De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 by Various
V >>
Various >> De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32 |
33 |
34 |
35 |
36 |
37 |
38 |
39 |
40 |
41 |
42 |
43 |
44 |
45 |
46 |
47 |
48 |
49 |
50 |
51 |
52 |
53 |
54 |
55 |
56 |
57 |
58 |
59 | 60 |
61 |
62 |
63 |
64 |
65
Voor het huis strekt zich een groot voorplein uit, ter wederzijde door
ruime pakhuizen omgeven; het huis zelf heeft twee verdiepingen met een
houten balkon, en maakt een zeer goeden indruk. Van een klein terras,
aan de zijde van het huis, door wijngaardranken omslingerd, overziet
men het dorp en de vallei, ten zuiden begrensd door boschrijke
bergen en door de hooge toppen van den Delphi, hier en daar met
sneeuw bedekt. De avond hulde het schoone landschap reeds in eene
zachte schemering; slechts enkele hooge bergtoppen straalden nog in
den gloed der ondergaande zon.
Na een eenvoudigen avondmaaltijd, waarbij wij door aardige jonge
meisjes werden bediend en de gastvrouw zelve de honneurs waarnam,
werden wij naar de voor ons bestemde zindelijke en vroolijke kamers
gebracht, waar wij weldra in een gerusten slaap de vermoeienissen
van den dag vergaten.
De geheele volgende dag zou gewijd zijn aan het bezoeken van de
uitgestrekte bezitting, een van de schoonste en best bebouwde van
geheel Eubea. Reeds vroeg in den morgen kwam de intendant, een
zeer beschaafde jonge Zwitser, ons afhalen om ons op onzen tocht te
vergezellen. Hij bracht ons in de eerste plaats naar een groot ruim
gebouw, twaalf jaar geleden, met groote kosten, door den heer Noel
gesticht. Dit gebouw, twee verdiepingen hoog, van steenen galerijen
voorzien, en met pannen gedekt, bevat van boven de noodige bergplaatsen
voor de onderscheidene veldgewassen, en van onderen de stallen voor
de paarden en het vee.
Twee thessalische poneys, met vurige oogen en kort afgeknipte manen,
als de paarden van Phidias, stonden voor ons gereed, want het landgoed
beslaat eene oppervlakte van vele mijlen. Een gedeelte daarvan is
bosch, een ander gedeelte bouwland.
De heer Noel, die zijn leven, al zijne krachten en zijn fortuin
gewijd heeft aan de ontginning en voortdurende verbetering van dit
goed, en aan de praktische opleiding der bewoners van de beide dorpen
Achmed-Aga en Drisi, heeft niet veel vruchten van zijn onvermoeiden
arbeid mogen zien. Hij is gestorven met het treurige bewustzijn dat
zijn werk voor een groot deel vergeefs was geweest; dat het niet
zou worden voortgezet en geen voordeel zou opleveren, noch voor zijne
familie, noch voor het land, dat voor hem een tweede vaderland geworden
was. Ondanks zijne groote bekwaamheid en zijn onuitputtelijk geduld,
zijn al zijne pogingen afgestuit, zooals die van vele anderen nog lang
zullen afstuiten, op de traagheid, onwetendheid en zorgeloosheid der
bevolking, en op den meer of min bedekten tegenstand van de orthodoxe
kerk en van den staat.
De Griek is van nature geen landbouwer: zijn vurigste begeerte is, in
de stad een kleinen winkel te houden, zaken te doen, en zonder veel
inspanning veel geld te verdienen. Die koopmansaard en handelsgeest
maakt hem afkeerig van den veldarbeid, met zijne altijd terugkeerende
eischen en onzekere uitkomsten. Hij onderwerpt zich daaraan, als het
moet, als aan eene gebiedende noodzakelijkheid; maar zijn hart is
er niet bij, en hij doet weinig of liever niets om zijn toestand te
verbeteren. De boeren zijn onbekend met de allereerste beginselen
van degelijken landbouw, en gaan daarbij op inderdaad barbaarsche
wijze te werk. Daar zij, bij de weinige dichtheid der bevolking,
gemakkelijk over uitgestrekte terreinen kunnen beschikken, bebouwen
zij een stuk grond zoo lang achtereen tot het niet meer voortbrengen
kan, en gaan dan naar een ander over. Van afwisselende bebouwing
geen spoor, evenmin van bemesting. Het is in den letterlijken zin
een stelsel van algemeene uitputting en verarming van den grond,
een voortdurende roof. Geen wonder, dat het grondbezit steeds meer
onproduktief wordt. Toch bekommeren zich noch de grondbezitters, noch
de regeering om deze schandelijke, onverantwoordelijke verspilling
van den voornaamsten rijkdom des lands, en denken zij er niet aan,
daaraan paal en perk te stellen. Bovendien is het eigenlijk nog minder
uit onwetendheid, dat de boer niet wil werken en den grond behoorlijk
bebouwen, maar voornamelijk uit luiheid; hij is minder dan vele anderen
van zijn stand aan den sleur gehecht, en ook volstrekt niet afkeerig
van verbeteringen:--maar een ander moet die voor hem tot stand brengen.
