A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z


'Da Vinci Code' publisher one of two execs leaving Random House
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

Fans and booksellers eager for new magic from Potter author J.K. Rowling
Ad - Get Info for Book Publishing from 14 search engines in 1.

Rubin, Irwyn Applebaum Out in RH Reorg
NEW YORK - The man who helped give the world 'The Da Vinci Code' and a leading publisher of Danielle Steel and other brand-name authors are leaving Random House. The departing executives are Stephen Rubin, who as head of the Doubleday Publishing Group

De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 by Various



V >> Various >> De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65



Zara heeft geen eigen leven, en de industrie beteekent zoo goed als
niets. De kreits brengt wijn en olie voort; in de stad bestaat eene
maatschappij, die zich op de verbetering van den wijnbouw toelegt
en dien aanmoedigt: de marasquin en de rosolio van Zara zijn zeer
beroemd. Zij worden bereid van eene soort van kleine kers, die in
grooten overvloed in den geheelen omtrek groeit.

Het museum is niet onbelangrijk, omdat het overblijfselen bevat
van oude monumenten: antieke standbeelden, fragmenten van gebouwen,
eene menigte oude munten, waaronder zeer zeldzame, antiek glaswerk,
gegraveerde steenen; het museum bezit ook eene collectie van voorwerpen
uit het gebied der natuurlijke historie. Het dankt zijn oorsprong,
of althans zijne tegenwoordige inrichting, aan den gouverneur,
graaf Lilienberg.

Zara heeft ook een splinternieuwen schouwburg, een fraai gebouw,
waar men ruimschoots gelegenheid heeft, de verschillende elementen,
waaruit de bevolking der stad bestaat, te bestudeeren. Daar verschijnen
de eigenlijke Zaratinen, in voorkomen en kleeding aan de italiaansche
dames gelijk, met ontzaggelijk hooge kapsels, van nog reusachtiger
afmetingen dan men in de steden van noordelijk Italie ziet: eene
overdrijving, aan provinciesteden niet ongewoon. Nevens dezen ziet men
de duitsche dames, kenbaar aan den eenvoud en de bescheidenheid van
haar toilet, aan de zedigheid en onbeduidendheid van haar voorkomen;
voorts de oostenrijksche officieren en hoogere ambtenaren, eindelijk
de handelaars van Zara, meest winkeliers of kleinhandelaars.

De stad moet al hare benoodigdheden van buiten ontvangen, en wel
over de zee, van Triest of uit zuidelijk Italie. Het is een ramp
voor deze slavische kustprovincien, dat zij, even als Bosnie,
Servie, Herzegowina, voor haar bestaan geheel afhankelijk zijn van
den duitschen handel en de duitsche industrie. Het platteland brengt
vruchten en groenten naar de stad, en koopt daar ook het noodige, om
in zijn behoeften te voorzien. Het intellektueele leven heeft weinig
te beteekenen: er is eene drukkerij en er verschijnen zes of zeven
dagbladen: eene officieele courant, een klerikaal dagblad, een slavisch
dagblad, en een vierde, het politiek orgaan van de italiaansche
partij; de anderen zijn aan de belangen van den landbouw gewijd. In
de bibliotheek Paravia, die dertigduizend banden bevat, zult ge bijna
nimmer bezoekers aantreffen: de weinige wetenschappelijke ontwikkeling,
die in Dalmatie valt op te merken, moet ge te Spalato en Ragusa zoeken.

Een paar jaar geleden is Zara als vesting opgeheven: eene groote
overwinning voor het burgerlijk element. Want hoewel de meeste
vestingwerken van deze kuststeden, in verband met de nieuwe
ontdekkingen op het gebied der krijgskunst en bij den grooten
vooruitgang der artillerie, volkomen nutteloos zijn geworden, laat de
militaire genie gewoonlijk hare prooi niet licht los. De vestingwerken
zijn aan de gemeente afgestaan; en tijdens mijn eerste bezoek te Zara,
waren meer dan honderd vrouwen van de eilanden, met bevallige vormen
en standen en bewegingen, die u aan antieke standbeelden denken doen,
bezig met het aanbrengen van aarde voor het doortrekken der kaaien. De
stad, tot hiertoe binnen haar engen muurgordel opgesloten, zal nu
aan licht en lucht winnen, maar aan schilderachtigheid verliezen.

