De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 by Various
V >>
Various >> De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32 |
33 |
34 |
35 |
36 |
37 |
38 |
39 |
40 |
41 |
42 |
43 |
44 |
45 |
46 |
47 |
48 |
49 |
50 |
51 |
52 |
53 |
54 |
55 |
56 |
57 |
58 |
59 |
60 |
61 |
62 | 63 |
64 |
65
De domacin kan op eigen gezag geene besluiten van ingrijpenden aard
nemen; maar als beheerder van het familiegoed heeft hij eene zeer
groote macht; strikt genomen, mag hij van dat goed vervreemden en
eerst daarna rekenschap afleggen. Om hem af te zetten, is volstrekte
eenstemmigheid in den familieraad noodig. Blijkbare ongeschiktheid,
te hooge leeftijd, dronkenschap of wel verregaande verwaarloozing
der hem toevertrouwde belangen, mogen als voldoende redenen voor
afzetting worden beschouwd. Deze daad moet, uit eerbied voor het
karakter der instelling, mede met zekere plechtigheid geschieden. Is
eenmaal tot afzetting besloten, dan rijst de oudste der familie, des
avonds, na afloop van den maaltijd, in aller tegenwoordigheid op,
somt in aller naam de grieven op, die men tegen den domacin heeft,
en maant hem aan, zijne waardigheid neder te leggen, opdat daarna
een ander in zijne plaats gekozen worde.
De domacica, de vrouw van den domacin, behoudt hare waardigheid
ook na den dood van haar echtgenoot, en geniet in haar kring eene
hooge onderscheiding. Zij voert het bestuur over de huishouding en
ontvangt de opbrengst van de melkerij en van den hoenderhof, die zij
vervolgens aan den domacin ter hand stelt; zij verdeelt het door de
vrouwen en meisjes te verrichten werk, en wijst ieder hare bepaalde
taak aan. Zij heeft ook het oppertoezicht over de opvoeding, leert
de kinderen hunne gebeden, onderwijst hen bij hun werk en houdt hun
hunne plichten voor; in de lange winteravonden vergadert zij ze om
haar schoot en verhaalt hun de wondervolle overleveringen, die zij
zelve ook van hare moeder geleerd heeft: de oude volksverhalen, de
nationale liederen, die de geschiedenis van het volk van Montenegro
bevatten, en waaraan ieder stamhoofd, iedere Vorst eene bijdrage
toevoegt, aldus den schat vermeerderende der zoo geliefde nationale
pesmas. Ook jegens de overledenen heeft de domacica plichten te
vervullen: elken zaterdag gaat zij naar het kerkhof of naar de mis
voor de afgestorvenen; zij is het ook, die het gebed voor de dooden
uitspreekt, een der meest aangrijpende tooneelen, die mij tijdens
mijn verblijf onder de Zuid-Slaven getroffen hebben.
