A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z


'Da Vinci Code' publisher one of two execs leaving Random House
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

Fans and booksellers eager for new magic from Potter author J.K. Rowling
Ad - Get Info for Book Publishing from 14 search engines in 1.

Rubin, Irwyn Applebaum Out in RH Reorg
NEW YORK - The man who helped give the world 'The Da Vinci Code' and a leading publisher of Danielle Steel and other brand-name authors are leaving Random House. The departing executives are Stephen Rubin, who as head of the Doubleday Publishing Group

De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 by Various



V >> Various >> De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65



Dit woord meenden wij te moeten laten voorafgaan, alvorens mededeeling
te doen van een ontdekkingstocht door West-Australie, door twee rijke
bewoners van het zuidelijk deel van dat werelddeel, de heeren Elder
en Hughes, in het jaar 1872 georganiseerd. De leiding van den tocht
was opgedragen aan een oud officier van het britsch-indische leger,
den kolonel Egerton Warburton. Een verhaal van die reis heeft in
Engeland het licht gezien, en wij zullen trachten in de volgende
bladzijden van dit verhaal een kort overzicht te geven.

De expeditie bestond uit zeven reizigers: kolonel Warburton, geboren
in 1813; zijn zoon Richard, geboren in 1840; den heer I.M. Lewis; twee
kameeldrijvers uit Afghanistan, Sahleh en Halleem; een kok, die tevens
kameeldrijver was, Dennis White, en Charley, een jonge Australier.

Een der bijzonderheden van dezen ontdekkingstocht was het gebruik
van kameelen.

Eerst in 1866 zijn deze dieren in vrij grooten getale in Australie
inheemsch gemaakt door den heer Elder zelven, die hen met afghaansche
kameeldrijvers uit Indie had doen overkomen. De uitstekende diensten,
die zij aan kolonel Warburton bewezen hebben, zullen er voorzeker het
hunne toe bijbrengen, om deze poging van acclimatatie aan te moedigen.

De karavaan telde zeventien kameelen: vier om op te rijden, twaalf om
de bagages en het voor zes maanden aangeschafte proviand te dragen;
een diende als reserve.

Den 15den April 1873 verlieten de reizigers de Alice-bronnen (Alice
Springs), een station in het midden van Nieuw-Holland gelegen. Dit was
het eigenlijke uitgangspunt der expeditie, die zich ten doel stelde de
westkust van Australie te bereiken, door het hart van het land heen,
eene streek die het nog geen reiziger gelukt was door te trekken.

Reeds in de eerste dagen leed de karavaan gebrek aan water, waarmede
zij telkens te kampen zou hebben. Door nasporingen in verschillende
richtingen te doen, gelukte het den reizigers bronnen of kleine
beken te ontdekken, die hun gelegenheid gaven hunnen watervoorraad
te ververschen, hetgeen vooral voor de kameelen onontbeerlijk was.

Terwijl men in noordwestelijke richting voorttrok, vertoonde zich
weldra de spinifex, de plant die zoo herhaaldelijk vermeld wordt door
alle reizigers in centraal Australie. Het is een met stekels voorzien
kruid, dat in dichte bossen groeit, van achttien duim tot vijf voet
diameter. Als de loten jong zijn, zijn zij groen; maar naar gelang
zij ouder worden, nemen zij een tint aan die aan stroo herinnert,
en in plaats van het landschap leven bij te zetten, geven zij er een
nog treuriger en doodscher voorkomen aan. Zelfs de kameelen willen
er niet van eten, en terwijl zij zich met moeite een weg banen door
het dicht bewassen doolhof, passen zij er toch op niet op de planten
te trappen. De hoogte der scherpe stekels wisselt zoodanig af, dat de
kleine punten de paarden of kameelen even boven den hiel treffen, en
de lange dorens in de knieschijf doordringen. Deze stekelige spinifex,
ook triodia genoemd, is eene der grootste plagen, die men bedenken
kan, en het behoeft geene vermelding, dat waar deze plant groeit de
streek ongeschikt is voor veeteelt.