Wilt ge bevloeiingskanalen graven, natte gronden droogleggen,
de grieksche boer zal zeer goed het nut dezer werken inzien en er
dankbaar gebruik van maken; maar aan zichzelven overgelaten, zal
hij hoegenaamd niets doen om die verbeteringen, waarvan hij toch de
waarde beseft, nu ook elders in te voeren; even als vroeger, zal hij
voortgaan met zijn zaad achteloos uit te werpen in de ter nauwernood
omgeploegde voren, en het voorts aan het toeval overlaten wat er van
terecht komt; of wel, hij zal rustig toezien dat het water in de lage
gronden doordringt, die het vruchtbaarst zijn en de rijkste oogsten
konden opleveren. Tot zijne verontschuldiging moet worden gezegd, dat
het belastingstelsel--en nog meer de wijze, waarop de roofzuchtige en
oneerlijke beambten bij de invordering der drukkende belastingen te
werk gaan;--niet geschikt is om den ijver en lust tot arbeid bij den
landbouwer op te wekken en aan te moedigen. De grondbelasting wordt
door de regeering verpacht, en in natura ingevorderd door beambten,
die in de provincien huishouden als in een veroverd land, en schier
geen middelen ontzien om van de belastingschuldigen zooveel af te
persen, als maar eenigszins mogelijk is. De oogst moet op het land
blijven staan, totdat de ontvanger of zijn gemagtigde tegenwoordig
is om de tiende in te vorderen. Dat deel wordt zeer ruim genomen en
vast in de zakken gestampt, zoodat hetgeen werkelijk geind wordt de
volgens de wet verplichte, toch reeds buitensporige hoeveelheid nog
aanmerkelijk overtreft. De ongelukkige boer is nu verplicht, zelf
zijn aandeel, per ezel, langs de slechtst denkbare wegen, dikwijls
mijlen ver, naar de gouvernementspakhuizen te vervoeren.
De bij die magazijnen aangestelde wachters of oppassers genieten
maar een zeer matig inkomen, omstreeks zestig drachmen per maand:
natuurlijk trachten zij dus zooveel mogelijk profijt te trekken
bij den verkoop van het graan, waarmede zij belast zijn. Het koren
wordt of met graan van minder kwaliteit, of wel met zand vermengd;
het wordt losjes en luchtigjes in de zakken gestort, en onder de
bekwame handen van den pakhuismeester leveren de tien zakken van den
boer er zonder moeite twaalf op. Dit noodlottige belastingstelsel
ruineert den grondbezitter, zonder de schatkist te verrijken, die
niet de helft ontvangt der werkelijk geinde waarde. De boeren,
van hun kant, hebben er ook geen belang bij, verbeteringen aan
te brengen en de opbrengst van hun land te vermeerderen, waarvan
toch in de eerste plaats de ontvanger profiteeren zou. Zij trachten
veeleer, zoo veel mogelijk, hunne inkomsten verborgen te houden. Zij
begraven en verstoppen hun geld, en doen zich zoo arm mogelijk voor,
ten einde niet de begeerlijkheid dier onverzadelijke roofvogels op
te wekken. Op Eubea zijn zij doorgaans zelven geen grondeigenaars,
maar pachters. De landheer ontvangt dan in den regel een derde van
de opbrengst, terwijl het overige het eigendom van den boer blijft,
die ook de belasting voldoen moet. Zoo handelde ook de heer Noel. Hij
heeft voor elk landbouwersgezin eene goede steenen woning met twee
verdiepingen en een pannen dak laten zetten; hij verschafte het zaad en
leende werktuigen en gereedschappen, die men doorgaans vergat hem terug
te geven, omdat men wist dat hij ze in den regel niet terug vroeg.