Wij willen thans kortelijk de verplichtingen en voorrechten van de
leden dezer cooeperatieve vereenigingen--want dat zijn die familien
eigenlijk--opnoemen. Elk lid heeft zijn aandeel in de winsten;
hij heeft recht op voeding, huisvesting en kleeding, die voor
gemeenschappelijke rekening verschaft worden. De vereeniging kent noch
graden, noch privilegien; maar de leeftijd en de sekse kunnen de aan
ieder toekomende rechten binnen zekere grenzen beperken. Zoodra hij
zijn achttiende jaar volbracht heeft, mag een jonkman mede zijne
stem uitbrengen; tevens verkrijgt hij daardoor het recht op het
hem toekomende deel van de winst. Gewoonlijk nemen de vrouwen geen
deel aan de beraadslagingen; slechts in buitengewone gevallen wordt
haar gevoelen gevraagd, zoo als bij voorbeeld, als er sprake is van
verhuizing of van den verkoop van het familiegoed. De familieraad
wordt steeds des avonds gehouden, na afloop van den maaltijd, als
de arbeid geheel ten einde is; des zomers vergadert men in de open
lucht. De domacin doet verantwoording van het door hem gevoerde
beheer; het gaat in die vergadering doorgaans zeer kalm en rustig
toe; de minderheid, zoo zij er is, onderwerpt zich zwijgend aan de
beslissing der meerderheid; in den regel wordt er zelfs in het geheel
niet gestemd: de overgelegde rekeningen worden goedgekeurd, en de
voorstellen omtrent de verdere exploitatie van het gemeenschappelijk
kapitaal bij akklamatie en zonder tegenspraak aangenomen. Maar men
verwacht nu ook van den domacin, wien zoo groot vertrouwen geschonken
wordt, dat hij niet, zonder vooraf hare toestemming te vragen, bij
koop of verkoop tot eenigszins aanzienlijk bedrag, of op andere wijze,
de maatschap geldelijk verbinden zal. Daar de huwelijken in Montenegro
aan zekeren regel onderworpen zijn--zoodat, bij voorbeeld, de oudere
dochter voor de jongere moet trouwen, en de huwbare dochters voor de
zoons--moet de domacin voor de handhaving van dien regel zorgen en
niet al te spoedig en te onbedacht zijne toestemming geven tot eene
nieuwe echtverbintenis, omdat elk jonggetrouwd paar een nieuwe last
is voor de vereeniging.
Doch ook een nieuwe bron van inkomst: want elke winst die, op
welke wijze ook, aan een der leden te beurt valt, moet der geheele
vereeniging ten goede komen; en wie op dit stuk bedrog zou willen
plegen, zou uit de gemeenschap geweerd kunnen worden. Niemand mag,
behoudens in enkele nauwkeurig omschreven gevallen, een eigen spaarpot
hebben: zoo behoort, bij voorbeeld, de in den krijg behaalde buit aan
den overwinnaar; zoo behouden ook de popen, leden eener familie, wat
zij persoonlijk ten geschenke ontvangen, maar hunne vaste inkomsten
worden bij het algemeene kapitaal gevoegd. Zoolang echter een lid der
vereeniging op reis is, wordt hij beschouwd als tijdelijk daar niet
toe te behooren, en hetgeen hij gedurende zijne afwezigheid verdient,
blijft zijn persoonlijk eigendom. Even als elke muzelman eenmaal in
zijn leven ter bedevaart naar Mekka moet gaan, zoo krijgt ook ieder
Montenegrijn van de familie vergunning om naar den berg Athos te
trekken, naar die beroemde grieksche kloosters, ten deele door de oude
servische koningen gesticht. De bepalingen en regels omtrent de positie
der afwezige leden zijn verschillend in de onderscheidene provincien,
en worden doorgaans bij speciale overeenkomst vastgesteld. Wie, in
tijd van nood of tegenspoed, uit eigen middelen aan zijne vereeniging
geld geeft, mag op de terugbetaling dier som geene aanspraak maken;
maar dikwijls geeft de vereeniging, als zij in betere omstandigheden
komt, uit eigen beweging het geleende met interest terug.
