De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 by Various
V >>
Various >> De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32 |
33 |
34 |
35 |
36 |
37 |
38 |
39 |
40 |
41 |
42 |
43 |
44 |
45 |
46 |
47 |
48 |
49 |
50 |
51 |
52 |
53 |
54 |
55 |
56 |
57 |
58 |
59 |
60 |
61 | 62 |
63 |
64 |
65
De Montenegrijn heeft van nature een waardig en hooghartig voorkomen en
een sierlijken, gemakkelijken gang: hij is zich van deze voorrechten
zeer wel bewust en poseert gaarne. Uit zijn aard is hij zeer
hoogmoedig; zijn gevoel van eigenwaarde, het bewustzijn van zijn
moed, van zijne bedrevenheid in alles wat tot den wapenhandel en den
krijg behoort, heeft althans dit voordeel, dat hij dikwijls de meest
roekelooze ondernemingen durft bestaan, die meermalen met goeden
uitslag bekroond worden. Dit volk vertoont, over het geheel genomen,
eene zonderlinge mengeling van deugden en gebreken. De Montenegrijn
spreekt luide en op hoogen toon; hij is trotsch, ongenaakbaar,
terugstootend vaak; als hij alleen over straat gaat en bespeurt dat
men hem gadeslaat, dan richt hij zich nog meer omhoog en neemt nog
fierder houding aan; en niettemin is hij goedhartig en onderdanig
tegenover zijn meerderen. Hij heeft bepaald aristokratische airs,
en toch is hij in den grond van zijn hart demokraat: want ook aan
den nederigsten zijner broederen weigert hij den vredekus niet, en
verkeert met hem op een voet van gelijkheid, die allen beleedigenden
trots buitensluit.
De nationale kleederdacht strookt uitnemend met die ingeschapen zucht
van den Montenegrijn, om zich op zijn voordeeligst voor te doen, met
zijn aangeboren liefde voor pracht en schittering, waaraan zelfs de
armsten alles ten offer brengen. Ten einde die verderfelijke ijdelheid
zooveel mogelijk te beteugelen, gaf Vorst Nikolaas, reeds in het
tweede jaar zijner regeering, het voorbeeld van vereenvoudiging in
het kostuum: hij trachtte het overmatig gebruik van kostbare stoffen,
van gouden borduursels, van prachtige pelterijen, die dikwijls het
grootste gedeelte van het vermogen van den eigenaar verslonden, te
beperken, en zoo mogelijk af te schaffen. Hij verving toen de fraaie,
zware gouden nestels van de djamadan (het over de borst gekruiste
vest), door eenvoudige zwarte koorden, die ook goed staan. Deze
pronkzucht is trouwens een kenmerk van het ras: de commissionnairs
en bestellers te Ragusa, die toch zeker niet tot de gegoede burgers
behooren, spreiden in hunne kleeding nog meer pracht en rijkdom ten
toon. De vervaardiging van deze gouden en zilveren kwasten, nestels
en koorden, waarmede de djamadans en andere kleedingstukken versierd
worden, is een der voornaamste takken van bedrijf in de groote steden
van Turkije, Servie, Bosnie, Dalmatie en Herzegowina. In de bazars
van Serajewo, Belgrado, Banjaloeka, Mostar, in Albanie, en zelfs in
die der meeste steden van Dalmatie, vindt men eene geheele straat,
uitsluitend ingenomen door de werkplaatsen en winkels der kleermakers,
die, den ganschen dag neergehurkt bij hun arbeid, deze prachtvolle
sieraden vervaardigen, welke toch voor het meerendeel door armen en
onvermogenden worden gedragen.