Zara is ook de kerkelijke hoofdstad van geheel Dalmatie en de zetel
van een aartsbisschop. De massa der bevolking, ten beloope van
ruim tienduizend zielen, is katholiek. Men vindt hier ook een zeker
aantal Grieken; zij houden hunne godsdienstoefeningen in de kerk van
Sint-Elia. Voor de fransche bezetting hadden de Grieken slechts eene
kleine kapel, die geen voldoende ruimte aanbood. Zij beklaagden zich
daarover bij den maarschalk Marmont, die bevel gaf, hun eene kerk af
te staan.

Deze kleine stad, zoo schilderachtig aan haar zeearm gelegen
en door hare Lange Eilanden, de Isole Longhe, aan de blikken der
voorbijvarenden onttrokken, heeft eene merkwaardige en veel bewogen
geschiedenis achter zich.

Sinds overoude tijden was Zara, destijds Jadera geheeten, de hoofdstad
van Liburnia; als romeinsche kolonie, koos zij de partij van Caesar. De
waterleiding, die het water van de Kerka, over een afstand van dertig
mijlen, naar de stad voert, is waarschijnlijk het werk van Trajanus,
wiens naam daarvoor gezegend zij. Bij de verdeeling des rijks,
kwam Zara, destijds Diodora genoemd, onder het gezag der oostersche
Keizers, maar de stad wist eene groote mate van onafhankelijkheid te
bewaren. Toen de barbaren de kusten der Adriatische zee overstroomden,
werd ook zij verwoest, en viel van nu beurtelings in de handen van
Kroaten en Hongaren.

In het voorjaar van 997 rustte Venetie eene groote vloot uit, met het
doel om de zeeroovers, die de vaart belemmerden, te straffen en ook
om de kustlanden aan haar gezag te onderwerpen. De Doge Orseolo voerde
het bevel over die vloot; hij ontving achtervolgens de hulde van Pola,
van Pirano, van Rovigno, van Zara zelve, dat zich van alle zijden
door geduchte vijanden bedreigd zag en den Doge als redder begroette.

Maar reeds in 1050 komt de stad in opstand tegen de republiek,
waarschijnlijk op aansporing van den onttroonden Koning van Kroatie,
die in Zara een toevlucht heeft gezocht. Domenico Contarini ontvangt
van den Senaat bevel, eene vloot uit te rusten, en de oproerige stad te
gaan onderwerpen. Hij trekt Zara binnen, herstelt de orde en ontvangt
op nieuw de hulde en onderwerping der burgers.

In 1115 waagt zij wederom een poging om aan het gezag van Venetie
te ontsnappen, en stelt zich onder de bescherming van den Koning van
Hongarije: zij wordt nogmaals overwonnen. In 1170, nieuwe poging tot
opstand. De Doge Domenico Morosini heeft de stad tot den zetel van
een aartsbisschop gemaakt: aan dezen draagt zij nu alle gezag op,
om zich zoo doende zoowel van de Venetianen, als van de Kroaten en
de Hongaren te bevrijden. De republiek rust wederom een vloot uit,
en dwingt haar tot onderwerping. Doch in 1124 en 1185 komt zij,
ondersteund door den Koning van Hongarije, op nieuw in opstand;
en telkens onderworpen, en telkens weerspannig, waagt zij aldus
nog driemaal de worsteling, tot in het jaar 1346, toen zij een zeer
gedenkwaardig beleg had te doorstaan.

De Koning van Hongarije zag met leede oogen de havens van Dalmatie in
de handen der Venetianen; nadat alle pogingen om het juk der republiek
af te schudden, waren mislukt, sloeg hij eene schikking voor: Zara zou
in de macht van Venetie blijven, maar de republiek zou de stad bezitten
als een leen van de hongaarsche kroon en daarvoor eene jaarlijksche
schatting betalen. De Senaat weigerde: de Koning sloeg het beleg
voor Trau, Spalato en Zara, dat zijne zijde koos. De venetiaansche
vlootvoogd Marc Justiniani tastte de stad van de zeezijde aan,
en vermeesterde haar, ondanks dapperen tegenstand; Faliero werd tot
gouverneur benoemd, en moest nu de stad verdedigen tegen de Hongaren,
die haar van de landzijde bedreigden. Het beleg duurde zes maanden,
en kostte aan de republiek ontzaggelijke sommen en veel verlies van
menschenlevens. Eindelijk viel de stad, door verraad, in de handen
der Hongaren.