Welke is nu, met uitzondering altijd van de domacica, de stelling
der vrouwen in dit gezin? Ik zeide hierboven reeds, dat men tot het
intieme leven van de Montenegrijnen moet doordringen, om zich te
overtuigen dat de vrouw, die schijnbaar de taak van een lastdier
vervult, toch in zekeren zin met eerbied en verschooning bejegend
wordt: haar toekomst is verzekerd, en over hare belangen waakt
de familie met groote zorg. De vrouw torscht zware vrachten op de
wegen, maar bij den veldarbeid valt haar de lichtste taak ten deel:
de man ploegt, maait en dorscht het graan; zij bindt de garven
en houdt de nalezing. Binnenshuis neemt zij aan den arbeid deel,
zoodra haar leeftijd dit eenigszins toelaat; de bezigheden worden
onderling verdeeld; de vrouwen loten onder elkander, wie op het veld
en wie in huis zullen arbeiden. Ieder heeft de zorgen voor hare eigene
onmiddellijke verwanten: in de eerste plaats voor den echtgenoot, dan
voor de kinderen, eindelijk voor de ongehuwde broeders en zusters. Een
jong meisje moet noodwendig een bruidschat, hoe gering ook, mede ten
huwelijk brengen; en om haar gelegenheid te geven dien te verdienen,
mag zij elken dag eenige uren voor zich zelve arbeiden; hetgeen zij
met dien arbeid verdient, vormt haar bruidschat. In geen geval mag
de echtgenoot zich daarvan meester maken. Zij behoudt evenzeer de
erfenis harer ouders, die nooit bij de massa gevoegd wordt. Die fraaie
muntstukken, die de vrouwen op de borst dragen, die prachtige, dikwijls
smaakvol bewerkte juweelen en sieraden, die zware oorhangers, die
rijk versierde gordels, die tot het vrouwelijk kostuum behooren, zijn
haar persoonlijk eigendom en gaan bij erfenis van de moeder op hare
dochters over. Voor zoo ver de vrouw met en in de vereeniging arbeidt,
behoort natuurlijk de vrucht van dien arbeid ook aan de maatschap;
maar als deze arbeid stilstaat, en zij elders hare diensten verhuurt,
dan blijft hetgeen zij op die wijze verdient haar eigendom. Doorgaans
worden ook de regelen der vereeniging met zekere toegevendheid ten
aanzien van de vrouwen toegepast; en de domacica kan haar zekere
voordeelen en tegemoetkomingen verschaffen, waarop niemand aanmerking
maakt. Zij ontvangen haar schoenen, haar hoofddeksel en haar mantel van
de vereeniging; bovendien worden alle kleedingstukken in het huis zelf
vervaardigd; voor bloote sieraden moet ieder in het bijzonder zorgen.
Wij zien hieruit, dat, ondanks de uiterlijke schijn het tegendeel
zou doen vermoeden, het lot der vrouwen in Montenegro niet zoo hard
is; dat zij in de familie ongeveer dezelfde rechten genieten als
de mannen, en met achting en onderscheiding behandeld worden. Maar
de vreemdeling, die zich eensklaps ziet overgeplaatst te midden van
geheel andere zeden en gewoonten, loopt altijd groot gevaar door den
schijn misleid te worden, en dat te meer wanneer het, zoo als hier,
niet gemakkelijk valt tot het intieme leven der bewoners door te
dringen. Iemand, die de gave bezat van nauwkeurige waarneming, de
reiziger Wilkinson, heeft zijn gevoelen in deze woorden uitgesproken:
"In Turkije zoowel als in Montenegro, is de man despoot, en de vrouw
slavin; het eenige onderscheid tusschen de beide landen is, dat de
vrouw in het eene een voorwerp is van de voorbijgaande gunst des mans,
een der noodige meubels van zijn huis, ongeveer gelijk staande met de
paarden in zijn stal; terwijl zij in het andere het lastdier is van den
man en voor hem den zwaarsten arbeid verricht. Maar de montenegrijnsche
vrouw heeft het voorrecht, in eene christelijke maatschappij te leven;
en hoe zwaar de taak ook moge zijn, die op hare schouders rust, zij is
toch altijd de levensgezellin van haren man, en niet eene der slavinnen
in zijn harem. Zij is zijne echtgenoote, de eenige moeder zijner
kinderen. Zij vindt eene groote vergoeding voor haar moeilijk lot in
de liefde harer zonen, die in dit land misschien inniger aan hunne
moeder gehecht zijn dan in eenige andere beschaafde maatschappij."