Toen de maand Juni was aangebroken, hadden de reizigers op verre na
niet den weg afgelegd, dien zij zich hadden voorgesteld. De strijd
met de woestenij nam nu een meer dramatisch karakter aan; wij zullen
verder het woord laten aan kolonel Warburton, en een en ander uit
zijn dagboek mededeelen.


II.

Den 12den Juni liet ik halt houden om de kameelen wat rust te
gunnen. Den volgenden morgen ging ik met twee metgezellen op verkenning
uit naar een heuvelrij, maar het uitzicht dat zich van alle zijden,
behalve van die waarvan wij gekomen waren, voor ons opdeed, was niet
geschikt om ons op te vroolijken. Wij zagen niets dan een vlakke,
zandige streek, hier en daar met eenige groepen van casuarinas bedekt,
en verder overal met de noodlottige spinifex. Er moest ergens in de
buurt water zijn, maar het gelukte ons niet te ontdekken waar.

Op de volgende dagen begon zich de spinifex in nog grooter hoeveelheid
te vertoonen; zij bedekte het land zoover men zien kon. Het was
noodeloos in die richting onzen tocht verder voort te zetten, en
wij keerden terug. Op dien terugweg bemerkten wij eene inboorlinge,
met een kleinen jongen en een pasgeboren kind. Mijne makkers wilden
haar achtervolgen: maar de kameelen lieten zich niet zoo gemakkelijk
mennen, en in dien tusschentijd was de vrouw ons te vlug af; zij nam
de vlucht, terwijl zij alles wegwierp, uitgezonderd het kleine kind,
dat zij in hare armen had. Zoo gelukte het haar, te ontkomen. Charley
kreeg echter den kleinen jongen in zijn macht, die niet de minste vrees
toonde; hij keek ons en onze kameelen aan, als ware hij volkomen aan
dat gezicht gewend. Wij plaatsten hem voor Charley op zijn kameel, en
gaven hem door gebaren te verstaan, dat hij ons een plek zou aanwijzen,
waar wij ons water zouden kunnen verschaffen. Deze nieuwe manier van
reizen scheen den kleinen schalk niet bang te maken: in zijne taal en
door zijne gebaren wees hij ons in westelijke richting. Wij gingen
in die richting voort: maar nu ontdekte de scherpe blik van Charley
eenige kleine vogels die van den grond opvlogen; hij liep naar de plek,
en vond inderdaad twee natuurlijke putten vol water.

Deze natuurlijke putten, van welke zoo dikwijls het leven der reizigers
in Australie afhangt, en die het alleen mogelijk maken dit land te
doorreizen, zijn niets meer dan zeer kleine holten of kuilen in het
zand, waar het water, als niet aan den invloed der zon blootgesteld,
ook niet zoo sterk verdampt. De diepte is gewoonlijk vijf voet,
somtijds echter ook meer. Zelfs over dag zou men dicht langs deze
zoogenaamde putten kunnen trekken, zonder ze op te merken; des nachts
is het volslagen onmogelijk ze te ontdekken.

Den 26sten rukten wij voort naar het westen; aan den gezichteinder
in het noordwesten werden lage heuvels zichtbaar; het terrein begon
langzamerhand eene zacht golvende gedaante aan te nemen.

Ik beklom een heuveltop, om het omliggende land te overzien: een
weinig bemoedigende aanblik. Op dien top vonden wij dunne steenplaten,
breed vijftien duim en lang zes duim, die aan de hoeken afgerond waren
en bedekt met krabbels, waaraan wij geene beteekenis konden hechten;
en een kogel, evenzeer van steen, zoo groot als een sinaasappel. Wat
deze voorwerpen moesten beduiden, en met welk doel zij daar waren
neergelegd, konden wij niet begrijpen.

6 Juli.--Sahleh schijnt stervende; zijne beenen en armen weigeren
hem reeds de dienst; bijna kan hij zich niet meer bewegen, en het
spreken gaat met groote moeite; zijn eenig voedsel bestaat nog
uit rijstewater. De krachten begeven hem geheel; om hem verder te
vervoeren, zou men hem op een kameel dienen te plaatsen, hetgeen hem
waarschijnlijk het leven zou kosten;--derhalve zie ik mij verplicht
mijn tocht te staken.