Daar Venetie destijds ook op het italiaansche vasteland in een
geduchten oorlog met dezen zelfden Koning van Hongarije was
gewikkeld, en al haar krijgsmacht noodig had, moest zij van van
verdere pogingen tot herovering van Zara afzien. Faliero werd naar
Venetie ontboden, verscheen voor den Senaat, en werd gestraft met
eene geldboete, een jaar gevangenis en levenslange uitsluiting uit
alle regeeringsambten. Daarentegen ontving de militaire bevelhebber
van Onone, die zich hardnekkig verdedigd had, en aan wien de republiek
had gelast zich over te geven, eene openlijke hulde. De veldtocht viel
ongelukkig voor Venetie uit; de Koning van Hongarije was overwinnaar,
en eischte dat de republiek afstand zou doen van geheel Dalmatie
en alle steden en eilanden, van Fiume en Pola tot Durazzo, dat wil
zeggen de gansche kust der Adriatische zee. Het traktaat werd den
18den Februari 1358 geteekend. De Doge verloor de titels van hertog
van Dalmatie en hertog van Kroatie; de Venetianen mochten in de
beide landen zelfs geen eigendom meer bezitten; de republiek mocht
zich in de havens niet meer door consuls laten vertegenwoordigen,
en moest, in gdeal van een oorlog ter zee, den Koning van Hongarije
met vier-en-twintig galeien bijstaan.

Dit vernederende, door den nood afgedwongen traktaat bleef slechts
vijftig jaar in stand. In 1409, toen Ladislas en Sigismond elkander
de kroon van Hongarije betwistten, knoopte de Senaat onderhandelingen
met Ladislas aan, en kocht van hem Zara terug. De stad bleef sedert,
tot aan den vrede van Campo-Formio (1797), in het bezit van Venetie,
dat haar tot een der bolwerken maakte van haar kolonien in Dalmatie,
ter afwering van de zoo lang geduchte turksche macht. Zara kwam ook
niet meer in opstand, en ging, na den val der republiek, over in handen
van Oostenrijk, dat haar, behoudens het korte fransche tusschenbestuur,
nog bezit.

Zoo als ik zeide, is Zara eigenlijk op een schiereiland gebouwd,
in een kanaal of straat, gevormd door den vasten wal van Dalmatie
en door een aantal eilanden, evenwijdig met de kust strekkende. Deze
eilanden ontleenen aan hunne gedaante den naam van Isole Longhe, lange
eilanden: zij heeten Uglian, Eso, Pasman, Longa, Incoronata. Toen de
aangrenzende kust nog onophoudelijk blootstond aan de invallen der
barbaren, namen de bewoners bij herhaling de wijk naar deze rotsige
eilanden, en maakten, door onvermoeiden arbeid, den harden grond
voor bebouwing geschikt. Zij plantten er den wijnstok, die uitnemend
slaagde en een der bronnen van welvaart voor het land werd; ook werd de
proef genomen met graanbouw. Men telt niet minder dan dertig dorpen en
twee-en-twintig parochien in deze eilanden: de bevolking zal tusschen
de twintig- en vijf-en-twintigduizend zielen bedragen. De inwoners
zijn voor het meerendeel visschers, die de zeer vischrijke wateren
langs de kust exploiteeren. De visschers van Chioggia komen ook hier
gedurende zekeren tijd van het jaar hun bedrijf uitoefenen.

Voor de Isole Longhe, meer zeewaarts, als uitgezette wachters van het
kanaal van Zara, liggen nog eenige andere kleine eilandjes: Selve,
Ulbo, Premuda, Sabbione, Isto, Melada, Sestrugn. Alle bewoners leven
van de zee. Het zijn echte alcyon-nesten, door de golven gedragen,
door de stormen ombruist; hier kan men prachtige exemplaren der
echte klippen, der scoglie, vinden, waar de eenvoudige visschershut
wegschuilt in de spleten der rots. Aarde is bijna nergens voorhanden;
maar overal, waar zich slechts eene gelegenheid tot zaaien of planten
aanbood, heeft de mensch daarvan gebruik gemaakt, om den ondankbaren
grond een mageren oogst af te dwingen.