Ik durf verder gaan:--en zonder te spreken van zoo menig bewijs van
innige liefde, hartelijke gemeenschap en volkomen gelijkheid tusschen
man en vrouw, dat ik gelegenheid had op te merken, durf ik beweeren,
dat de stelling der montenegrijnsche vrouw, hetzij gehuwd of ongehuwd,
beter gewaarborgd is dan die van hare zusters in Frankrijk en Engeland,
of in de meest beschaafde landen van Europa. Ziehier het bewijs. Is
de jonge vrouw, bij haar huwelijk, uit het familieverband, waarin zij
geboren werd, uitgetreden, om in dat van haren man over te gaan, dan
laat daarom haar familie haar niet geheel los. Werden hare rechten in
hare nieuwe familie miskend en geschonden, dan zouden de leden harer
eigene familie steeds gereed staan om hare belangen te bepleiten,
haar te verdedigen, des noods te wreken. Weduwe geworden, kan zij tot
hare eerste familie terugkeeren, die haar met vreugde ontvangt. Nooit
en in geen geval blijft zij alleen, zonder steun of hulp aan haar lot
overgelaten, nooit ontbreekt het haar aan een tehuis, waar zij veilig
kan inkeeren; zelfs in weerwil van het nieuw ingevoerde geschreven
recht, blijft het volk ten deze de aloude, voorvaderlijke traditien en
inzettingen in eere houden. Elke beleediging, een meisje, eene vrouw of
weduwe aangedaan, vordert bloed, tenzij de vergoeding worde gegeven,
door de familie geeischt, welke de in haar schoot geboren dochter
nooit uit het oog verliest en nooit aan haar lot overlaat. Weeze
geworden, vindt zij een vader in iederen huisvader, tot de vereeniging
behoorende; haar broeder zal haar uithuwen, en zoo niet, zal hij zelf
ongehuwd blijven, om haar het leven aangenaam te maken. Ik zou nog
verder kunnen gaan, en nog meer feiten kunnen aanvoeren ter eere
van dat servische volk, waarvan niettemin de mannen, als zij van
hunne vrouwen spreken, tot onze groote ergernis zich steeds aldus
uitdrukken: Da prostite moja xena (Mijne vrouw, met uw verlof!),
zoo als een normandische boer ter nauwernood van zijn varken zou
spreken. Maar ik meen door het boven aangevoerde der waarheid hulde
te hebben gedaan en, naar ik hoop, iets te hebben bijgedragen tot een
billijker oordeel over de zeden dezer bergbewoners, waaromtrent zoo
velen, zij het ook volkomen te goeder trouw, in zonderlinge dwaling
hebben verkeerd, of althans eenzijdig geoordeeld.
Toch, ondanks de dikwijls tedere zorg, waarmede in de familie,
krachtens het oude traditioneele gewoonterecht, voor de belangen der
vrouw gezorgd wordt, komt het in niemand op, de van God gestelde
ordening om te keeren en de vrouw in alles tot de gelijke van den
man te maken. Hij is en blijft de meerdere. De montenegrijnsche
vrouw mag zich nooit met de zaken van haren man bemoeien; hij zal
nooit van haar, zij nooit van hem tegenover derden spreken, noch
ook hem bij zijn naam noemen. Zij zal zoo zeer alle betooningen van
tederheid en liefde verbergen, dat ge, bij eene familie binnentredende,
nooit kunt ontdekken, in welke betrekking de daar aanwezige personen
tot elkander staan. De man kan ruw en heftig wezen, en hij zal dit
ook somtijds zijn; hij moet zelfs tegenover zijne vrouw eene koude,
minachtende onverschilligheid toonen: dat behoort tot zijn rol, dat
eischt zijne waardigheid als man. Nooit gaat hij met zijne vrouw uit,
tenzij dan dat de geheele familie bijeenkomt. Wat nog zonderlinger
is: hij mag haar op weg niet tegenkomen; en wanneer dit onverziens
toch gebeurt, houdt de man zich alsof hij zijne vrouw niet ziet, en
grijpt een of ander voorwendsel aan om zich niet met haar te bemoeien:
hij zal zijn schoenen vastmaken of het een of ander aan zijn kleeding
verschikken. Den onbekenden reiziger zal de montenegrijnsche vrouw
zonder aarzelen eenige dienst bewijzen: zij zal hem water geven
om zijne voeten, van de lange wandeling vermoeid, te verfrisschen;
zij zal hem met vriendelijken groet in de woning ontvangen; maar haar
man mag zij niet alzoo behandelen. Als haar echtgenoot ziek ter neder
ligt, zelfs als hij sterven gaat, mag zij hem niet oppassen, niet tot
zijn bed naderen; ter nauwernood mag zij, als het noodlottig oogenblik
gekomen is, aan hare smart lucht geven, en nooit is het haar vergund,
de weeklacht over den doode aan te heffen.
