De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 by Various
V >>
Various >> De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32 |
33 |
34 |
35 |
36 |
37 |
38 |
39 |
40 |
41 |
42 |
43 |
44 |
45 |
46 |
47 |
48 |
49 |
50 |
51 |
52 |
53 |
54 |
55 |
56 |
57 | 58 |
59 |
60 |
61 |
62 |
63 |
64 |
65
Het inwendige der kerk vertoont een zeer opmerkelijk specimen van
de mozaieken, waarmede de byzantijnsche kerken uit dien tijd werden
versierd, en die hoogst zeldzaam zijn, dewijl de Grieken hoegenaamd
geen zorg hebben gedragen voor het behoud van dezulken onder deze
kunstwerken, die aan de ruwe beeldstormerswoede der Turken waren
ontsnapt. Ook hebben deze mozaieken zeer veel geleden; de vochtigheid
doet geheele stukken van de kalk van het gewelf afvallen, die op den
steenen vloer in stukken springen; de turksche kogels hebben menig
beeld geschonden, toen het klooster, tot militairen post ingericht, in
al de wisselingen van den onafhankelijkheidsoorlog deelde; eindelijk
hebben de vuren der herders, en na de herstelling der orthodoxe
eeredienst, de waskaarsen der papas de gewelven met een vuile rooklaag
bedekt en op vele plaatsen de kleur bijna onkenbaar gemaakt. Boven in
den koepel prijkt nog, geheel ongeschonden, een reusachtige Christuskop
op gouden grond. Beneden aan den koepel ziet men de twaalf apostelen,
met bijbelsche bijschriften; daaronder, tusschen de vensteropeningen,
de profeten; op de bogen der vier pilaren, die den koepel dragen,
de Aankondiging, de Geboorte, de Doop en de Verheerlijking.
Er is genoeg gezegd over de stijfheid en onnauwkeurigheid der
byzantijnsche mozaieken; maar wanneer de stralen der avondzon haar
slechts met een geheimzinnigen schemerglans verlichten, waarin
de onvolkomenheden der techniek bijkans verdwijnen, dan maken
die groote hieratische figuren op gouden grond, die scheppingen
eener aan strenge regelen gebonden kunst, toch een indruk van
onweerstaanbare, vorstelijke majesteit; dan kunt ge begrijpen, hoezeer
de aanschouwing van die bovenaardsche beelden de schare treffen moest,
wier godsdienstig gevoel niet bedorven werd door meer of minder
wijsneuzige esthetische kritiek.
De kloosters, gedurende de bezetting van Griekenland door de Franschen
gesticht, hebben ongelukkig geen kronieken nagelaten, en ook de
geschiedschrijvers maken zeer weinig melding van hunne lotgevallen. En
toch zou men zoo gaarne, in hun nieuw vaderland, die monniken volgen,
die hunne fraaie abdij van Bourgondie verlaten hadden, om in het
verre vreemde land de afgedwaalde scheurmakers te onderwijzen, en
wat het zwaard der kruisridders begonnen had, door hunne prediking te
voltooien. Maar vele van die ridders hadden het witte kruis verruild
voor eene kroon, en eene voorzichtige staatkunde gebood hun, jegens
hunne nieuwe onderdanen eene gematigheid en verdraagzaamheid in acht
te nemen, die soms kwalijk strookte met den vurigen bekeeringsijver
der Benedictijnen.
Innocentius III, de groote paus, die de omverwerping van het oostersche
rijk door de kruisvaarders niet had goedgekeurd, hield niet op,
de veroveraars en de hen vergezellende monniken en geestelijken te
vermanen tot zachtmoedigheid, geduld en matiging: de eenige middelen
waardoor men mocht hopen, de overwonnen volken weder in den schoot
der katholieke Kerk terug te voeren. Er zijn van hem verschillende
bewonderenswaardige brieven aan de abten van het vorstendom Morea
en het hertogdom Athene, waaruit blijkt dat zelfs de invloed en het
gezag van den paus niet altijd voldoende waren om den overdreven
godsdienstijver van de latijnsche geestelijkheid te temperen. Ook de
Benedictijnen van Daphne stonden niet altijd op den besten voet met
hun hertog; en meer dan eenmaal moest de tusschenkomst van den paus
worden ingeroepen, om de geschillen bij te leggen en de verhouding
te regelen tusschen de burgerlijke overheid en de geestelijke orden,
die op bijna volstrekte onafhankelijkheid aanspraak maakten.