Tusschen Zara en de stad Knin, nabij de turksche grenzen gelegen,
bestaat een geregelde postdienst. De afstand tusschen die beide
plaatsen bedraagt een-en-vijftig mijlen, en in vijftien uren kan de
reiziger Dalmatie in zijne grootste breedte doorkruisen, van de kust
der Adriatische-zee tot den berg Dinara. De postwagendienst is, even
als dergelijke staatsondernemingen in Oostenrijk, zeer goed ingericht;
de wagen vertrekt tweemaal per week, en heeft niet meer dan vier
zitplaatsen; maar de reizigers zijn zeldzaam, en men kan dus hier,
des verkiezende, gebruik maken van een gemakkelijk en betrekkelijk
goedkoop vervoermiddel.

Daar het mij echter voornamelijk te doen was, om het volk in zijn
dagelijksch leven te leeren kennen, wilde ik van den postwagen
geen gebruik maken, die mij niet zou vergunnen, naar goedvinden
op te houden. Ik trad in overleg met de landlieden, die ik op
de binnenplaats van het gerechtshof had ontmoet, en die voor het
meerendeel van Kistagne waren, op enkele uren afstands van Knin. Nadat
zij getuigenis in het proces hadden afgelegd, mochten zij weder naar
hunne woning terugkeeren. Wij kwamen overeen dat wij samen zouden
reizen, en des Zaterdags morgens (16 October 1874) bevond ik mij op
de afgesproken plaats, even buiten de Landpoort.

Het was een schilderachig plekje: achter ons verhief zich de
fraaie poort van Sammicheli, met haar lange houten brug over de
Visschershaven, die de stad met den vasten wal verbindt; rechts hadden
wij de kaai, waartegen enkele kleinere vaartuigen, karveelen, lagen
geankerd; voor ons, de weg, aanvankelijk ingesloten tusschen de zee
en het groote bastion, aan het strand opgeworpen. Boven het bastion
prijkt het fiere wapenschild der oostenrijksche monarchie.

(Wordt vervolgd.)


Blanken en kleurlingen.

(Vervolg van jaargang 1876, bladz. 374.)


XIV.

Zambo's.--Negerslavernij bij de roodhuiden.--Caddo.

Caddo, een dorp in het distrikt Choctaw, twee-en-dertig mijlen
ten noorden van de Red-River, zeven-en-dertig mijlen ten zuiden
van Limestone-Gap, is eene kolonie van zambo's, en zeker een van de
zonderlingste nederzettingen in eene landstreek, zoo bij uitnemendheid
rijk aan ethnologische verrassingen. Een zwerm van houten hutten,
binnen omrasterde velden omsloten, omgeeft eene kleine stad, die
een school en een gevangenis, een kerk en eene vrijmetselaarsloge,
een hoofdstraat en een marktplaats bevat, en waar het vooral ook
niet ontbreekt aan biljardzalen en aan kroegen. Door middel van een
spoorweg is dit stadje verbonden met Fort Gibson in het land der
Creeks, en met Denison-City in Texas. Caddo bezit ook eene drukkerij
en eene krant, die eens in de week uitkomt. Maar het is niet de school
of de gevangenis, niet de spoorweg of de drukkerij, die in de eerste
plaats de belangstelling verdient, de nieuwsgierigheid prikkelt: dat
doet vooral de bevolking van het wonderlijke stedeke. De bewoners van
Caddo zijn op zich zelven de grootste merkwaardigheid. De hutten in
het open veld en bijna al de huizen in de stad zijn toch bewoond door
het nieuwe ras van gemengd bloed, bij de geleerden onder den naam van
Zambo's bekend:--de afstammelingen van negers en indiaansche vrouwen.

Volgens Tschudi's lijst der gemengde rassen, heeten de afstammelingen
van een blanken vader en eene zwarte moeder, mulatten; die van een
blanken vader en eene indiaansche moeder, mestiezen; die van een
indiaanschen vader en eene zwarte moeder, chino's; en die van een
zwarten vader en eene indiaansche moeder, zambo's. Deze vier soorten
van hybriden vormen de oorspronkelijke gemengde bevolking van Amerika.