IX.
De Montenegrijnen behooren genoegzaam allen tot de grieksch-orthodoxe
Kerk; naar de zijde van Albanie vond men eenige muzelmannen, die langs
de grenzen der Koetschi woonden, doch bij de jongste grensregeling
met Turkije voor het grootste gedeelte bij het pasjalik van Skutari
zijn gevoegd.
Het geestelijk opperhoofd der Montenegrijnen is tegenwoordig de
Vladika, metropolitaan van Montenegro, van Berda, van Skutari en van
de Primore, die den bisschoppelijken zetel van Cettinje inneemt en
in het groote klooster, het eenige monument der stad, resideert. Het
woord vladika was eigenlijk de titel van het geestelijk en wereldlijk
opperhoofd der Montenegrijnen, toen deze beide waardigheden nog
in een persoon waren vereenigd; tegenwoordig beteekent dit woord,
overeenkomstig zijn eigenlijken zin, alleen het kerkelijk opperhoofd,
den bisschop. De tegenwoordige titularis, Hilarion Ragonovitch, die
sedert 1863 den bisschoppelijken zetel inneemt, oefent bloot geestelijk
gezag uit, en houdt zich stipt binnen de perken zijner herderlijke
macht. Hij ontvangt geen jaargeld van den staat, maar trekt eene som
van vijfduizend francs uit de inkomsten der vaste goederen, tot de
kloosters van Cettinje en Ostrog behoorende. De kerk van Montenegro
is onafhankelijk; zij erkent geen opperhoofd en heeft meermalen
geprotesteerd zoowel tegen de aanmatigingen van den griekschen
patriarch van Constantinopel, als tegen die van de russische Synode;
maar de bisschop moet, om zijne wijding te ontvangen, zich naar Moskou
begeven. De beide laatste metropolitanen hebben dit althans gedaan. In
de stad Ipek resideerde weleer de patriarch der Zuid-Slaven, die
tusschen Slavonie, de Sau en de Drau wonen; aan dezen patriarch waren
ook vroeger de metropolitanen van Montenegro ondergeschikt. In eene,
op den 3den Juli 1804 gehouden algemeene volksvergadering, stelden de
Montenegrijnen een adres op, aan den vertegenwoordiger van Rusland,
den heer Ivelitch, gericht, en waarin zij de onafhankelijkheid hunner
kerk handhaafden. Zij zeggen daarin het volgende:
"Aan de russische Synode is het waarschijnlijk onbekend, dat de
slavo-servische volken, voor hunne grieksch-oostersche-illyrische kerk,
een eigen patriarch hadden, resideerende te Ipek, aan wiens gezag de
bisschoppen van Montenegro tot in 1769 onderworpen waren. Gedurende
den oorlog tusschen Rusland en de Porte, die toen was uitgebroken,
trok de servische patriarch, Basilius, over ons land naar Rusland, ter
zake van de vervolging der Christenen, en omdat hij persoonlijk aan
groote gevaren was blootgesteld. Hij stierf te Sint-Petersburg. Hij
was de laatste patriarch van het slavo-servische verbond. De zetel
der patriarchen van Ipek bleef tot heden ledig. Derhalve is onze
bisschop, meer dan eenig ander prelaat, geheel onafhankelijk. Zoo
als de kerkelijke geschiedenis leert, ontvingen wij het Evangelie
van de Grieken, en niet van de Russen.... Het bleef ons tot hiertoe
onbekend, dat de russische Synode eenig gezag heeft uitgeoefend over de
slavo-servische volksstammen, die buiten de grenzen van het russische
rijk wonen."