Deze worsteling, die toch slechts een klein onderdeel vormt van de
geschiedenis der middeleeuwen, geeft ons op nieuw de gelegenheid
om den adel van ziel en de grootsche verhevenheid van bedoelingen
en inzichten te bewonderen van de acht of tien groote pausen,
die destijds het lot van Europa, van de Christenheid, waarvan zij
het erkende en geeerbiedigde hoofd waren, in handen hadden en die
daarop den heilzaamsten invloed uitoefenden, al ware het slechts
daardoor dat zij bij de verschillende volken het innig bewustzijn
hunner eenheid, als leden van de groote christelijke familie, als
zonen derzelfde heilige Moederkerk, levendig hielden en alzoo een
krachtigen dam opwierpen tegon de eenzijdige ontwikkeling van dat
nationaal egoisme, dat zich heden ten dage in al zijne driestheid,
in al de onbeschaamdheid zijner toomelooze aanmatiging vertoont en
door sommigen als het hoogste, het eenige beginsel van volkenrecht
gehuldigd wordt.
De abdij van Daphne was het Saint-Denis der fransche hertogen van
Athene; in een kleinen kelder, onder den voorhof der kerk, heeft
men verscheidene hunner graftomben teruggevonden: zware steenen
lijkkisten, zonder versierselen of opschriften. Op een dezer kisten is
in relief het wapen gebeeldhouwd van Guy II de la Roche, den derden
hertog van Athene. Deze Guy gedroeg zich, naar de getuigenis der
kronieken, "zooals het een goeden en vromen heere past"; hij werd
door zijne onderdanen bemind en won zich een grooten naam in alle
koninkrijken. Zoo hervinden wij hier, in deze verwijderde streken,
de herinnering aan de schoone, schitterende rol, die de roemruchtige
fransche adel eeuwen lang, in en buiten zijn vaderland, in dienst
der edelste en schoonste idealen, gespeeld heeft.
VI.
Daphne verlatende daalt men, langs eene vrij steile helling, naar
den oever der golf van Eleusis af. Aan den zoom der golf is de weg
in de rots uitgehouwen en wordt door muren gedragen, aan wier voet
de golven kabbelen. De aanblik van deze ruime, kalme, rustige baai is
inderdaad bewonderenswaardig. De fijne en schilderachtige omtrek der
bergen teekent zich scherp af tegen den schitterend blauwen hemel,
en weerspiegelt in de azuren wateren van den oceaan. Tegenover ons
verrijzen de rossige, vale rotsen van Salamis loodrecht uit de zee;
rechts de doorwoelde en doorgraven hellingen van den Parnessus en
den Kitheron, in warme, lichtgrijze tonen en tinten gehuld; aan
hun voet strekt zich de heilige vlakte van Demeter uit, blakerend
in den zonnegloed, en van de blauwe, onbewegelijke zee gescheiden
door een smal strand, geheel bezaaid met kleine wit- en rooskleurige
marmersteentjes. Dit strand, eene bevallige kromming beschrijvende,
voert ons naar Eleusis, waarvan de witte huizen, aan de overzijde
der golf, ons tegenblinken. Hooge bergtoppen vormen den achtergrond
van het tooneel, naar de zijde van Megara.
Wij gaan langs twee groote vijvers of plassen, door steenen dammen
omzoomd en gevoed door bronnen van zout water, en steken vervolgens
de vlakte van Thria over, zoo buitengewoon vruchtbaar, nadat Demeter
zelve aan Triptolemos den akkerbouw geleerd had. Van die vruchtbaarheid
is thans weinig meer te bespeuren. De zorgeloosheid en nalatigheid der
bewoners heeft de afleidingskanalen laten verzanden, en het water heeft
voor drie vierde deze alluviaalgronden in bezit genomen, die nog zoo
uitnemend geschikt zouden zijn voor bebouwing. Men heeft wel enkele
plekken ontgonnen, maar er is niets gedaan, en zelfs nog geen plan
ontworpen, om deze vlakte te bevrijden van de geregeld terugkeerende
overstroomingen en de daarmede gepaard gaande koortsen. De gemeente
is te arm, en het gouvernement denkt aan niets dan aan politiek,
aan den strijd tegen de oppositie in de Kamer, aan het behoud van het
vluchtig ministerieel leven, aan de omkooping der kiezers. Voor werken
van openbaar nut is er noch tijd, noch geld, noch aandacht. Dat zijn
trouwens de eigenaardige zegeningen van menige parlementaire regeering!