De Montenegrijn is niet zeer werkzaam van aard, en ziet met zekere
minachting neder op allen handenarbeid: werkeloosheid is voor hem
het teeken en het bewijs zijner persoonlijke waardigheid. Trouwens,
in alle tijden en bij alle volken, was en is nog, ondanks den
schijn dien men zich bij wijlen geeft van het tegendeel te willen,
ontheffing van persoonlijken arbeid, met name handenarbeid, het
teeken en voorrecht der aristokratie: wie met handenarbeid in zijn
onderhoud moet voorzien, stond en staat nog, in de schatting aller
volken en aller eeuwen, maatschappelijk lager dan hij, die, van deze
verplichting ontheven, zijn vermogens en tijd op andere wijze, tot
hooger doel kan besteden. In de laatste jaren zijner regeering, had
Vorst Danilo, om de schadelijke gevolgen van dezen arbeidschuwen zin te
keeren, eenige bekwame jongelieden naar het buitenland gezonden, ten
einde daar een of ander ambacht te leeren, waarin zij dan vervolgens
anderen zouden hebben kunnen onderrichten. Deze poging is mislukt;
maar overigens is in menig opzicht, in den jongsten tijd, het peil
der algemeene zedelijkheid zeer gerezen; overal heerscht volkomen
veiligheid, en de vreemdeling kan, geheel alleen, het gansche land
doortrekken, zonder vrees voor eenig gevaar.
Tot voor weinige jaren ondernamen de bewoners van het vorstendom
geregeld strooptochten in Herzegowina, Bosnie en Albanie; deze razzias,
tchetas genoemd, waren tot eene vaste gewoonte geworden, waarin
niemand iets onbehoorlijks zag. Trouwens, wij moeten billijk zijn:
het was niet enkel roofzucht of baldadigheid, die de Montenegrijnen
daartoe dreef, maar zeer dikwijls de nood, in den meest letterlijken
zin van het woord. Het arme, zoo weinig voor bebouwing geschikte
land kon menigmaal zijn bewoners niet voeden: er schoot dan geene
andere keus over, dan van honger te sterven of met het zwaard het
noodige levensonderhoud te winnen. Die keus was er geene voor den
krijgshaftigen Montenegrijn: spoedig was er eene gewapende schaar
bijeen, en men toog naar de naburige vlakten en dalen om graan en vee
te halen en met buit beladen terug te keeren, of in het gevecht met
eere te vallen. Intusschen had reeds Vorst Danilo deze strooptochten
afgekeurd, en ze met roof en diefstal gelijk gesteld; toch is er veel
inspanning en zelfs de tusschenkomst der europeesche mogendheden noodig
geweest, om aan dit schromelijk misbruik een einde te maken. Jammer
slechts, dat men, uit kleingeestigen naijver, aan Montenegro onthoudt,
wat het volstrekt noodig heeft om te kunnen leven en zich ontwikkelen:
bouwgrond in de vlakte en een haven aan de kust.
Nog eene andere eigenaardigheid zou men gaarne voor goed uit de
zeden der Montenegrijnen zien verdwijnen: de afschuwelijke gewoonte
om de lijken hunner gevallen vijanden te verminken, en hun hoofd,
neus of ooren af te snijden. De laatste souvereinen van Montenegro,
verlichte en beschaafde mannen, die gereisd hadden en de voornaamste
hoofdsteden en hoven van Europa bezocht, verheelden den afkeer niet,
dien deze barbaarsche gewoonte hun inboezemde; weldra gingen zij
verder: zij verboden de tentoonstelling dezer bloedige zegeteekenen,
en bedreigden eindelijk ieder, die betrapt werd op het verminken van
lijken of gevangenen, met de strengste straffen. Wilkinson, die in
1840 het vorstendom bezocht, zag op den toren van het klooster te
Cettinje twintig hoofden op kleine palen uitgestald. Na dien tijd
spreken de verschillende reizigers, die het land bezocht hebben, nog
steeds van de reputatie, die een of ander krijgsman zich kon verdienen
door het afslaan van een zeker aantal hoofden; ook is het zeker, dat
in de voortdurende oorlogen gedurende de laatste regeeringsjaren van
Danilo en de eerste van Vorst Nikolaas, deze bloedige gewoonte nog
steeds in zwang was;--maar sedert eenige jaren durft men toch niet
meer op dergelijke heldenfeiten in het openbaar roem dragen.