7 Juli.--Ik zend twee onzer makkers, Lewis en Dennis, op verkenning
uit, met drie kameelen, een goeden voorraad water, en proviand voor
tien dagen. Het doel van hun verkenningstocht is, in alle richtingen,
behalve in de oostelijke, nasporingen te doen naar water, want
denzelfden weg teruggaan willen wij niet.

9 en 10 Juli.--Sahleh is veel beter. Wij hebben op den heidegrond
eene kleine gele bes ontdekt, die wij hem hebben laten nuttigen,
nadat wij ons overtuigd hadden dat de plant niet giftig was.

19 Juli.--Lewis en Dennis zijn van hun verkenningstocht nog niet
teruggekeerd, en ik maak mij ongerust over hun wegblijven. Zes
inlanders zijn in ons kampement gekomen, maar wij hebben ons niet
aan elkander verstaanbaar kunnen maken. Schoon wij deze gauwdieven
met de meest mogelijke zorg bewaakt hebben, hebben zij ons toch
ongemerkt een bijl ontstolen, hetgeen een einde heeft gemaakt aan
hunne bezoeken. Het waren menschen van een schoonen lichaamsbouw,
en het ellendige leven dat zij leiden in aanmerking genomen, zagen
zij er tamelijk goed uit. Zij waren geheel naakt, gewapend met lansen
en "waddies" of korte stokken, die zij gebruiken om de "wallabies",
een soort van kleine kangoeroes, waarvan zij hun hoofdvoedsel maken,
te dooden.--Lewis komt, tot onze blijdschap na zonsondergang terug,
en brengt goede tijding mede: op honderd mijlen afstand heeft hij
een plaats gevonden, waar men zich van water kan voorzien, als men
de spade maar in den grond steekt.

Aan den avond van Zondag, 20 Juli, komt Charley ons berichten, dat
er drie kameelen in zuidelijke richting zijn ontsnapt. Dat was geene
vroolijke tijding, maar Halleem, de kameeldrijver, verzekerde ons,
dat indien men hem toestond de dieren achter na te zetten, hij ze
wel zou terugbrengen. Ik stond hem Hosee, mijn eigen kameel, af; het
was nog geen vijf uren in den namiddag, toen hij vertrok. Tegen den
middag van den volgenden dag wachtten wij hem terug, maar hij liet
zich wachten. Sahleh zeide ons des avonds, dat hij zeer duidelijke
sporen van Hosee, niet ver van ons kampement, had ontdekt; maar
tevens vertelde men mij iets, waarvan ik vroeger nooit gehoord had:
dat Halleem lijdende was aan zenuwaandoeningen, gedurende welke
hij zijn geheele bewustzijn verloor. Ik maakte mij al meer en meer
ongerust, en zond den 22sten mijn zoon Richard en Charley met een
week proviand uit om Halleem te zoeken met zijne kameelen. Lewis
vertrok ook, maar in eene andere richting.

Eindelijk, na bange dagen te hebben doorgebracht, vond men Halleem
terug, en op den 29sten kwamen allen in het kampement terug, maar
zonder kameelen. Wij hadden niet alleen onzen tijd, maar ook onze
lastdieren verloren. Halleem had alles gedaan wat hij had kunnen doen:
hij had over bijna honderdvijftig kilometers het spoor der kameelen
gevolgd; maar daar zij dag en nacht voortrenden, en hij slechts over
dag hun spoor kon waarnemen en volgen, was het hem onmogelijk ze in
te halen.

Den 30sten vond Lewis, op een afstand van twintig kilometers, een put,
waarheen wij ons begaven. Wij holden dien verder uit, en verwijderden
de doode ratten, die er zich in groote menigte in bevonden. Er zijn,
zooals men weet, ontelbaar veel ratten in Australie; zij maken hunne
nesten in de rotsspleten en zijn over het algemeen kleiner dan de
ratten die men in Engeland aantreft. Toen ons werk was voltooid en
nog voor wij water hadden geput, viel een der zijwanden in, zoodat
wij van voren af aan moesten beginnen.

Ons vaste kamp hebben wij voor goed vaarwel gezegd: het is ons een
toevluchtsoord geweest in onzen tegenspoed, maar toch waren wij er
niet minder blijde om, het te kunnen verlaten. Sedert verscheidene
dagen was het regenachtig weder; wij trokken voort naar het westen;
de spinifex groeide in zoo groote hoeveelheid en de grond was zoo
glibberig, dat de kameelen niet dan met moeite voortgaan konden.