De landlieden, die wij ontmoeten, zijn rijzig van gestalte; zij
hebben een langen, eenigszins platten neus, een wijkend voorhoofd,
kleine oogen en een beenig gelaat. De vrouwen zijn groot en sterk
gebouwd, maar niet bevallig, ondanks haar blauwe oogen en blonde
haren. Het zijn Albaneezen van Elefsina, een ellendig, armoedig dorp,
dat wij voorbijtrekken, en dat op de plaats zelve is gebouwd van het
oude Eleusis, aan het uiteinde van een steenachtigen heuvel, aan den
oever der zee. Van den beroemden tempel van Demeter is niets meer
over, dan eenige stukken van den onderbouw, achter hutten verborgen;
de fragmenten der propyleeen, uit den romeinschen tijd, liggen in
wanorde door elkander in de uitgravingen, door den heer Lenormant
hier ondernomen.
Naar Eleusis trok de processie der Panatheneeen, en daar werden die
beroemde mysterien gevierd, waarin de oude natuurdienst der Pelasgiers
de hand reikte aan de vereering van de goden en godinnen van den
helleenschen Olympus. Ondanks de halve onthullingen van Diodorus van
Sicilie en van Apollodorus bestaat er omtrent de eigenlijke beteekenis
dier geheimzinnige plechtigheden nog veel onzekerheid; ik voor mij
kan moeielijk gelooven, dat in deze mysterien de zuivere leer van de
eenheid Gods en de onsterfelijkheid der ziel werd verkondigd. Dit
is zeker, dat zoowel Sokrates als Diogenes, schoon overigens geen
geestverwanten, weigerden, zich in de mysterien van Eleusis te laten
inwijden. Deze geringschatting van de bijgeloovige eeredienst der
priesters van Demeter kostte Sokrates het leven.
Voorbij Eleusis verlaat de weg het zeestrand, en wendt zich rechts
naar het noorden. Wij komen aan het dorp Mandra, door albaneesche
uitgewekenen bewoond. Bij onze nadering omsluieren de vrouwen zich het
gelaat; de mannen, voor het eenige koffiehuis van het dorp gegroept,
staren ons met nieuwsgierigheid en met niet al te vriendelijke blikken
aan. Hun wijkend voorhoofd, hun uitstekende jukbeenderen, hun blonde,
rechte, naar tartaarsche manier geknipte knevels, hun kort geknipte
haren, die van achteren lang afhangen--dit alles herinnert aan den
type der Bulgaren, die toch Slaven zijn, of misschien tot Slaven
geworden Hunnen. Overigens rijst schier bij elken voetstap, dien men
in het Oosten zet, een of ander ethnografisch raadsel op, waarvan de
beantwoording uiterst moeilijk is, en dat in de praktijk dikwijls tot
nog grooter bezwaren aanleiding geeft. De Grieken houden stijf en sterk
staande, dat zij rechtstreeksche afstammelingen zijn van de Hellenen
uit den tijd van Themistokles. Toch is het niet te ontkennen, dat,
met uitzondering van Maina en van enkele eilanden, het tegenwoordige
Griekenland bewoond wordt door een ander, nieuw ras, voortgesproten uit
de vermenging van de oude bevolking met noordelijk wonende stammen,
en vooral met Albaneezen of Skipetaren. Die Albaneezen hebben geheel
nieuwe denkbeelden en elementen, eigenaardige zeden en gebruiken
medegebracht; zoowel uit een physiek, als uit een moreel oogpunt,
hebben zij op het helleensche ras, waarmede zij zich vermengd hebben,
een zeer grooten invloed uitgeoefend en den oorspronkelijken aanleg
sterk gewijzigd. Ik zal niet ontkennen, dat ook in het tegenwoordige
grieksche volk de grondtrekken van het helleensche karakter in menig
opzicht meer of minder duidelijk zijn bewaard gebleven; maar evenmin
valt, in de vorming der nieuw grieksche nationaliteit, de invloed
van andere dan antiek-helleensche elementen te miskennen.