Tijdens den jongsten opstand, en gedurende den oorlog van 1875-'76,
zijn dergelijke gevallen op nieuw voorgekomen, want tusschen Turken
en Montenegrijnen heerscht een doodelijke, onverzoenlijke haat, die
alle barmhartigheid buitensluit; maar daar, waar de strijd het karakter
aannam van een regelmatigen oorlog, onder de leiding van legerhoofden,
die iets anders waren dan de aanvoerders van vrijbuitersbenden,
heeft men daarentegen zoo veel mogelijk gevangenen gemaakt, die op
dezelfde wijze behandeld werden als de krijgsgevangenen in Europa. In
Herzegowina is van dezen regel zeer dikwijls afgeweken; en ik zelf
heb, in Bosnie, aan een der turksche voorposten langs de servische
grens, twee afgehouwen hoofden van rajas bij de hairen opgehangen
gezien. Toen ik eene teekening van dien post met deze afzichtelijke
zegeteekenen wilde maken, liep ik zelf ernstig gevaar, door de Turken
mishandeld te worden; enkel omdat ik mijn album had geopend, werd ik
door turksche soldaten naar de oostenrijksche grenzen gevoerd.
Een engelsch reiziger, Tozer, meent dat de bergbewoner zijn
gesneuvelden vijand het hoofd afslaat, met geen ander doel dan om
een zichtbaar teeken van zijne overwinning te kunnen toonen. "Maar de
Turken hebben ons het voorbeeld gegeven," zeggen de Montenegrijnen; en
mijne eigene ervaring heeft mij geleerd, dat overal waar Mohammedanen
en Christenen op het slagveld tegenover elkander staan, in Europa
zoowel als in Azie of Afrika, de eersten steeds de afschuwelijke
gewoonte van het onthoofden der lijken of gewonden hebben toegepast.
De vreemdeling, die de servische taal niet verstaat, en dus, verstoken
van de gelegenheid om met het huiselijk leven bekend te worden, het
montenegrijnsche gebied maar in der haast doortrekt of er slechts
korten tijd vertoeft, loopt groot gevaar, zich eene geheel valsche
voorstelling te vormen van den toestand en den werkkring der vrouw
in het vorstendom. Indien hij enkel naar den uiterlijken schijn
oordeelt, zal hij kwalijk anders kunnen dan haar beklagen dat zij
ooit geboren werd. En inderdaad moet het gezicht dier lange rijen van
uitgeputte, afgesloofde vrouwen, die, met zware vrachten beladen,
tegen de steile bergpaden op- en afklauteren, alsof zij lastdieren
waren, wel bovenal doen denken aan een toestand van slavernij;
terwijl ook de houding van den man tegenover haar, zijne minachting
of liever volkomen onverschilligheid als hij hare tegenwoordigheid
zelfs niet schijnt op te merken, een duidelijk bewijs is voor hare
ondergeschikte maatschappelijke stelling. Maar wie niet aan deze
uiterlijke teekenen blijft hangen, en inlichtingen vraagt bij de meer
verlichte en beschaafde Serviers, die met den werkelijken toestand
goed bekend zijn, zal al spoedig ontwaren, dat de montenegrijnsche
vrouw, in den schoot der familie, velerlei vergoeding vindt voor de
haar opgelegde taak, die zeker zwaar is, maar toch haar zelve lang
zoo zwaar niet valt, als wij, in gansch andere omgeving en geheel
anderen kring van denkbeelden opgevoed, dit wel meenen.
Het is niet tegen te spreken, dat de geboorte van eene dochter door het
gezin als een ongeluk, of minstens als eene groote teleurstelling wordt
beschouwd; men heeft daar, niet zeer lang geleden, nog een merkwaardig
voorbeeld van kunnen zien. De Vorst telt onder zijn zeven kinderen
maar een zoon; en toen de keizer van Rusland, bij gelegenheid dat
de bevalling der Vorstin werd tegemoet gezien, had beloofd peter te
zullen zijn van het verwachte kind, werd de adjudant van den Tsaar
door het volk vrij koel ontvangen, omdat het jonggeboren kind, tot
groote spijt van het publiek, een meisje was.