5 Aug.--Wij zijn in een streek, rijk voorzien met moerassen van zout
water, die half uitgedroogd waren. Deze poelen bestaan thans uit natten
en slijkerigen grond, bedekt met een zoutkorst. Men vindt ze niet
alleen in lage streken, maar ook dikwijls in hooger gelegen plaatsen.

Op den 9den woei er een stevige wind, en van den verzengden bodem
stegen dikke zand- en asch-wolken op. Het was een ware woestijn,
die wij doortrokken. Wij verscholen ons zoo goed mogelijk achter onze
kameelen, en sloegen ons kampement op bij een moeras, waar wij water
aantroffen, maar zoo zilt dat het ondrinkbaar was.

Den 11den deden wij verkenningen in verschillende richtingen, die
allen vruchteloos waren; ik kwam tot het besluit om terug te keeren,
ten einde het spoor te vinden van eenige inlanders, die wij den vorigen
dag hadden gezien. Dit was mij het eenige uitzicht op redding. Als
dit ons ook ontzinkt, zullen wij ons genoodzaakt zien naar onze
laatste halt terug te gaan; en om daar te komen, moeten wij nogmaals
die afschuwelijke zandheuvels over, die wij onlangs over getrokken
zijn; dit zal ons onze laatste kameelen doen verliezen en ons in een
rampzaligen toestand brengen; maar een andere keus rest ons niet.

Op den 12den hebben wij het kamp der inlanders gevonden, en
vlak daarbij een put. Wij zijn gered, zonder dat wij wederom de
afschuwelijke woestijn door moeten.

Den 14den begeven wij ons verder, naar een andere zijde op weg,
waar wij putten vinden en minder woeste oorden; maar weldra begint
de zandwoestijn op nieuw.

Den 16den hadden wij nauwelijks acht kilometers afgelegd, toen zich
een dikke rook aan ons oog vertoonde, die opsteeg van een vuur,
door de zwarten aangestoken. Blijkbaar vermoeden zij niet, dat wij
zoo vlak in hunne nabijheid zijn. Wij dringen in hun kamp door,
en nemen er bezit van eenen uitmuntenden put. In het kamp vonden
wij een lans en een ronde ijzeren tomahawk. Wij besloten daar voor
eenige dagen ons verblijf te houden, en in den omtrek verkenningen
te doen, ten einde te trachten de rivier en het meer weer te vinden,
die A.C. Gregory heeft aangegeven en die het eindpunt zijn geweest
van zijn tocht. Hij had niets dan paarden te zijner beschikking,
en daar hij eene onmetelijke, volkomen dorre woestijn voor zich zag,
geloofde hij niet, dat het mogelijk was verder te gaan. Wij vonden de
plaatsen niet terug, die hij beschreven heeft; maar zij konden niet
verder dan dertien of zestien kilometers van ons verwijderd zijn. Van
het meer zagen wij niets, omdat zandheuvels het voor ons oog verborgen.

Den 28sten zagen wij voor de eerste maal vluchten van duiven. Zij waren
zeer wild, en wij konden er slechts drie of vier van dooden; zij lieten
zich zeer goed smaken. Bij een tocht naar het zuiden, had Lewis een dal
ontdekt, omringd door heuvels van rood zand, waar vijvers met helder
water waren, dikwijls van honderd voet in den omtrek; maar daar wij
er zeker van waren, als wij in rechte richting voorttrokken, een meer
te vinden, wilden wij liever geen omwegen maken. En inderdaad, wij
vonden het meer, en daarbij duiven, musschen en eenden in overvloed;
wij doodden er zoo vele van als wij maar konden, maar, daar het meer
vrij groot was, was de jacht niet van de gemakkelijkste.

4 September.--Wij kwamen aan een kampement van inboorlingen, waarbij
een put was. De zwarten gingen op de vlucht, maar dit belette ons niet,
eene zeer leelijke oude vrouw machtig te worden, die een akelig gehuil
uitstootte. Twee dagen later lieten wij haar weder gaan.