Verder rijdende, komen wij langs rijke, uiterst vruchtbare
alluviaalgronden, waarvan echter de opbrengst, naar ons de intendant
verzekert, buiten verhouding gering is: een der voornaamste
oorzaken van deze geringe opbrengst is wel het gemis van goede
gereedschappen. Overal in Griekenland gebruikt men nog een hoogst
primitieven ploeg, een soort van met ijzer beslagen paal, die den
grond nauwelijks loswoelt, maar zeer gemakkelijk te besturen en
te herstellen is. De heer Noel heeft de proef genomen met engelsche
ploegen, die dieper insnijdingen in den grond maken, en de losse aarde
omkeeren om ze aan de weldadige werking der lucht bloot te stellen;
maar de kleine, verbasterde thessalische paarden waren niet sterk
genoeg om die ploegen voort te trekken. Men probeerde het met ossen;
maar het rundvee is hier klein van stuk, slecht gevoed en zwak: de
uitkomst was al even ongelukkig. Een der ploegen brak, en de smid van
het dorp was niet in staat dien te herstellen. De koppige onwil der
boeren verijdelde alles. De heer Noel, ontmoedigd en teleurgesteld,
gaf het eindelijk op, en de ploegen worden in een schuur geborgen,
waar ik ze zag staan, door de roest verteerd.
Toen er eens eene dorschmachine te Achmed-Aga werd aangebracht,
verzetten de ontvanger en de plaatselijke autoriteiten zich tegen
het gebruik van dit werktuig, beweerende dat men op die wijze
wilde trachten een gedeelte van den oogst aan de belasting te
onttrekken. Alle redeneeringen, alle bewijzen van het tegendeel
baatten niets. De heer Noel moest de tusschenkomst inroepen van den
engelschen gezant te Athene, die van den minister eene gunstige
beschikking wist te verkrijgen; maar toen de bestemde dag kwam,
verbood de burgemeester van het dorp, in het geheim, den pachters,
hunne schoven bij den heer Noel te brengen om ze te laten dorschen,
en liet des nachts een der wielen van het werktuig stelen. De met
groote kosten aangevoerde machine moest dus ongebruikt blijven staan;
en men moest zich ook verder, voor het dorschen van het graan, tevreden
stellen met de aloude alona, den grooten geplaveiden dorschvloer,
dien men bij alle grieksche dorpen aantreft. De schoven worden op
dien dorschvloer uitgespreid; vervolgens spant men paarden voor zes
of acht smalle, ongeveer vier voet lange planken, die aan het eene
einde een weinig omgebogen zijn; boerenjongens plaatsen zich nu op die
soort van sleden, en drijven, met groot geschreeuw en veel beweging,
in onderlingen wedijver, hunne paarden voort, die in vollen galop
steeds nauwer kringen beschrijven, en de halmen, en dikwijls het
graan daarbij, verbrijzelen. Het tooneel is zeker zeer schilderachtig,
en herinnert u onwillekeurig aan de oude kampstrijden; maar bij dit
barbaarsche stelsel gaat stellig een vijfde gedeelte van het graan
verloren, en wordt het stroo geheel bedorven. Echter is het tot dusver
niet mogelijk geweest, een ander en redelijker stelsel in te voeren.
Het land is door de natuur rijk gezegend, en deze streek zou inderdaad
een der welvarendste gewesten van het koningrijk kunnen worden. Nevens
korenakkers, zien wij meekrap- en katoenplantages; in de schaduw van
fraaie olijven, tiert welig de wijngaard; maar de ranken worden niet
gesnoeid, de plantages worden niet gezuiverd, en uitgestrekte braak
liggende gronden zijn de sprekende bewijzen van de zorgeloosheid en
traagheid der bevolking. De grieksche boeren zijn zeer matig, maar
ook zeer zorgeloos: hoewel zij over weinig middelen te beschikken
hebben, nemen zij toch geld op tegen buitensporig hooge rente, en
worden zoo de weerlooze prooi van de woekeraars, die een geesel
voor het platte land zijn. Een aantal kleine boerderijen worden
door de geruineerde eigenaars zelven, ten bate van de gewetenlooze
geldschieters bebouwd. Het is inderdaad niet te verwonderen, dat de
arme drommels niet veel hart voor hun werk hebben.