De geboorte van een jongen verwekt daarentegen de grootste vreugde,
die zich op allerlei wijze openbaart: geweerschoten weerschallen door
het gebergte; al de buren worden uitgenoodigd tot het feestmaal;
overal heerscht opgewekte vroolijkheid, en ieder spreekt de beste
wenschen uit: zeer karakteristiek is daaronder zeker de wensch, die
den jonggeboren knaap wordt toegebracht, dat hij niet in zijn bed
moge sterven. Is er daarentegen eene dochter geboren, dan treedt de
vader op den drempel zijner woning, en vraagt, met neergeslagen oogen,
verschooning aan zijn vrienden en geburen; hij verontschuldigt zich,
hij durft bijna niet bekennen wat er gebeurd is, maar ieder bespeurt
het aan zijne blijkbare teleurstelling. Geschiedt het eenige malen
achtereen dat de echtgenoote, in plaats van den vurig verlangden
erfgenaam en aanstaanden soldaat, haren man slechts dochters schenkt,
dan moet zij, volgens eene oude volksoverlevering, zeven priesters
tot zich roepen, die gewijde olie door het huis sprenkelen, en den
drempel wegnemen van de deur der woning, die op den bruiloftsdag
betooverd werd.
Het jonge meisje wordt in huis opgevoed, waarbij zeker van geenerlei
vertroeteling sprake kan zijn; maar dit neemt niet weg, dat ook het
dochtertje deelt in al de zegeningen der moederzorg en moederlijke
tederheid--en de slavische vrouwen zijn zorgvolle en tedere moeders
bij uitnemendheid. Zoo lang zij zelve niet gehuwd en moeder van een
gezin is, moet het montenegrijnsche meisje al het huiswerk, ook het
zwaarste en ruwste, verrichten en deelen in al de ontberingen en
ongemakken van dit aartsvaderlijke, harde leven. Dagelijks moet zij,
aan de dikwijls hoog in het gebergte gelegen bron, het watervat gaan
vullen; voorts moet zij in het bosch, of langs de hellingen en in
de kloven der rotsen, hout gaan kappen; eindelijk moet zij het maal
gereedmaken voor haren heer en meester, die in de zon zit te rooken,
wandelt of ter jacht gaat. Behalve deze huishoudelijke bezigheden,
breit zij kousen en vervaardigt warme kleedingstukken voor den winter;
zij spint en borduurt ook, maar haar borduursels zijn veel minder
fraai dan die der dalmatische vrouwen. De jonge meisjes zijn hier
niet, als bij ons, het voorwerp van allerlei attenties en beleefde
hulde; niemand denkt er aan, haar het hof te maken. De natuurlijke
aantrekking tusschen de beide geslachten bestaat hier--het behoeft niet
gezegd--zoo goed als elders; maar die zekere aangeboren koketterie,
die maakt dat iedere vrouw zich in haar hart gevleid en gestreeld
voelt door de hulde welke een man haar bewijst,--ook al meent zij
zich voorzichtiglijk daaraan te moeten onttrekken--deze kent de
montenegrijnsche vrouw eigenlijk niet. Even als zij zich niet vernederd
gevoelt door den toestand van dienstbaarheid, waarin zij verkeert,
zoo schijnt zij zich ook niet te verhoovaardigen op de bewondering,
die haar somwijlen bewezen wordt; zelfs kwam het mij meermalen voor,
dat de schoonste vrouwen zekeren angst en beklemming gevoelden,
als een vreemdeling, door hare schoonheid getroffen, zijn oogen op
haar gelaat vestigde. De montenegrijnsche vrouw erkent geene andere
liefde, dan die door het huwelijk gewettigd en geheiligd wordt; zoo
de verleider ongezind mocht zijn, het gepleegde misdrijf weder goed
te maken, zou hij zijn vergrijp zwaar, misschien wel met het leven,
boeten. Trouwens, zulke gevallen zijn hoogst zeldzaam; de vrouwen
worden alom ontzien; ge zult ze overal, op de eenzaamste plaatsen, in
de bosschen, op de bergen, alleen ontmoeten, en niemand denkt er aan,
hoe jong en weerloos ze ook mogen zijn, haar eenige beleediging aan te
doen. En toch treft men onder de montenegrijnsche meisjes typen aan
van uitnemende schoonheid: slanke, heerlijk gevormde gestalten, fijn
besneden zachte gelaatstrekken, met dien onuitsprekelijk bekoorlijken
mat-bleeken tint der oostersche vrouwen, waaraan de groote donkere
oogen, door lange zwarte wimpers overschaduwd, eene zoo wondervolle
uitdrukking bijzetten.