Eerst op den 11den, na talrijke nasporingen rondom ons kamp, vonden wij
een nieuwen put op zes of zeven kilometers afstands. Het was Charley,
die ons deze tijding bracht, tevens met het bericht er bij dat zich
nevens dezen put een kampement van inlanders bevond. Den 12den, met
het krieken van den dag, vertrok ik met het doel hen te overvallen
en een hunner gevankelijk mede te voeren, maar toen ik kwam, waren
de zwarte vogels gevlogen.--De put gaf ons uitmuntend water.


III.

De veertiende was een Zondag; maar daar wij geen water hadden, waren
wij tegen onze gewoonte verplicht, onze reis voort te zetten. Wij
trachtten, toen wij de zandheuvels overtrokken, de steilste en
lastigste hellingen te vermijden, daar zij zoo vermoeiend waren voor de
kameelen. Al die zandheuvels verschilden zeer in hoogte en onderlingen
afstand: de meesten waren tachtig voet hoog en tweehonderd-vijftig
a driehonderd el van elkander verwijderd.

Evenwijdig de zandheuvels volgende, was de tocht door de kleine,
tusschenliggende dalen zoo vermoeiend niet; maar was men daarentegen
verplicht de heuvels over te trekken, dan hadden de kameelen het
zwaar te verantwoorden: hunne pooten zakten diep in het mulle zand,
en de pijn, die zij daarbij moesten doorstaan, was werkelijk eene
marteling voor de arme dieren.

Moge dit binnenland van Australie ook al, evenals de Sahara, ten
eenenmale gebrek hebben aan water, het heeft ten minste dit boven
de afrikaansche zandvlakte voor, dat het in den regel eene groote
verscheidenheid van struikgewassen, boomen en bloemen aanbiedt. Deze
gewassen strekken den kameelen tot voedsel, en geven aan de landstreek
een ietwat minder doodsch aanzien. Voor de menschen eetbare vruchten
groeien er aan geen dezer struiken; en de boomen zijn wel geen
bewijzen van de nabijheid van water, maar zij maken toch den grond,
waar zij groeien, minder kaal en minder dor.

Op den 15den waren wij genoodzaakt stil te houden: onze grootste
mannelijke kameel had voor hem vergiftige kruiden genuttigd en was zeer
ziek. De waarde, die dit beest voor ons had, was onberekenbaar, niet
alleen omdat hij zoo buitengemeen sterk was, maar ook omdat wij zonder
zijne hulp niet in staat zouden zijn de andere jongere mannelijke
kameelen in bedwang te houden, die van nu af aan konden wegloopen,
en daardoor onze geheele kudde konden meesleepen. Tengevolge eener
dergelijke gebeurtenis, hadden wij op den 20sten Juni reeds drie
vrouwelijke kameelen verloren. Zoolang de grootste kameel de kudde
onder zijn bedwang houdt, zijn de jongere mannetjes tamelijk rustig;
maar zoodra hij door ziekte of eenig ander toeval wordt getroffen,
geraakt dadelijk alles in wanorde, en tracht ieder mannetje zich
te doen gehoorzamen. Als men hen niet nauwlettend bewaakt, nemen
zij zoo veel vrouwtjes als zij kunnen op sleeptouw en loopen weg:
de reizigers moeten dan onvermijdelijk ellendig omkomen. Door een
wonderbaar instinct hadden onze jonge kameelen reeds bemerkt, dat
hun leider ziek was, voor dat zelfs de kameeldrijvers het nog wisten,
en zij gaven onmiddellijk teekenen van verzet. Dientengevolge werden
alle noodige voorzorgen genomen om hun het wegloopen te beletten,
hetgeen ook gelukte.

Den anderen morgen waren wij genoodzaakt onzen zieke achter te laten,
die niet meer overeind kon staan. Wij plaatsten hem zoo dat hij het
water zou kunnen gaan drinken, als hij aan den dood ontkwam. De warmte
neemt hevig toe: de thermometer teekent 40 deg. Celsius in de schaduw,
en wij bevinden ons op 122 deg. O.L.