De Montenegrijn is zeer gehecht aan de uiterlijke vormen en
plechtigheden der godsdienst: dikwijls ziet men hem nederknielen,
het teeken des kruises maken, zich het hoofd ontblooten als de klok
luidt. Op den vreemdeling maakt de aanblik van eenige duizenden
personen, in eene vlakte of op een plein vereenigd, en allen tegelijk
het teeken des kruises makende op het eerste geluid eener klok, dat
hij anders niet opgemerkt zou hebben, ontegenzeggelijk een diepen
indruk, en als van zelve zal hij tot de overtuiging komen, dat de
Montenegrijnen een zeer godsdienstig volk zijn. Tot op zekere hoogte
is dat ook werkelijk het geval; maar sommige scherpzinnige opmerkers
beschouwen hen toch eenigermate als de vrijdenkers onder de stammen
der Zuid-Slaven, want de kerken worden zeer weinig bezocht, en de
uiterlijkheden van de godsdienst gaan den Montenegrijnen meer ter harte
dan het innerlijk leven des gemoeds. Ook in dit opzicht heerscht hier
een zonderling contrast tusschen den uiterlijken schijn en het wezen
der zaak. Het getal der kerken, bij voorbeeld, is zeer groot: men telt
er vierhonderd in een land van nog niet ten volle tweehonderdduizend
inwoners; het getal der priesters beloopt tusschen de vijf- en
zeshonderd; er worden veel aalmoezen gegeven, en de vasten worden
streng in acht genomen; de uitoefening van iedere andere godsdienst
dan de orthodoxe is verboden;--en toch kan men niet zeggen, dat bij
de massa des volks de godsdienstige overtuiging diep geworteld is,
of dat het geloof beslissenden invloed op hart en leven uitoefent.
De popen zijn in hooge mate onwetend, en oefenen toch een groot
gezag over het volk uit, omdat zij zelven tot het volk behooren,
zijn leven medeleven en deel nemen aan zijne worstelingen, met het
kruis in de eene en de krijgsbanier in de andere hand. Er zijn enkele
kloosters: een in Moratcha, waarvan ik reeds gesproken heb, en dat,
naar men wil, gesticht zou zijn door Douchan, Koning van Servie; een,
het meest beroemde, te Ostrog, waar men sedert 1873 het seminarie of
bogoslavia heeft overgebracht; en een te Kern, waar de kerk staat,
waarvan de Vladika Peter II archimandriet was; maar het getal monniken
is zeer gering, en de dienst in deze heiligdommen wordt doorgaans
door popen verricht.
De montenegrijnsche pope gelijkt, in voorkomen en manieren, op den
russischen pope en den servischen pope in Kroatie, Bosnie en Servie;
ge herkent hem aan zijn langen baard, aan zijne golvende hairlokken en
aan zijne wijde, lang afhangende kleeding, die hem zekere waardigheid
geeft; maar toch is het voor den vreemdeling dikwijls moeielijk om het
gewijd karakter van deze bedienaren der godsdienst te onderkennen:
want men ontmoet in het vorstendom eene menigte priesters, die als
alle andere Montenegrijnen gekleed gaan, hun hair afgeknipt dragen,
wapenen in hun gordel voeren, geheel een militair voorkomen hebben als
de andere bergbewoners, en die niettemin de priesterwijding hebben
ontvangen. Ofschoon popen, vindt gij ze in de herbergen en kroegen,
hunne pijp rookende en brandewijn drinkende, of zelfs wel de guzla
bespelende, zooals die oude pope, dien ik in de herberg te Cettinje
ontmoette, en van wiens moed mij de dienstmeid verhaalde, terwijl zij
op de vele medailles wees, die zijne borst versierden en die hij op
het slagveld gewonnen had.