Wij hebben den voet van den Kitheron, dichterlijker gedachtenisse,
bereikt; langzamerhand voert de weg door een lommerrijke kloof
naar boven. Kromgebogen dennen, doornige gewassen met kleine, harde
bladeren, bedekken de steile hellingen van den berg, waar overal de
naakte grijze kalkrots te voorschijn treedt. Nergens is eenig spoor van
bouwgrond te ontdekken; nergens is water te zien; nergens hoort men
gezang of gesjilp van een vogel; overal doodsche, eentonige stilte
en eenzaamheid. Wij bespeuren geen andere levende wezens dan een
kleine smaragdgroene hagedis met bruinen staart, en een roofvogel,
hoog in de lucht zwevende. Omziende, ontdekken wij nog in de verte,
achter verschillende bergreeksen, de hooge toppen van den Hymettos
en den Pentelikon.
Na eenige uren lang, voortdurend in vollen galop, nu eens tegen de
berghellingen te zijn opgeklauterd, dan weder naar de slingerende
valleien afgedaald, houden wij eindelijk stil aan een afgelegen,
eenzame kani (herberg) Pirnari genoemd, waar wij het ontbijt
gebruiken. Verderop loopt de weg, tusschen groote steile rotsen door,
naar eene woeste, smalle kloof, waarboven zich de indrukwekkende
ruinen van de helleensche vesting Eleutheres verheffen, die den pas
tegen de Beotiers verdedigen moest. Zeven zware vierkante torens,
die nog vrij goed bewaard zijn gebleven, rijzen omhoog op den top van
een steilen heuvel. Zij vormen een schilderachtig geheel, vooral als
men ze van gene zijde van den heuvel, waaromheen de kronkelende weg
zich slingert, ziet.
Deze pas is niet de eenige welke over den Parnassus voert, die de
natuurlijke grensscheiding vormt tusschen Attika en Beotie. Meer
oostwaarts is nog eene andere smalle pas of overgang, die sinds
overoude tijden door de beide volken werd gebruikt, en waar de Atheners
die beroemde vesting Phylae hadden gebouwd, waarvan Thrasybulus zich
bij verrassing meester maakte, en waar hij zich geruimen tijd tegen
de aanvallen der Dertig Tirannen staande hield.
Het steile plateau, waarop de citadel van Eleutheres is gebouwd, heeft
eene lengte van honderd-zeventig, bij eene breedte van zeventig el, en
is slechts van twee kanten, ten oosten en ten zuiden, genaakbaar. De
muren zijn uit groote gehouwen steenen, waarvan sommigen de gedaante
van een parallelogram vertoonen, opgetrokken; een nog ongeschonden
vierkante toren, ten zuidoosten, en een half vernielde ronde toren, ten
noordoosten, dienden blijkbaar tot verdediging van de poorten. Aan de
westzijde verheft zich een tweede vierkante toren boven een loodrechten
rotswand. Van hier overziet de blik de gansche bergstreek tot aan
den Hymettus en de vlakte van Athene, waarvan de Akropolis zich in
schemerende omtrekken tegen den achtergrond der zee afteekent. Langs
de geheele keten van den Parnas waren vestingwerken aangelegd, die
dit natuurlijke bolwerk van Attika nog sterker moesten maken. Van
die vestingwerken is de citadel van Eleutheres het voornaamste en een
der merkwaardigste monumenten van de grieksche militaire architektuur.