Een mulat is koffiekleurig; de kleur van een mesties is goud-brons;
een chino is vuil rood; een zambo is vuil bruin.

Een blanke vader verwekt bij eene mulattin een quadroon; een blanke
vader en eene mesties geven het leven aan een creool. Quadronen
en creolen, hoewel donkerklourig en grof van vormen, zijn somtijds
schoon; in de slavenstaten worden voor jonge quadrone of creoolsche
meisjes dikwijls grooter sommen uitgegeven, dan een turksche pasja voor
zijne georgische slavin besteedt. Uit het huwelijk van een neger met
eene mulattin ontspruit een cubra: en een cubra is een zeer leelijk
schepsel. In het volgende geslacht keert de oorspronkelijke negertype
terug. Dit is niet het geval in de indiaansche familie. Een indiaansche
vader en eene mesties schenken het leven aan den mestizo-claro,
den licht gekleurden mesties, zeer dikwijls een fraai exemplaar van
het menschenras. Maar het schijnt wel dat het indiaansche blood zich
nooit volkomen met het zwarte vermengen kan. De chino, het kind van een
roodhuid en eene negerin, is een schraal, mager en onbevallig wezen, en
zijn halve-broeder, de zambo, is nog leelijker. De natuur zelve schijnt
geene vermenging van deze twee rassen te willen. Op de gansche wereld
zijn misschien geen wonderlijker schepselen te vinden dan de kleine
zambo's, die op de straat en in de goten te Caddo spelen en dartelen.

Toch zijn deze afzichtelijke schepsels, naar men zegt, zeer
vruchtbaar. In elke hut van Caddo wemelt het van kinderen; en wanneer
de aanhangers der nieuwe ethnologische school gelijk hebben, is
het te verwachten dat zij zich nog sneller zullen vermenigvuldigen
dan de gewone negers. Wat mogen dan de bewoners van Caddo, physiek
en moreel, wel over honderd jaar zijn? Aan zich zelven overgelaten,
zal Caddo misschien een geslacht voortbrengen naar het model van dat
van Los-Angeles en San-Jose, en zullen van hier helden uitgaan als
Tiburcio Vasquez, die de schrik zullen zijn der volkplanters langs
de Red-River en van Limestone-Gap.

Te Caddo vooral is het mogelijk, de beide belangrijke problemen der
kleur en der slavernij, in hun oorspronkelijken, meest eenvoudigen
vorm te bestudeeren; in een vorm en uit een oogpunt, te Richmond,
Charleston en Nieuw-Orleans geheel onbekend.

Voor de burgeroorlog uitbrak, waren alle negers op indiaansch
grondgebied slaven, het eigendom van de Creeks en Choctaws, de
Seminolon, de Chickasaws en de Cherokees:--de vijf natien, die gerekend
worden "den wilden staat vaarwel te hebben gezegd." Hun lot was
hard; hun lijden misschien bitterder dan eenig ander lijden onder de
zon. Elders wordt de slavernij getemperd en verzacht door gemeenschap,
hetzij van ras, hetzij van taal, hetzij van geloof. Te Pekin zijn
slaven en meesters van dezelfde kleur; te Kairo spreken zij dezelfde
taal; te Rio aanbidden zij denzelfden God. Maar in deze amerikaansche
wildernissen had de neger noch dezelfde gelaatstrekken, noch dezelfde
taal, noch dezelfde geloofsbelijdenis als zijn onbeschaafde meester;
tusschen die beiden geenerlei gemeenschap van belang in deze wereld,
geen gemeenschappelijke hoop voor eene wereld hier namaals.