Wij keeren naar de woning terug om te ontbijten. Terwijl wij aan
tafel zaten, verhaalde mevrouw Noel ons, hoe haar man eens door
eene gewapende bende van zestien roovers was overvallen geworden,
die hem ernstig verwondden en eene aanzienlijke geldsom van ettelijke
duizenden guldens ontnamen. Ondanks de zeer ernstige vertoogen van den
engelschen gezant, werden de schuldigen niet vervolgd; en hoewel de
plaatselijke overheden zeker geheel onschuldig waren aan de misdaad,
is het toch zeer waarschijnlijk dat zij er niet al te zeer over
verontwaardigd waren, en in het geheim de hoop koesterden dat de heer
Noel, voor zijne veiligheid bevreesd, het land zou verlaten. Zeide
niet de monarch van Eubea zelf: "Wij zijn er niet op gesteld, de
vreemdelingen te behouden, maar zien ze liever vertrekken." Zoowel
bij het volk als bij de ambtenaren heerscht dezelfde onwelwillende,
om niet te zeggen vijandelijke stemming tegen alle vreemden, die zich
in Griekenland willen vestigen; beiden doen wat zij kunnen om hen af
te schrikken en van hun voornemen terug te brengen, niettegenstaande
het wezenlijke belang des lands daardoor groote schade lijdt. Het is
de oude xenolasthia in al hare strengheid. De meeste vreemdelingen,
die zich op Eubea of in de andere provincien gevestigd hadden,
hebben dan ook hunne bezittingen weder verkocht en zijn naar hun
land teruggekeerd.
Na afloop van het ontbijt, stelt de intendant ons voor, een tocht
door de bosschen te maken. Prachtige woudlandschappen, heerlijke
vergezichten, ontrollen zich elk oogenblik voor onze blikken; maar
overal treffen ons de sporen der vernieling door het vuur. Doorgaans
zijn die boschbranden het gevolg van kwaadwilligheid, en nooit
gelukt het de schuldigen te ontdekken, die somwijlen door de
boschwachters beschermd, indien al niet rechtstreeks geholpen
worden. Ook dit behoort tot het stelsel van ontmoediging en
intimidatie, dat tegenover de vreemdelingen wordt in praktijk
gebracht. Meermalen gebeurt het ook, dat de zwervende, half wilde
herders, met opzet, groote uitgestrektheden bosch in brand steken,
om op den uitgebranden grond gras te laten groeien ten behoeve hunner
kudden. De plaatselijke overheden laten den brand rustig voortwoeden,
zonder iets te doen om het vuur te blusschen ofte stuiten, of om een
misdrijf te beteugelen, waarop toch de wet de strengste straffen
stelt. De Grieken maken overigens weinig werk van hunne bosschen
en wouden, en de onkundige en slecht betaalde boschwachters zijn
dikwijls, zij het ook uit zorgeloosheid en onwetendheid, de eersten
om de aan hunne zorg toevertrouwde bosschen te bederven. De houthak
wordt, naar turksche manier, verpacht: dat wil zeggen, voor acht
of tien drachmen per maand, wordt vergunning verleend om binnen
zekere bepaalde grenzen hout te vellen, naar verkiezing van den
pachter. Doorgaans velt hij het geheele perceel en veel meer dan
dat, zoodat de berg geheel van boomgewas wordt ontbloot. Men laat
hem begaan. Maar heeft men met een vreemden eigenaar te doen, die
niet geneigd is den ambtenaren de handen te stoppen, dan wordt de
uiterste nauwgezetheid en gestrengheid getoond. De eigenaar mag dan
geen enkelen zijner boomen vellen zonder uitdrukkelijke vergunning;
en die vergunning wordt, na veel talmens, niet verleend dan tegen
zekere vergoeding, waarvan het bedrag eigenmachtig door den opzichter
wordt bepaald. De heer Noel had eindelijk van de exploitatie zijner
bosschen, zelfs voor eigen gebruik, afgezien. Het klinkt ongeloofelijk,
en toch is het waar: hij kon met minder kosten timmerhout uit Syra
laten komen, dan het in zijn eigen bosschen vellen!