Wij begonnen nu de steile hellingen van den Kitheron te beklimmen,
tot aan den pas, die de eigenlijke grensscheiding tusschen Attika en
Beotie vormt. De hooge bergvlakten en de weg zelf waren als overdekt
met kudden schapen, die door de herders werden bijeengedreven om naar
de winterweiden te worden geleid; deze winterweiden bevinden zich in de
vlakten van Attika en vooral in de omstreken van Vari, tusschen Athene
en kaap Sunium. Voorop gingen de vrouwen en de kinderen met een kleinen
mageren ezel, die een paar gestreepte dekens, eenige levensmiddelen en
een ketel droeg. Nevens de kudden gingen, midden door het struikgewas,
de herders met hunne honden, woeste dieren, die met luid geblaf op
ons aanstormden en in de wielen van het rijtuig beten. Zoo gaat de
tocht langzaam, met kleine dagreizen, voort. Bij de putten houdt men
stil om de kudden te drenken en de schapen te laten grazen in het
welriekende heidekruid, dat de gansche streek bedekt. Om een afstand
van vijftien mijlen af te leggen, hebben deze karavanen even zoo veel
dagen noodig. In de lente, wanneer de hitte in de vlakte ondragelijk
wordt, wanneer de grond hard wordt als metaal en het gras verdort en
verdroogt, wanneer het water in de putten wegzinkt, dan verlaten de
herders hunne uit boomtakken gevlochten hutten, om terug te keeren
naar de hooge bergvlakten van den Parnassus en den Kitheron.
Spoedig hadden wij den hoogen bergpas bereikt, waar de blik geheel
Beotie overziet. Een prachtig panorama! Voor onze voeten breidt zich de
wijde vlakte van Thebe uit, stralende van licht, met de slagvelden van
Platea en Leuktra, vanwaar dichte stofwolken oprijzen. Ter linkerhand,
de scherpe, uitgetande toppen van den Helikon en den Parnassus,
met blinkende sneeuw bedekt; rechts, de witte kruin van den Ida
en de bergen van het eiland Eubea. Voor ons, half omsluierd door de
dampen, uit het meer Kopais opstijgende, de toppen van den Oeta en den
Saromata. De gezichteinder is nevelig; het licht is minder fel, en de
opvolgende bergreeksen baden zich in een zachten, lichten nevel. Achter
ons, naar de zijde van Attika, straalt de smetteloos blauwe hemel in
weergalooze helderheid. De lijnen zijn daar overal scherp en zuiver
getrokken, wel niet hard, maar ook zonder dat eigenaardig zachte, weeke
en smeltende, dat zoo groote bekoorlijkheid geeft aan dit panorama
van Beotie. Zou dat zoo duidelijk merkbare onderscheid in de natuur
des lands ook niet van invloed zijn geweest op het karakter en den
aanleg der zoo zeer verschillende volksstammen aan deze en aan gene
zijde van den Parnassus en den Kitheron? De Atheners, in wier oogen
alles wat niet van Athene kwam, bespottelijk was, beschuldigden hunne
naburen van domheid en stompzinnige onbevattelijkheid des geestes:
eene reputatie, die zij tot heden hebben behouden. Toch is deze
beschuldiging volkomen onverdiend. Misten de Beotiers al den fijnen
atheenschen geest, de atheensche vlugheid en levendigheid, zij waren
daarentegen ook eenvoudiger en eerlijker; de verfijning der atheensche
beschaving bleef hun onbekend, maar zij hadden daarom wel gevoel voor
het schoone in kunst en litteratuur en waren verre van onverschillig
voor militairen roem. Wij behooren nooit te vergeten dat Pindarus,
Hesiodus, Epaminondas, Pelopidas en Plutarchus geboren Beotiers waren.
De kunstig aangelegde, maar zeer smalle weg daalt met breede
kronkelingen langs de kale, steile hellingen van den Kitheron
naar de vlakte af. Onze vier magere knollen, met versleten touwen
aangespannen, hollen in vollen galop langs dien steilen weg naar
beneden, op het gevaar af, ons bij elke kromming in de diepte te doen
nederstorten. Eerst toen wij in de vlakte waren gekomen, hield ons
span, zweetende en snuivende, schier ademloos stil. Een der wielen
van het rijtuig was half ontwricht, en de touwen waren voor een
deel gebroken; maar de ijdelheid van onzen koetsier was voldaan:
hij en Perikles waren zeer in hun schik over dit onzinnig waagstuk,
dat ons zeer gemakkelijk armen en beenen, indien niet het leven,
had kunnen kosten.