Op den 18den zagen wij ons wederom genoodzaakt twee kameelen,
waarop wij reden, achter te laten. Zij konden zich niet meer
bewegen. Aanvankelijk dachten wij dat zij vergiftigd waren; maar
vervolgens zagen wij dat zij eene nieraandoening hadden, tengevolge
van den nachtwind. De kameel van mijn zoon Richard was aangetast
door dezelfde kwaal; wij lieten hem niet zijn eigen dood sterven,
maar doodden hem vooraf, opdat wij zijn vleesch zouden kunnen eten.

Op den 19den zouten wij het vleesch van onzen kameel zoo goed mogelijk
in. Het is een armzalige kost: het beest was oud en versleten. Toch
zou dit voedsel ons groote diensten bewijzen. Want in den uitgeputten
toestand waarin wij ons weldra bevonden, was dit ellendig voedsel in
staat ons leven gedurende verscheidene weken te verlengen, en daaraan
zijn wij het verschuldigd dat wij niet zijn omgekomen.

20 September.--Heden is het een jaar geleden, dat wij de zuidkust
hebben verlaten; wij hebben nog slechts twee kameelen geschikt om
op te rijden; wij moeten onze tenten en het grootste gedeelte van de
ons toebehoorende voorwerpen in de steek laten; wij behouden slechts
de geweren, proviand, en niet meer kleederen dan de welvoegelijkheid
eischt.

Charley berichtte ons ten een uur na den middag, dat hij een put
had gevonden, waarvan de inboorlingen zich bedienden. Zonder deze
ontdekking, zouden wij genoodzaakt zijn geweest, tachtig mijlen terug
te trekken en vervolgens onze tegenwoordige verblijfplaats weder op te
zoeken, waardoor onze kameelen een buitengewonen marsch van meer dan
honderdvijftig mijlen zouden hebben moeten afleggen. Overigens bevinden
wij ons zeer wel; alleen de honger kwelt ons vreeselijk. Te half zes
bereikten wij den put, die zeer waterrijk was en ons gelegenheid gaf
al onze kameelen te drenken.

Den 26sten rukten wij vijftien mijlen vooruit. Richard is ziek,
en wij sukkelen allen min of meer aan onze ingewanden. De mieren
kwellen ons buitengewoon. Den 27sten legden wij nog vijfentwintig
mijlen af, zonder water to vinden, zoodat wij ons niet verder van
den eersten put durfden verwijderen, zonder verzekerd te zijn dat
wij een tweeden vinden zullen. Ook verloren wij nog een kameel, die
ziek was en sedert een dag of veertien niets meer kon dragen. Van de
zeventien kameelen, die wij bij ons vertrek bezaten, is dit reeds de
achtste die ons ontvalt.

28 September.--Niet alleen dat wij door vliegen en mieren
gekweld worden, maar ook door bijen, die wel niet steken maar
een alleronaangenaamsten geur van zich geven en altijd om onzen
neus heen gonzen. Onze ontdekkers komen terug, zonder water te
hebben gevonden. Wij zullen alzoo denzelfden weg weer terug moeten
gaan. In tien dagen hebben wij slechts een gering aantal mijlen
afgelegd. Voorraad hebben wij nog slechts in kleinen getale, en de
hongerdood staat voor de deur.

Den 29sten bereiken wij ons laatste kamp. Wij zien de sporen van twee
inboorlingen, en zenden den 30sten vroeg in den morgen Lewis en Charley
om hen op te sporen; hen vinden zij wel niet, maar wat oneindig meer
waard was: een put, op een afstand van acht mijlen ten N.W. Wij gaan
er onmiddellijk heen: het is de beste, dien wij in zes maanden tijd
hebben aangetroffen. Eigenlijk is het meer eene uitholling in de rots
dan een put, ofschoon er toch ongetwijfeld een bron moet zijn, die
hem voedt. Bij het vinden van water verlevendigt zich onze hoop. Wat
ons nu nog maar het meeste hindert is, dat wij geen kameelen genoeg
meer hebben om onze verkenningstochten ver uit te strekken; en aan
den anderen kant kunnen wij overdag niet reizen, van wege de hitte,
die de kameelen van vermoeienis doet neerzijgen. Zelfs de nachten zijn
stikkend heet; de mieren, die zelven nimmer slapen, gunnen ook ons
geen rust. Ten einde het ongeriefelijke van eenen nachtelijken tocht
eenigszins te verminderen, leggen wij tegenwoordig eenige mijlen des
avonds af; dan houden wij halt en vertrekken weder met het krieken
van den dag, om voort te gaan tot dat de hitte ondragelijk wordt
voor de kameelen; op deze wijze kunnen wij, al voorttrekkende, water
trachten te ontdekken. Dat is eigenlijk de spil waar alles om draait:
want als wij des nachts voorttrekken, zonder er zeker van te zijn dat
wij in de richting naar een put gaan, moeten wij onvermijdelijk weer
achteruit, en alzoo onze kameelen nutteloos vermoeien.