En toch, wat natuurlijke rijkdom gaat door deze verwaarloozing, en door
het gemis van behoorlijke wegen, verloren! Deze bosschen zijn rijk aan
prachtige platanen, aan reusachtige wilgen, aan rijzige, krachtige
dennen en vele andere houtsoorten van veelzijdig gebruik. Voor den
scheepsbouw vooral zouden deze bosschen van de grootste waarde zijn,
indien men het hout slechts naar het strand kon vervoeren.
Hoe ruw daar nu ook mede wordt omgesprongen, toch zou het land binnen
betrekkelijk korten tijd weder met bosch bedekt zijn, wanneer maar
eenige zorg werd gedragen voor het jonge hout en de uitspruitsels. Maar
neen: het jonge gewas blijft weerloos overgelaten aan alle kansen
van ondergang en verwoesting. De geiten komen met groote scharen
opzetten, en vernielen alles wat binnen haar bereik komt. Het zijn
bovenal de zwervende herders met hunne kudden, die, meer wellicht dan
iets anders, de schuld dragen van de schromelijke verwoesting en den
eindelijken ondergang van zoo menige, door de natuur toch zoo kwistig
rijk gezegende provincie, in Griekenland zoowel als in Turkije.
Ontsnappen de jonge boomen bij toeval aan de vernielende tanden dezer
schadelijke dieren, dan bezwijken zij toch doorgaans onder de ruwe
handen der inzamelaars van boomhars, die in de stammen der dennen
groote gaten hakken, en met geweld de schors afrukken, om het sap te
laten uitvloeien. De aldus verkregen hoeveelheid hars is luttel en de
winst zeer gering; bovendien, dank zij deze barbaarsche behandeling,
verdroogt en sterft de boom binnen korten tijd.--Ook de kolenbranders
dragen het hunne tot de verwoesting bij. Zij leiden een zwervend leven
en staan volstrekt niet onder toezicht; tegen het einde van Juni komen
zij bij gansche troepen in de bosschen, en hakken en verbranden naar
welgevallen, zoodat zij somwijlen gansche berghellingen van houtgewas
ontblooten.
En welke zijn van dit alles de gevolgen? Het regenwater, door niets
meer tegengehouden, stroomt met verwoestend geweld over de naakte
hellingen, doet de beeken zwellen, overstroomt de lage vlakte, en
doet daar, stilstaande, koortsen ontstaan; de temperatuur ondergaat
ingrijpende veranderingen; de bronnen drogen in den zomer op. Reeds is
er ontzettend veel kwaad gedaan en onberekenbare schade aangericht,
en er bestaat nog niet het minste uitzicht, dat hierin verbetering
komen zal. De boeren zijn onwetend en lui, en de regeering bekommert
zich niet om dergelijke zaken. De houtvesters verkoopen vergunningen
tot exploitatie der bosschen, en houden hoegenaamd geen toezicht;
van boschkultuur hebbon zij niet het minste begrip. En hoe zou dit
anders kunnen zijn, daar ook die ambtenaren met ieder nieuw ministerie
aftreden?
Den volgenden morgen, ten zes uur, verlieten wij Achmed-Aga, en
vervolgden onze reis in noordoostelijke richting, steeds de oevers
van de rivier Eileos volgende, die door een prachtig platanenbosch
stroomt, dat onze volle bewondering opwekte. Sommige reusachtige
stammen trokken bovenal onze aandacht; onder een dezer kolossale
boomen hadden honderd ruiters zonder moeite plaats kunnen vinden.
Weldra komen wij te Mantoudi, een groot dorp, dat er welvarend en
zindelijk uitziet en de zetel is van een onderprefect. De inwoners
zijn bijna allen uitgewekenen van Hydra, en hebben den eigenaardigen
bouwtrant van dat eiland naar herwaarts overgebracht. Mantoudi
vertoont dan ook een geheel ander karakter, dan de andere dorpen van
Eubea. Wij houden ons echter hier niet op, en bereiken ten tien uur
het dorp Hagia-Anna, op eene hoogte gelegen, van waar men een prachtig
uitzicht heeft over geheel de omliggende streek en over de blauwe zee,
waaruit, aan den horizon, de eilanden Skopelos en Skiathos opdoemen.