Wij wilden de nog overschietende uren voor den avond benuttigen,
om het slagveld van Platea te bezoeken. De afstand bedraagt, te
paard, slechts een uur; vervolgens kunnen wij in twee uren Thebe
bereiken. Ondanks de weinige hulpvaardigheid der inwoners, gelukt
het onzen tolk toch, zich in een naburig albaneesch dorp de noodige
paarden te verschaffen. Gemakkelijk gezeten op pakzadels, met tapijten
belegd, rijden wij over een steenachtigen, hobbeligen weg naar het
slagveld, waar veertigduizend Grieken driehonderdduizend Perzen op
de vlucht dreven.
De onderlinge twisten en oorlogen der verschillende grieksche staten
en stammen verdienen wellicht de aandacht niet, die er doorgaans,
dank zij het talent der oude geschiedschrijvers die ze ons eerst
verhaalden, aan geschonken wordt. In verre de meeste gevallen waren
hierbij slechts kwesties van persoonlijke of nationale ijdelheid en
lokaal belang in het spel. Anders is het evenwel met de perzische
oorlogen. De heldhaftige weerstand, door dit kleine volk aan de
geweldige overmacht der barbaren geboden; de aard en beteekenis van
dien strijd; het besef dat de overwinning der Aziaten de ontluikende
grieksche beschaving, waaraan de wereld zoo oneindig veel verplicht is,
in hare geboorte zou hebben verstikt:--dit alles wekt billijkerwijze
onze belangstelling en sympathie op en verdient die ook ten volle.
Nabij het kleine dorp Kikla, aan den voet van den Kitheron, die zijn
drie naakte toppen ten hemel beurt, ziet men nog de overblijfselen
eener oude citadel, uit groote drie- of veelhoekige steenblokken
opgetrokken, en geflankeerd door vierkante torens, waarvan nog slechts
enkele sporen zijn te ontdekken. Honderd ellen van daar, verheffen
zich tegen de helling van den heuvel, boven eene antieke fontein,
groote steenen sarkophagen zonder eenig versiersel. Perikles noemt
ze de graven der helden; maar uit niets blijkt dat ze in eenige
betrekking staan tot de perzische oorlogen. Op deze hoogte staande,
kan men zich eene zeer duidelijke voorstelling maken van het slagveld,
en van de strategische bewegingen der beide legers.
Platea verlatende, rijden wij over eene groote, onbebouwde vlakte,
door de hitte gespleten, zonder een enkelen boom, dor en akelig. In den
winter en in het voorjaar is deze vlakte een groot moeras, en zinkt
men haast weg in eene kleiachtige, zwarte aarde, geheel doorweekt
door den regen en de beken, die niet geregeld kunnen afvloeien. Toch
is deze grond zeer vruchtbaar en voor bebouwing geschikt; enkele,
niet moeilijke noch kostbare werken voor den afvoer van het water
zouden voldoende zijn om duizenden bunders in kultuur te brengen,
en deze dorre heiden te herscheppen in korenakkers en katoenvelden,
of in weilanden, waar talrijke kudden vee een overvloedig voedsel
zouden vinden. Waarom geschiedt dit niet? Is het uit zorgeloosheid,
of uit vrees voor aardbevingen, die zoo menigmaal Beotie geteisterd
hebben? Ik weet het niet: zeker is het dat ook hier, als op zoo
menige plaats elders in Griekenland, eene bron van nationale welvaart
ongebruikt blijft.
De weg voert om een kleinen roodachtigen heuvel, en eensklaps zien wij
twee- of driehonderd huizen voor ons, op een klein plateau van ongeveer
vijftig ellen hoogte, aan alle zijden van de omringende heuvelen
afgezonderd. Dat is de stad Thebe, die wij weldra binnenrijden. De
waterleiding, waarlangs de weg loopt, dagteekent uit de middeleeuwen;
zij voert het water eener naburige bron naar de stad.
Thebe bestaat eigenlijk slechts uit eene enkele, vrij breede straat,
ter wederzijde bezet met kleine smalle huizen, twee verdiepingen hoog,
waarvan de benedenverdieping doorgaans tot winkel is ingericht en
voorzien van breede planken luifels, op ruwe houten palen rustende. Die
luifels volgen elkander geregeld op, en vormen zoo ter wederzijde van
de straat eene soort van overdekte galerij, die bij regenachtig weer,
hetgeen hier volstrekt geen zeldzaamheid is, eene zeer gewenschte
beschutting biedt. Verscheidene huizen, die door de laatste aardbeving
geleden hebben, zijn nog niet hersteld.
