemde elementen handhaven, dan zullen
alle blanken zich aaneen moeten sluiten en, met terzijdestelling van
dwaze theorieen en zelfzuchtige berekeningen, den werkelijken toestand
ernstig onder de oogen zien en zich doordringen van het besef hunner
onderlinge solidariteit. Zal de republiek inderdaad met vrucht arbeiden
aan het groote werk der algemeene ontwikkeling en beschaving, dan moet
zij, in stede van voortdurend te roemen op de verkregen resultaten,
in de eerste plaats haar aandacht schenken aan de gevaarlijke wormen,
knagende aan de wortelen van dien wonderboom. Dan moeten binnenlandsche
twisten en partijschappen worden ter zijde gesteld; dan moet bovenal
de grenzenlooze zelfzucht, het allesoverheerschende materialisme,
de weergalooze corruptie, met alle kracht worden bestreden, en met
ernst en toewijding de hand geslagen aan de groote taak, ook voor dit
volk weggelegd, en die alleen door eendrachtige samenwerking van alle
werkelijk beschavende en veredelende krachten kan worden vervuld.
Schipbreuk van de Cospatrick.
De Cospatrick, een schip van veertig ton, bemand met veertig man,
gezagvoerder kapitein Elmslie, zou vierhonderd landverhuizers,
voornamelijk werklieden en boerenarbeiders met hunne gezinnen, van
Engeland naar Nieuw-Zeeland overbrengen. Den 12den September 1874
vertrok het schip uit de haven van Deal. Aanvankelijk was de reis in
alle opzichten voorspoedig, tot in den nacht van den 17den November,
toen een geweldige brand uitbarstte, die weldra zoozeer in hevigheid
toenam, dat er, ondanks de ijverige pogingen en krachtsinspanning
der bemanning, geen hoop op redding meer overbleef. Het schip bevond
zich toen op zeven-en-dertig graden zuiderbreedte, en twaalf graden
oosterlengte, op ongeveer tweehonderd mijlen van kaap de Goede-Hoop.
Naarmate de Cospatrick meer en meer door het vuur overweldigd werd,
vertoonde zich op het dek een schouwspel, waarvan de verschrikkingen
alle beschrijving te boven gaan. Door radeloozen angst en wilde
vertwijfeling gedreven, drongen en joegen de passagiers, mannen,
vrouwen en kinderen, in toomelooze wanorde, onder luid gegil en
hartverscheurend geschreeuw, naar de booten. Om aan het vuur te
ontkomen, sprongen zij in zee, en verdwenen in de golven, zonder
dat het mogelijk was, hun hulp te verleenen. Slechts aan twee booten
gelukte het, de open zee te bereiken. Al de andere sloepen waren of
verbrand, of gezonken onder het wicht der overtalrijke passagiers,
die daar een toevlucht hadden gezocht.
Twee dagen duurde de bange doodstrijd van het schip: eerst op den
19den November ging het te gronde. De kapitein Elmslie, zijne vrouw,
hun jonge zoon en de scheepsdokter Cadle, bleven tot op het laatste
oogenblik aan boord, op het brandende dek. Toen het vuur eindelijk
hunne laatste wijkplaats had bereikt, sprongen zij over boord,
en verdronken onder de oogen der passagiers, die zich in de booten
hadden geborgen, en die zich nog niet hadden verwijderd, maar toch
niet bij machte waren, de ongelukkigen te redden.
De beide booten bleven gedurende den 20sten en 21sten November bij
elkander; toen werden zij door eene hevige windvlaag gescheiden. Van
de eene boot, waarin zich de eerste officier, zes matrozen en
vijf-en-twintig passagiers bevonden, heeft men nooit meer iets
vernomen. De andere sloep, waarover de tweede officier, de luitenant
Macdonald, het bevel voerde, en waarin zich vijf-en-twintig personen
bevonden, had noch masten, noch zeilen. Met behulp van de japon van een
der vrouwelijke passagiers, werd een soort van zeil vervaardigd. Maar
het ontbrak aan water en aan levensmiddelen; en den 22sten begonnen
honger en dorst zich ernstig te doen gevoelen. Een matroos, die
het roer hield, viel in zee en verdronk. Den 25sten was het getal
der schipbreukelingen tot acht geslonken, waarvan drie hun verstand
hadden verloren. Deze overblijvenden hadden hun leven gerekt door
het bloed der lijken te drinken.
Den 26sten voor zonsopgang, voer een schip dicht langs de
sloep. De schipbreukelingen riepen en maakten teekenen, maar werden
waarschijnlijk niet opgemerkt: althans er volgde geen antwoord. Den
27sten stak de wind op en begon het te regenen: maar de ongelukkigen
konden slechts enkele droppels opvangen. Op nieuw bezweken drie mannen;
van de vijf die overbleven, waren er twee krankzinnig. Allen waren in
bijna gevoellooze verdooving verzonken. Eindelijk, in den morgen van
den tienden dag, werd luitenant Macdonald uit zijn bewusteloosheid
gewekt, omdat een zijner metgezellen, in een aanval van waanzin, hem
in den voet beet. Op het eigen oogenblik ontdekte hij een groot schip,
dat de sloep naderde. Het was de British-Sceptre, die van Calcutta
naar Dundee ging. De schipbreukelingen werden aan boord opgenomen en
met de grootste zorgvuldigheid verpleegd. Maar de twee ongelukkigen,
die krankzinnig waren geworden, stierven in waanzin; de drie anderen
werden den 8sten December te Sint-Helena aan wal gezet en met de
paketboot Nyanza naar Engeland teruggevoerd.
Reis door Australie.
I.
Een reisverhaal door Australie heeft voor den nederlandschen lezer
iets aantrekkelijks en belangwekkends. De naam toch, dien zich
de onsterfelijke Genuees Columbus ten opzichte van Amerika heeft
verworven, komt, wat Australie aanbelangt, aan onze landgenooten toe:
van den eersten bodem die de Eilandenzee kliefde, woei de nederlandsche
vlag.--En al moge op dit oogenblik diezelfde driekleur slechts nog
wapperen op een gedeelte van het eiland Nieuw-Guinea, en overigens
nog slechts enkele namen van kusten op Nieuw-Holland en eilanden
hier en daar in Polynesie aan Hollanders herinneren, toch roepen die
namen ons dat heldentijdvak onzer historie voor den geest, toen onze
landgenooten zich baan braken langs vroeger onbekende wegen en van
den hollandschen naam deden gewagen, zoowel in de Poolstreken als
onder de Evenachtslijn.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32 |
33 |
34 |
35 |
36 |
37 |
38 |
39 |
40 |
41 |
42 |
43 |
44 |
45 |
46 |
47 |
48 |
49 |
50 |
51 |
52 |
53 |
54 | 55 |
56 |
57 |
58 |
59 |
60 |
61 |
62 |
63 |
64 |
65