Het huis, waar wij ons ontbijt gebruiken, heeft zoo geweldig dikke
en zoo stevige muren, dat het wel tegen eene aardbeving bestand
zou zijn. Perikles maakt ons ontbijt klaar in eene kamer op de
eerste verdieping, waarin het erg naar vochtig leder en sterke boter
riekt. Wij haasten ons dus zoo veel mogelijk: te meer daar het heden
de feestdag is van Sint-Constantijn, een der meest vereerde heiligen
van de orthodoxe Kerk, welke dag ook met openbare vermakelijkheden
gevierd wordt. Dit gedeelte des eilands is beroemd om zijne dansen;
de dans, die nu door de dorpelingen word uitgevoerd, heet de sirtos,
en is, naar ik meen, niet anders dan eene choregrapische voorstelling
van de rythmische bewegingen der visschers, als zij het net op den
oever trekken.
Aan de spits ging, naar oud gebruik, de dansleider, dan volgden de
mannen, dan de vrouwen, dan de jonge meisjes en de kinderen. Men hield
elkander niet bij de hand, maar de keten werd gevormd door doeken,
die de dansers in de hand hielden: en zoo bewoog de menigte zich, in
gelijkmatige beweging, over het plein, op de maat van een zonderling
orchest, uit twee Zigeuners bestaande, waarvan de een op de fluit
speelde, terwijl de andere op een soort van tamboerijn sloeg. Hun
mager, olijfkleurig gelaat, hunne uitstekende wangbeenderen, hun lange,
gitzwarte hairen, hunne groote, donkere, diepliggende oogen, soms
zoo zonderling stralend--alles getuigde van hun indischen oorsprong.
Dicht bij de kerk stond de papas (pastoor), een grijsaard met langen,
witten baard; op zijn stok geleund, zag hij den dans aan, in gezelschap
van eenige bejaarde landlieden. Moeilijk zou men zich een vroolijker en
levendiger tooneel kunnen denken, dan die lange rij van witte tunika's,
rood zijden gordels en voorschoten, van fustanellen en borduursels
en galons, heen en weder golvende op het geluid der schelle fluit, en
het dof gegons van den tamboerijn; den achtergrond dezer prachtvolle
schilderij vormden de donkere bosschen, de dicht begroeide heuvelen
en de naakte, kantige, hier en daar met pijnboomen beplante hellingen
van den berg Kandili. Overal, op het ruime plein, vormden zich nieuwe
groepen tot den dans; de vreugde werd algemeen, en waren wij niet
gedwongen geweest met onzen tijd te woekeren, voorzeker zouden wij ons
langer hier hebben opgehouden om getuigen te zijn van dit volksfeest,
dat een zoo echt nationaal karakter vertoonde. Maar wij moesten voort,
en terwijl de dans nog in vollen gang was, draafden wij de steile
hellingen op, die zich ten noorden van Hagia-Anna verheffen.
Het landschap was hetzelfde als in den omtrek van Achmed-Aga;
wij trokken door een uitgestrekt en prachtig woud, waarin eiken en
dennen trotsch oprezen boven dicht struikgewas en eene menigte andere
boomen. Overal zagen wij granaatboomen, met hunne bruinroode vruchten
en donkergroene bladeren, myrthen met hun schitterend gebladerte,
haagdoorns met scharlakenroode vruchten bedekt. Woeste ravijnen, waarin
machtige rotsblokken op de grilligste wijze waren opeengestapeld,
openden zich langs de hellingen der bergen; nu en dan mochten wij
een blik werpen in stille geheimzinnige valleien, wegschuilende in
den lommer van breede platanen en eeuwenheugende eiken, terwijl in de
schemerende verte, door de saamgestrengelde takken en de slanke stammen
der dennen heen, de blauwe zee ons tegenblonk. Hoe hooger wij komen,
des te ernstiger en grootscher wordt de natuur om ons heen. Eindelijk,
na eene smalle vallei te zijn doorgegaan, waar tallooze watervalletjes
de lucht met muziek vervullen, komen wij aan den pas, van waar wij
tegelijk de Egeische zee, de straat van Negroponte en de golf van Volo,
die ten noordwesten diep landwaarts indringt, overzien.