Vroeger was het vrij algemeen de gewoonte, om de kinderen, reeds in
de wieg, met elkander te verloven: daardoor werden tusschen twee
bevriende familien nieuwe banden, die ook voor de toekomst zouden
gelden, gevlochten. Naar men mij verzekert, begint deze gewoonte steeds
meer in onbruik te geraken. De montenegrijnsche meisjes huwen tusschen
haar zestiende en twintigste jaar; de jonge mannen treden doorgaans
tusschen hun twintigste en vijf-en-twintigste jaar in het huwelijk,
ondanks het montenegrijnsche spreekwoord, volgens hetwelk zij eene
vrouw nemen zoodra zij het zwaard omgorden. Heeft de jonkman zijne
aanstaande gekozen, dan moeten zijne ouders en naaste bloedverwanten,
in familieraad vereenigd, die keuze goedkeuren; is deze goedkeuring
verkregen, dan gaat hij, zeer vroeg in den morgen, in stilte de
hand van het jonge meisje vragen: want de Montenegrijnen, ovenals
alle Serviers, zijn zeer teergevoelig en willen niet gaarne dat eene
mogelijke weigering in het dorp bekend worde; maar het spreekt van
zelf, dat de toestemming der familie niet gevraagd wordt, zoolang de
jongelui het onder elkander niet eens zijn geworden. Daarna worden
over en weder bezoeken afgelegd; doch eerst bij het derde bezoek
ontmoet de verloofde zijne aanstaande vrouw, en mogen zij elkander de
gebruikelijke geschenken ter hand stellen. Het jonge meisje krijgt
muilen, en de jonkman ontvangt in ruil een door zijne uitverkorene
geweven en geborduurd hemd. Tot op den dag der bruiloft mag hij de
woning zijner aanstaande niet meer betreden; die dag wordt in eene
bijeenkomst der beide familien bepaald. Deze bijeenkomst, de svila
(zijde) genoemd, heeft doorgaans drie weken voor de inzegening plaats;
daarbij wordt ook het getal der te noodigen gasten vastgesteld, en de
som bepaald, die voor bruidsgeschenken zal worden besteed. De bruigom
is daarbij niet tegenwoordig; maar hij weet dat de svila gehouden
wordt, en inmiddels moet hij twee kleine vaatjes brandewijn (raki)
ten geschenke zenden, een aan zijne bruid, en het andere aan hare
ouders. Zoodra do svila is afgeloopen, worden de genomen besluiten
ter kennisse van de bruid gebracht door drie afgevaardigden, die haar
tevens linnen voor hemden, zijde om te borduren en een klein goudstuk
aanbieden; daarop drinken de drie bloedverwanten van den jonkman met
die van de bruid van den gezonden raki. Ten slotte worden de ringen
gewisseld en de verloving heeft plaats gehad. In sommige streken van
Montenegro biedt de jonkman zijner verloofde een appel aan; wanneer
zij dien aanneemt, is zij met hem verbonden; van dat oogenblik af
danst zij niet meer in eenig gezelschap; zij gaat niet meer alleen
uit en leeft teruggetrokken, zich geheel aan het huiswerk wijdende.
Zoo een jong meisje van die gewoonte afweek en na hare verloving
voortging, niet met de jonge mannen te koketteeren,--want dat doet
zij nooit--maar eenvoudig aan hunne uitspanningen deel te nemen,
dan zou dit een voldoenden grond opleveren voor de verbreking van het
engagement. En zoo iets kan zeer ernstige gevolgen na zich sleepen. Er
zijn enkele gevallen voorzien, zooals, bijvoorbeeld, blindheid, waarin
het geoorloofd is, het eenmaal gegeven woord terug te nemen, zonder
dat dit aanleiding mag geven tot eene vendetta; maar in dat geval,
geeft hij of zij, die door de ramp getroffen wordt, den ander zijne
vrijheid weder;--en zeer zeker ligt er iets zeer edels en verhevens
in de zwijgende onderwerping van hem of van haar, die, zonder deze
vrijwillige kwijtschelding, het gegeven woord gestand zou doen.