Is het mogelijk een rampzaliger lot te bedenken, dan slaaf te zijn van
een roodhuid? Het eigendom te zijn van een blanken meester was dikwijls
hard genoeg; maar ook op de slechtste plantages in Georgie en Alabama
waren toch nog elementen van edelmoedigheid en rechtvaardigheid, die
in de indiaansche kampementen vergeefs werden gezocht. In Georgie en
Alabama deed zich toch altijd, al was het soms onbewust, de weldadige
invloed gelden van vrouwen en kinderen. De negers leefden in eene
beschaafde en christelijke maatschappij. Allen stonden onder het gezag
der wet, en zelfs daar waar wreede en harde meesters in groot aantal
gevonden werden, kon toch altijd de bescherming worden ingeroepen der
wet en der overheid. Geen enkele neger in Virginia, of hij vernam het
luiden van de klokken der dorpskerk, of ook tot hem kwam de stille
en heilige verkondiging van den dag der ruste. Geen enkele slaaf in
Louisiana, die niet deelde in de zegeningen en voorrechten van het
geregelde huiselijke en familieleven. Welke gewijde klanken werden
er gehoord in een kamp der Choctaws? Welke bekoorlijkheid des levens
was er te vinden in de tenten der Chickasaws? In elk indiaansch kamp
behandelden de zelven bijna als slavinnen beschouwde squaws de negers
nog harder en onmeedoogender dan hare ruwe echtgenooten; en in stede
van een trooster en soms onbewusten beschermer, was het indiaansche
kind zeer dikwijls de oorzaak van nieuwe folteringen: om hem aan
den aanblik van menschelijk lijden te gewennen, werd de slaaf in
tegenwoordigheid van den jeugdigen krijger gemarteld en gepijnigd. Een
slaaf in Tennessee kon in handen van een onmeedoogenden meester vallen;
maar die meester was toch een beschaafd man en gezeten burger, en hij
kon voor de rechtbank ter verantwoording worden geroepen. Hij was geen
zwervende wilde, die van de jacht leefde, en zijn gezin oppermachtig
regeerde met een bijl en een skalpeermes. Een blanke slavenhouder
mocht driftig en opvliegend, zijn opziener wraakzuchtig en haatdragend
zijn: beidon waren toch burgers, aan het gezag der wet onderworpen,
en Christenen, onderworpen aan de tucht hunner kerk. Er waren zeer
wezenlijke grenzen, die ook de ruwste willekeur zich niet licht
vermat te overschrijden. Maar waar was, bij Seminolen of Cherokees,
voor den mishandelden slaaf zulk eene grens te vinden? Een Seminole
had geen rechter te vreezen, een Cherokee geen priester of leeraar
te ontzien. In zijn stam en op zijn grondgebied, kon eon indiaansch
opperhoofd, als hem dit lustte, even vrij over het leven van zijn slaaf
beschikken, als een negerkoning in het hart van Afrika. Geen sheriff
was daar, om hem rekenschap te vragen van het vergoten bloed. Geen
vrees voor openbare afkeuring hield zijn arm terug. Was eenmaal
zijn toorn opgewekt, dan bekommerde een Indiaan zich even weinig om
hetgeen de menschen van hem denken en zeggen zouden, als de tijger in
de jungles, wanneer hij zijn sprong gaat, nemen, zich om de publieke
opinie bekommert. Een roodhuid had meer vrijheid in de behandeling
van zijn slaaf, dan een blanke in de behandeling van zijn hond.

Eigenaar te zijn van een ploeg negers, was de hoogste wensch van
elk opperhoofd der Creeks of Seminolen; hun aantal was, even als
dat zijner squaws, een bewijs van zijn rijkdom en rang. Zelfs stelde
hij nog hooger prijs op zijne negers, omdat hij juist deze soort van
eigendom met de blanken gemeen had. In zijne jeugd had hij in Georgie
of Carolina geleefd, waar de maatschappij verdeeld was in vrijen
en slaven. Hij zelf was een vrij man, even als al zijne broeders
en stamgenooten; slechts de zonen van een minder krijgshaftig en
donkerkleuriger ras waren slaven. Bekend met de zeden en gewoonten
der blanken, bewees hij hun de eer, hun voorbeeld na te volgen; maar,
als een echte wilde, kocht hij alleen dan zijne slaven, als hij geen
kans zag hen te stelen.

Wanneer een indiaansch opperhoofd door de blanke planters van zijne
jachtgronden in Georgie en Tennessee verdreven werd, voerde hij de
negers in zijn kamp met zich; hij dwong hen mede hun aandeel te dragen
in de vele vermoeienissen en ontberingen van zijn langen tocht, en de
gevaren te trotseeren van zijne nieuwe en ver afgelegene woonstede. De
plagen en rampen, die den roodhuid troffen, daalden met zevenvoudige
kracht neder op het hoofd van zijn slaaf. In de oogen van een Indiaan,
was een neger niet meer waard dan een muilezel. In regen en wind moest
hij zich buiten de tent ter ruste leggen. Als er gebrek was aan wild,
moest hij zich voeden met afval en dikwijls van honger sterven. De
zwaarste en verachtelijkste diensten werden van hem gevergd; met
slagen en schoppen en scheldwoorden werd hij, vooral door de squaws,
naar zijn werk gedreven. Het minste verzet lokte dubbele mishandeling
uit, en kon hem zeer licht het leven kosten.