Dergelijke panorama's ontmoet men schier bij elken voetstap in
Griekenland, maar men wordt niet moede ze telkens weder te aanschouwen;
ongelukkig kan geene beschrijving de schoonheid, de bekoorlijkheid
en de verscheidenheid dezer vergezichten wedergeven. Ter linkerhand
strekte zich de kast van Lokris en Beotie uit, beheerscht door de
trotsche bergketen van den Parnassus, den Kitheron en den Olympus. De
voorgebergten, half in een zilveren, doorschijnenden nevel gehuld,
verrezen achter en nevens elkander, helder afstekende tegen de effen
oppervlakte der zee, glad en glinsterend als een metalen spiegel. Hier
en daar vertoonden zich enkele witte stippen: de zeilen van zacht
glijdende vaartuigen. Voor ons, half in de wolken verloren, zien wij
de gescheurde en getande toppen van den Othrys, den Ossa en den Pelion;
meer van nabij verhief zich de Olta, waar, volgens de legende, Herakles
den brandstapel beklom; daar beneden, tusschen moerassen verscholen,
zag men de bergengte van Thermopylae. Ten noorden teekende zich de
gansche groep der eilanden boven Eubea, scherp en duidelijk, op de
onafzienbaar wijde zee. Verre weg, aan den horizon, vertoonde zich in
den nevel een grijze stip met witte punt, iets als een zwevende wolk,
verloren in de onmetelijke ruimte: dit was de thessalische Olympus, de
verblijfplaats der goden. Welke herinneringen en beelden, deels aan de
poezie, deels aan de historie ontleend, verdrongen zich hier in onzen
geest! Maar de brandende, blakerende zonnehitte maakte ons een lang
vertoeven op deze plek onmogelijk, en wij vervolgden weldra onze reis.
Nog altijd was het woud even prachtig, en vormde de zee met hare
eilanden de wonderschoone omlijsting van de heerlijke schilderij,
allengs door het ter kimme neigende licht met nieuwe kleuren en
tinten getooid. Ter linkerhand verhieven zich trotsche, soms dreigend
overhangende rotswanden; onder de hooge boomen was het fluweelen
grastapeet bezaaid met tallooze witte, gele en blauwe bloempjes, door
de natuur met kwistige hand tusschen het zacht groene mos gespreid. De
lucht was zuiver en geheel doortrokken van balsemrijke geuren; op de
takken en tusschen het gebladerte zongen en tjilpten honderden vogels;
maar boven die allen klonk de zuivere, welluidende zang van den
nachtegaal, die ons den ganschen dag door op onzen tocht vergezelde.
Na eenige oogenblikken gerust te hebben aan een kleine, onder de
platanen verscholen kani, waar wij een kop koffie gebruikten,
begonnen wij snel te dalen. Gaandeweg werd het bosch dunner;
de groote boomen maakten plaats voor kreupelhout en struikgewas;
de bergen slonken tot heuvelen; het gansche landschap scheen ons in
hooge mate eentonig en naargeestig. Misschien droeg de vermoeidheid na
een zoo langen tocht daar ook wel het hare toe bij. Wij trokken over
dit heuvelachtig, golvend terrein, onophoudelijk rijzende en dalende,
zonder een spoor van menschelijke woning of bebouwing te ontdekken,
zonder eenig levend wezen te zien, dan nu en dan een kolenbrander,
die ons alles behalve vriendelijk aanzag,--en telkens van den schier
onkenbaren weg afdwalende. De zon haastte ten ondergang; en zoo wij
door de duisternis werden overvallen, eer wij de vlakte van Oreos
hadden bereikt, dan zouden wij genoodzaakt zijn, in het bosch te
overnachten of misschien in het armzalige gehucht Kastaniotissa,
waarvan wij de ellendige hutten ter linkerhand bespeuren. Onze paarden
en lastdieren waren uitgeput van vermoeienis, en ook de agoyaten
waren alles behalve in hun schik over eene zoo lange dagreis.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32 |
33 |
34 |
35 |
36 |
37 |
38 |
39 |
40 |
41 |
42 |
43 |
44 |
45 |
46 |
47 |
48 |
49 |
50 |
51 |
52 |
53 |
54 |
55 |
56 |
57 |
58 |
59 | 60 |
61 |
62 |
63 |
64 |
65