Van alle servische landstreken, waar in hoofdzaak dezelfde gebruiken
heerschen, zijn het bepaaldelijk Montenegro en Herzegowina, waar een
verbreken van het gegeven woord zeer euvel wordt opgenomen. Ik heb
eenigen tijd in de Militaire Grenzen doorgebracht, en ik weet dat
daar, voor het verbreken van een engagement, eene schadevergoeding in
geld kan worden gegeven. Maar hier gaat dat niet: weigert de jonkman
zijn eenmaal gegeven woord gestand te doen, dan neemt de beleedigde
partij haar toevlucht tot de wapenen, en menigmaal wordt bittere en
bloedige wrake geoefend. In sommige streken van Dalmatie moet het
jonge meisje, als zij het engagement verbreekt, dubbel de waarde
vergoeden der geschenken, die zij ontvangen heeft.
Het is bekend, dat de grieksche Kerk het huwelijk tusschen
bloedverwanten tot den vierden graad ingesloten verbiedt; de
Montenegrijnen zijn op dit stuk nog strenger dan hunne Kerk: de
gewoonte verbiedt bij hen zelfs huwelijken tusschen familieleden
in den negenden graad. Jongelieden, die tot denzelfden clan, tot
hetzelfde geslacht, behooren, mogen niet met elkander trouwen, al
bestaan zij elkander ook slechts in den twintigsten graad.
De huwelijksplechtigheden zijn zeer ingewikkeld, en het volk hecht
daaraan zeer groote waarde; zij vertoonen een zeer eigenaardig
karakter: alles heeft eene symbolische beteekenis, en deze gebruiken
worden sedert eeuwen zeer nauwgezet nageleefd. Eene uitvoerige
beschrijving zou ons te veel afleiden en meer ruimte vorderen, dan
waarover ik beschikken mag; ik zal slechts op enkele merkwaardige
bijzonderheden wijzen, die ons in gedachte terugvoeren tot de
alleroudste tijden en een diepen zin hebben. Als de jonggehuwde vrouw
den drempel der echtelijke woning betreedt, biedt men haar eene kleine
tarweschoof aan en een bord vol broodkruimels, welke voorwerpen zij
op de tafel in de eetkamer nederlegt; zij zelve brengt een brood mede,
als symbool van den rijkdom, dien de jonge vrouw in hare nieuwe woning
aan moet brengen. Bij alle Serviers, en dus ook in geheel Montenegro,
is het de gewoonte dat de jonge vrouw, bij hare intrede in de nieuwe
woning een knaapje bij de hand voert, hetwelk zij vervolgens boven
haar hoofd in de hoogte heft en driemaal laat omdraaien: met dien
knaap worden voorspoed en kracht het deel van het aanstaande gezin.
VIII.
De inrichting der familie is bij de Montenegrijnen, in hoofdzaak,
dezelfde als bij alle Zuid-Slaven: ook zij leven in groote
gezinnen, in groepen van verwanten van zeer onderscheiden graad,
die een gemeenschappelijken stamvader hebben; een dorp bestaat uit
een zeker aantal dezer groepen. In Slavonie en Kroatie dragen deze
familiegroepen den naam van zadruga, hetgeen in het servisch maatschap
of vereeniging beteekent; overigens verschilt de naam eenigszins in
de onderscheidene streken van het Balkan-schiereiland. Wij bepalen
ons hier tot Montenegro, waar het geslacht of de maatschap zelve den
naam draagt van dom (huis), het hoofd van het gezin dien van domacin,
en zijne vrouw dien van domacica.
Als een jong meisje, door haar huwelijk, in een ander geslacht, dat van
haar man, overgaat, dan heet het geslacht, waaruit zij zelve afkomstig
is, niet langer haar dom (huis), maar haar rod (verwantschap). Die
gezinnen of familien bestaan uit een zeker aantal personen, dat niet
overal hetzelfde is. De heer Bogisic, die van deze zaak bepaaldelijk
zijne studie heeft gemaakt, meent dat in Montenegro eene familie
gemiddeld tusschen de twintig en vijf-en-twintig personen telt.
Het hoofd van zoodanig gezin oefent volstrekt geene onbeperkte
macht uit; hij wordt door de leden der familie gekozen, zoodat
de noodzakelijke onderwerping van ieder lid aan zijn gezag altijd
het karakter van vrijwillige gehoorzaamheid behoudt en dit gezag
zelf zijne grenzen heeft. In Montenegro, dat nimmer aan de turksche
tirannie onderworpen werd, zijn de oude inrichtingen nog bijna geheel
ongeschonden in stand gebleven, zoodat men hier de uitnemendste
gelegenheid vindt om de antieke organisatie der servische familie
te bestudeeren.