Er heerscht groote drukte op straat, want morgen is het een der
honderd-tachtig feestdagen van den orthodoxen kalender. De toevloed
van boeren uit den omtrek voorspelt ons weinig goeds voor den nacht,
als wij dien ten minste moeten doorbrengen in de kani, waaruit een
vuile, walgelijke stank ons tegemoet komt. Gelukkig vinden wij,
door tusschenkomst van den demarch (burgemeester), logies bij een
der burgers van de stad.
Den ganschen nacht woedde een geweldige wind, die ons huis op
zijn grondvesten kraken en schudden deed. In de straten en stegen
blaatten honderden schapen en lammeren, met allerlei modulatien van
klaagtonen. De in de stad, tot bijna voor onze deur, bijeengedreven
kudden werden onrustig en antwoordden op dat geblaat. Somwijlen
verhief een herder zijn forsche stem, waarop een oogenblik stilte
ontstond, doch om straks weer door hetzelfde concert van blatende,
jammerende en loeiende stemmen vervangen te worden.
Wij waren te Thebe gekomen op den laatsten dag van een der vier
vastentijden, die telken jare door de Grieken zoo streng worden
gehouden. Veertig dagen lang hadden de Thebanen zich uitsluitend
gevoed met bittere en gezouten olijven, kaviaar en flauwe, smakelooze
groenten; nu maakten zij zich gereed om den terugkeer tot de gewone
levenswijze recht feestelijk te vieren. Ieder gezin koopt voor die
gelegenheid een lam of schaap, dat hetzij op de binnenplaats der
woning, of indien dat niet kan op de straat, geslacht en gebraden
wordt. Sedert eenige dagen waren de zwervende herders van den Parnassus
en den Helikon afgedaald, ongeveer een duizendtal schapen voor zich
uit drijvende, die bestemd waren om geslacht te worden; en des avonds
hadden de voornaamste Thebanen reeds de beste en vetste beesten voor
den maaltijd uitgezocht.
De vermoeidheid had eindelijk de overhand gekregen over het loeien
van den wind, het blaten der kudden, en ook over de scharen van
insekten, die langs de muren onzer kamer afdaalden, zoekende wien
zij mochten verslinden, en wij waren zoowat in een onrustigen slaap
gevallen. Tegen vier uur in den morgen echter, lang voor zonsopgang,
werden wij plotseling gewekt door herhaalde geweerschoten, door een
dof en aanhoudend gerucht gevolgd.
De Grieken, even als de Bedouinen der woestijn, zijn groote liefhebbers
van schieten. Hetzij er een kind wordt gedoopt of eene bruiloft
gevierd, hetzij er een doode wordt begraven, een kandidaat half
doodgeslagen of een afgevaardigde eene ovatie gebracht--altijd moet
er geschoten worden. Maar al te dikwijls is dit schieten de oorzaak
van een min of meer toevalligen moord.
De hoofdstraat was geheel gevuld met eene dichte en schilderachtige
menigte. Al de inwoners van Thebe en van den omtrek waren daar
bijeen, ieder met een waskaars in de hand, en in plechtigen optocht
de priesters volgende, wier gezang boven het dof gemurmel der schare
uitklonk. De eentonige litanien werden zonderling afgewisseld door
geweerschoten en wilde kreten, terwijl de klokken der kerk uit
alle macht luidden.--Wij hadden hier eene ongedachte, uitnemende
gelegenheid om de verschillende typen dezer gemengde bevolking
te bestudeeren. Zoodra de dag was aangebroken, mengden wij ons
dan ook onder de vroolijke luidruchtige groepen, die op straat
en op de omliggende heuvelen bezig waren met het braden van het
schapenvleesch, waarvan de geur de lucht vervulde. Wij vinden daar de
vertegenwoordigers van al de rassen, die het helleensche ras omringen
en zich daarmede vermengd hebben.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32 |
33 |
34 |
35 |
36 |
37 |
38 |
39 |
40 |
41 |
42 |
43 |
44 |
45 |
46 |
47 |
48 |
49 |
50 |
51 |
52 |
53 |
54 |
55 |
56 |
57 | 58 |
59 |
60 |
61 |
62 |
63 |
64 |
65