Alle kerken, die ik bezocht heb, zijn uiterst eenvoudig. Zij zijn
meest allen naar hetzelfde model gebouwd: de inwendige inrichting is
die van de grieksche kerk, met de gewone indeeling; het ikonostase,
dat den dienstdoenden priester voor de oogen der menigte verbergt,
wordt op sommige oogenblikken geopend, en gunt dan de aanschouwing van
het binnenste heiligdom, waaruit het licht straalt en wierookgeuren
stroomen. Gedurende de geheele dienst blijven de geloovigen staan; die
regel geldt voor allen, de Vorst niet uitgezonderd. Bij den ingang der
kerk worden de wapenen afgelegd en doorgaans aan eene vrouw in bewaring
gegeven. De kosten der eeredienst worden gedragen door de geloovigen,
die daartoe naar gelang van hun vermogen bijdragen. Te Ostrog, waar
men jaarlijks heengaat om in het klooster de relieken van den heiligen
Basilius te vereeren, worden gedurende dien tijd soms wel tienduizend
francs ontvangen. Het getal feestdagen in den griekschen kalender
is zeer groot; en de gewoonte om op die dagen pleizier te maken en
buitensporige uitgaven te doen, is een ware ramp en een oorzaak van
veel armoede en achteruitgang. In de naburige landstreken, waar de
bevolking katholiek is, worden zij, die bij zoodanige gelegenheden
op een enkelen dag meer dan de inkomsten van eene geheele maand
verteeren, door de geestelijken en Franciskaner monniken openlijk
berispt en geschandvlekt. Die kerkelijke feesten, die met de algemeen
erkende, groote feest- en heilige dagen, zooals Paschen, Hemelvaart,
Pinksteren, Maria-Hemelvaart, Allerheiligen, niets gemeen hebben, gaven
aanleiding tot zooveel buitensporigheden en wanorde, dat Vorst Danilo,
om daaraan paal en perk te stellen, de medewerking heeft ingeroepen van
al de popen van het vorstendom. Over het algemeen moet die zucht tot
feestvieren en eindeloos banketteeren tot de volksondeugden gerekend
worden; ter gelegenheid van den verjaardag van het familiehoofd,
wordt er soms acht dagen achtereen feestmaal gehouden, en het is niet
zeldzaam dat dan in weinige dagen de winst van een gansch jaargetijde
wordt verteerd, zoodat de familie gedurende den winter gebrek moet
lijden. In het nieuwe wetboek van Danilo zijn eenige bepalingen
opgenomen, om dergelijke buitensporigheden, als ook het geven van te
kostbare geschenken, tegen te gaan.
Daar staat tegenover dat de Montenegrijn met zoo groote gestrengheid
de vasten in acht neemt (die, zoo als men weet, in de orthodoxe Kerk
zeer talrijk zijn), dat hij gedurende honderd-een-en-negentig dagen
in het jaar geen vleeschspijzen gebruikt, en in de groote vasten,
die negentien weken duurt, noch eieren, noch boter, noch visch eet. Er
zijn zelfs vijftien dagen in het jaar, waarop het drinken van wijn hem
verboden is: in dit opzicht volgt hij het voorbeeld van zijne buren,
de Turken, die ook den Ramazan streng in acht nemen. De Montenegrijnen
zijn overigens tamelijk verdraagzaam, en trachten op de markten en
in de bazars, waar zij met de Turken samenkomen, geen propaganda te
maken; godsdienstijver geeft bijna nooit aanleiding tot botsingen,
en de machthebbers zijn in den regel vrij van alle kerkelijk fanatisme.
Het klooster van Cettinje, de zetel van den metropolitaan, kan in
zekeren zin als het Vatikaan van Montenegro worden beschouwd. Het
gebouw doet zich schilderachtig genoeg voor, maar heeft niets
monumentaals. Oorspronkelijk zoowel tot vesting als tot klooster
aangelegd, bestaat het uit twee verdiepingen met laaggewelfde
bogen, rustende op zware gedrongen pilaren, en tegen den rotswand
leunende. In het klooster vindt men eene kerk, de voornaamste school
van Montenegro, en ook eene gevangenis. Het is tevens de residentie
van den metropolitaan en van zijn coadjutor. Betrekkelijk is hier
alles modern, want dit palladium van Cettinje is twee malen een prooi
der vlammen geworden; men kan zelfs zeggen dat er, ten gevolge der
aardbevingen en der verwoestingen van de Turken, weinig of niets van
den derden herbouw overig is: het eenige overblijfsel van het oude,
te vuur en te zwaard verwoeste servische klooster is een beeldhouwwerk,
waarop nog de servische arend te herkennen is.