De toestand waarin wij ons bevinden, is werkelijk onrustbarend van
wege het afnemen der levensmiddelen. Thans staan wij voor dit dilemma:
als wij snel voorttrekken, hebben wij alle kans onze kameelen te
verliezen en van dorst te sterven; en als wij langzaam voorttrekken,
is onze eenige verwachting, met Gods hulp ons leven nog wat te rekken
door het eten van in de zon gedroogd kameelenvleesch. Indien God ons
nog eens vergunt water te vinden, en wij niet genoodzaakt zijn weer
terug te trekken, wil ik een laatste poging wagen, ten einde de Oakover
te bereiken, een zijtak van de Grey-rivier. Zoo niet allen, zullen
toch eenigen onzer er komen. De streek, waarin wij ons nu bevinden,
is niet slechter dan die, welke wij reeds hebben doorgetrokken;
maar het toenemen van ons lijden is alleen toe te schrijven aan het
verlies onzer kameelen.


IV.

Zondag, den 5den, vertrokken wij kwart voor vier uur in den morgen,
en bereikten te half negen een put. Dikwijls zijn wij genoodzaakt
geweest uit te rusten, want wij moesten dwars over een rij zandheuvels
heentrekken. Deze put geeft ons geene toereikende hoeveelheid water;
den ganschen nacht werkten wij door om meer water uit den bodem te
doen wellen; drie uren arbeidens kost het, een emmer vol te krijgen:
eindelijk gelukt het ons aan elk onzer dieren een emmer water te geven.

Lewis en Charley gaan voort met den omtrek te onderzoeken; op
het oogenblik dat ik vreesde naar ons laatste kampement te moeten
terugkeeren, komen zij met goed nieuws terug. Zij hebben een put
gevonden, die aan twee of drie onzer kameelen het leven redt.

Den 8sten vertrekken wij te zes uur met ons goed, om ons nieuw
kampement te bereiken. Ten einde de kameelen te sparen, ging ik
te voet. Wij bleven daar verscheidene dagen, om onzen uitgeputten
kameelen rust te gunnen en hunne krachten te laten hernieuwen, want
ons aller leven hangt er van af of zij al of niet door de woestenij
kunnen heentrekken.

Op den 15den kunnen wij van den put in het kamp nog slechts water
krijgen voor ons persoonlijk gebruik: wij zijn dus verplicht de
kameelen te doen teruggaan tot de vorige halt. Ik laat het spoor
volgen der inlanders, maar zij zijn naar het zuidoosten getrokken,
en in die richting kunnen wij niet gaan; wij moeten altijd zooveel
mogelijk onze reis in westelijke richting voortzetten. De streek die
wij doortrekken is dorder en droger dan die wij het laatst hebben
doorkruist. Onze pogingen om een nieuwen put te vinden mislukken, en
den 19den moeten wij denzelfden weg terug. Wij kunnen ons voor ons maal
niet meer gunnen dan een lepel meel, aangelengd met water, daarbij een
weinig in de zon gedroogd kameelenvleesch, en geroosterde acaciazaden.

Den 20sten hebben wij een duif geschoten. Des avonds maakten wij
een kameel af, die aan den rug gewond was; binnen twee dagen zou hij
niet meer kunnen loopen, en wij zouden hem dan moeten achterlaten,
ten prooi aan de vliegen, die onmiddellijk, in ongeloofelijk groote
menigte en met duizelingwekkende snelheid komen aangonzen.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65
Copyright (c) 2007. topknownbooks.com. All rights reserved.