Het doel der gemeenschap is in de eerste plaats de exploitatie van
aller gemeenschappelijk bezit, ten meesten bate van allen te zamen
en van ieder in het bijzonder. De akkers, de weilanden, de tuinen,
de landbouwwerktuigen en gereedschappen vormen het gemeenschappelijk
en onvervreemdbaar eigendom der familie. Hot opperhoofd, de domacin,
wordt door de mannelijke leden der familie gekozen; hij behoeft
niet juist altijd de oudste te zijn, want hoewel de Serviers in
hooge mate eerbied voor den ouderdom gevoelen, wordt er toch in
het hoofd der familie bovenal kracht, zelfstandigheid en energie
vereischt. Niettemin behoudt toch, wanneer een jonger lid der familie,
uitmuntende door zijne bekwaamheden, met de leiding der zaak belast is,
de oudste in jaren voor het uiterlijke de waardigheid en het officieel
gezag. Doorgaans volgt de oudste broeder zijn overleden broeder
op, zooals de oudste zoon zijn vader; echter kan zelfs eene vrouw,
indien zij de noodige talenten bezit, gekozen worden; nog meer: eene
ongehuwde dochter zou, in geval van zeer buitengewone bekwaamheid, met
de opperste leiding der zaken belast kunnen worden; maar in dat geval
voert zij niet den officieelen titel, die dan gedragen wordt door den
zoon, den rechtstreekschen erfgenaam, al is deze ook nog een zuigeling.
De verkiezing van een familiehoofd geschiedt altijd met zekere
plechtigheid, waarbij ook de kerkelijke wijding niet ontbreken mag:
meestal heeft deze ceremonie plaats op Kerstdag. De domacin presideert
de familie-vergaderingen en vertegenwoordigt de algemeene belangen
der gemeenschap; hij voert het beheer, oefent het toezicht uit, en
is bevoegd te straffen. Hij doet de noodige uitgaven en inkoopen;
beheerder van het gemeenschappelijk familiegoed, mag hij daar niets
van afnemen, zelfs niet voor zijn onderhoud of dat zijner kinderen. De
eer des huizes is aan zijne hoede toevertrouwd; en is bekwaamheid
noodig, niet minder is moed een vereischte: want wij zijn in een
land, waar familieveeten zeer dikwijls tot bloedige conflicten
kunnen leiden. Niettemin moet hij zoo lang mogelijk trachten, den
vrede te bewaren, de geschillen uit den weg ruimen, de weduwen en
weezen beschermen. Allen bewijzen hem de verschuldigde eer: hij
zit op de hoogste plaats aan het hoofd der tafel en bedient al de
gasten; als hij de woning binnentreedt, rijzen alle aanwezigen van
hunne zitplaatsen op. Geene uitspanning, geen spel of gezang in den
kring der familie is geoorloofd zonder zijne toestemming; zelfs mag
men in zijne tegenwoordigheid niet rooken, zonder dat hij door een
teeken daarin bewilligd heeft. Echter is zijne rechtsmacht over de
leden der familie verre van onbeperkt; hij mag geene getrouwde vrouw
berispen of straffen; ook behoort hij geen man, in tegenwoordigheid
eener vrouw, verwijtingen te doen, ten einde het beginsel des gezags
ongerept te handhaven. Begaat een der leden een of ander vergrijp
of misdaad, dan wordt de schuldige, die natuurlijk volgens de wet
des lands gestraft wordt, in den regel door een besluit der familie
uitgeworpen. De vergadering dezer familiehoofden benoemt de kandidaten
voor de hooge staatsambten, wanneer de algemeene volksvergaderiug
bijeen wordt geroepen.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32 |
33 |
34 |
35 |
36 |
37 |
38 |
39 |
40 |
41 |
42 |
43 |
44 |
45 |
46 |
47 |
48 |
49 |
50 |
51 |
52 |
53 |
54 |
55 |
56 |
57 |
58 |
59 |
60 |
61 | 62 |
63 |
64 |
65