De kerk is zeer eenvoudig, maar de dienst wordt met veel pracht
gevierd: de rijke versieringen en heilige gereedschappen zijn allen
van modernen oorsprong, en door de laatste Vorsten geschonken. Van
de gewijde vaten, kleederen en kostbaarheden, waarvan in de oude
kronieken en verhalen der venetiaansche reizigers gesproken wordt, is
niets meer te vinden; deze schatten, die door de servische Koningen
aan de vorsten en primaten van Zeta ten geschenke waren gegeven,
zijn tijdens de invallen der Turken verloren en verstrooid geraakt.
Deze kerk, of liever deze kapel, is vooral hierom merkwaardig,
omdat zij, behalve de tomben van twee Vorsten, ook het stoffelijk
overschot bevat van den Vladika Peter I, door alle Montenegrijnen
als heilig vereerd. Daar de montenegrijnsche kerk zich als geheel
onafhankelijk beschouwt, en noch het gezag erkent van de russische
Synode, noch van den Patriarch van Constantinopel, moet men wel tot
het besluit komen, dat de Montenegrijnen zelven hun Vladika Peter,
den vierden afstammeling in rechte lijn van de Njegosch, heilig hebben
verklaard. Men zeide mij evenwel, dat in dit geval de beslissing der
Synode was ingeroepen geworden. Peter I is de eigenlijke grondlegger
der tegenwoordige dynastie, hoewel hij de vierde van zijn geslacht
was: het was juist uit aanmerking van de groote diensten, door hem
aan het vaderland bewezen, dat de waardigheid van Vladika in zijne
familie erfelijk werd verklaard. Nadat zijn lijk in het klooster van
Stanjevitch ter aarde was besteld, had een jonkman, met zienersgave
bedeeld, zoo de overlevering wil, een visioen, waarin hem de overleden
Vladika verschenen was, met een lichtglans omgeven, het labarum in de
hand, vol heerlijkheid en majesteit. De jonge ziener trok het land
door, overal in de dorpen verhalende van het gezichte, dat hem ten
deel was gevallen, en heilige liederen zingende; hij vond allengs bij
velen gehoor, vormde een soort van aanhang, en wist het zoo ver te
brengen dat, na verloop van zeven jaren, de doodkist van den Vladika
geopend werd, waarin men het lijk geheel ongeschonden, zonder eenig
spoor van ontbinding, terugvond. Dit feit maakte een geweldigen
indruk in het geheele land; de Vladika werd heilig verklaard,
en zijn lichaam overgebracht naar de kapel van het klooster van
Cettinje, waarheen in de maand Juli schier alle Montenegrijnen ter
bedevaart opgaan.--Rechts en links van den ingang der kapel bevinden
zich de graftomben van twee broeders: Danilo I, den laatsten Vorst,
die te Cattaro vermoord werd, en Mirko den Dappere, het zwaard van
Montenegro, den vader van den regeerenden Vorst. Geen wonder alzoo,
dat het klooster van Cettinje, de zetel van den hoogsten kerkelijken
dignitaris, waaraan zich bovendien zoo vele herinneringen hechten,
algemeen als het voornaamste heiligdom, het palladium van Montenegro
wordt beschouwd. Daar komt nog iets bij: volgens overoude gewoonte is
het klooster eene onschendbare wijkplaats, zoodat ieder, die door den
bisschop daarin ontvangen en toegelaten wordt, voor zijne vijanden
en zelfs voor den arm des gerechts onbereikbaar is.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32 |
33 |
34 |
35 |
36 |
37 |
38 |
39 |
40 |
41 |
42 |
43 |
44 |
45 |
46 |
47 |
48 |
49 |
50 |
51 |
52 |
53 |
54 |
55 |
56 |
57 |
58 |
59 |
60 |
61 |
62 | 63 |
64 |
65