En toch, ondanks al hun lijden, vermenigvuldigden de negers
zich voortdurend, en dat wel zoo spoedig, dat na verloop van
twintig of vijf-en-twintig jaren, hun aantal dat hunner wilde
meesters dreigde te overtreffen. Toen de oorlog uitbrak, bezaten
de Seminolen duizend slaven; de Cherokees en Chickasaws bezaten
elk omstreeks vijftienhonderd slaven; de Creeks en Choctaws, elk
omstreeks drieduizend. Deze vijf stammen telden te zamen nog geen
veertienduizend volbloed Indianen tegen tienduizend negerslaven. Het
getal der Indianen nam snel af, dat der negers even snel toe.

Deze negers waren zoowel een gevaar als een ramp voor de vijf
natien. Alom langs de grenzen van haar gebied was eene beweging
ontstaan, die de roodhuiden niet met tomahawks en skalpeermessen
konden bedwingen. Kansas, hun onmiddellijke nabuur ten noorden,
was een vrije staat. De nederzettingen aan gene zijde hunner grenzen
werden voor en na onder de vrije staten opgenomen. Geruchten eener
aanstaande bevrijding drongen door tot in de indiaansche kampementen,
en de kwestie der slavernij begon de stamhoofden der roodhuiden
te verontrusten.

De oorlog barstte uit. De oplossing van een groot en diep ingrijpend
maatschappelijk vraagstuk, waarbij de gewichtigste belangen op het spel
stonden, werd aan het ruw geweld, aan de onzekere kansen van den krijg
toevertrouwd. Toen zond Jefferson Davis een agent naar de indiaansche
legerplaatsen, ten einde den opperhoofden, door de voorspiegeling
van hetgeen waarschijnlijk gebeuren zou, vrees aan te jagen en hen
te bewegen tot een bondgenootschap met de Geconfedereerde Staten.

Albert Pike, zoo heette die agent, was in alle opzichten voor
zijne taak berekend. Reeds zijn voorkomen was uitnemend geschikt
om indruk te maken. Van eene statige, rijzige gestalte, met een
blozend gelaat en lang zilverwit hair, dat hem over hals en schouders
golfde, vereenigde hij de frischheid en levenslust der jeugd met
de eerwaardigheid en bedachtzaamheid van den ouderdom. Beurtelings
en achtervolgens, klerk, dichter, advokaat, pionier, trapper,
schoolmeester, kavallerie-officier, dagbladschrijver,--had Pike
allerlei beroepen bij de hand gehad en de wereld van meer dan eene
zijde leeren kennen. In paardrijden, drinken en bluffen, konden
maar weinig menschen den voorrang aan Albert Pike betwisten. Daar
hij eenige jaren van zijn leven langs de oevers van de Red-River
en den Arkansas had doorgebracht, was hij volkomen vertrouwd met de
eigenaardige zeden en gebruiken der roode en blanke grensbewoners,
en geheel ervaren in alle kunstgrepen en listen, waardoor de wilde
stammen kunnen worden verleid en medegesleept.

Van het eene kamp naar het andere trekkende, vertelde Pike aan
de krijgslieden, dat de oude Unie, waaronder zij geleefd hadden,
niet meer bestond; dat zij voor goed was ondergegaan, even als het
oude indiaansche verbond der Zes-Natien; dat de vlag in flarden was
gescheurd en de vlaggestok in tweeen gebroken. De heeren van het
Zuiden konden voortaan nooit meer gemeene zaak maken met de ploerten
en gelukzoekers van het Noorden. Daarom kwam het er nu voor hen op
aan, eene keus te doen. De slavernij, zoo zeide hij, was de hoeksteen
van de nieuwe Confederatie; en op een groep negerslaven wijzende,
vroeg hij den Indianen of zij niet liever de zijde wilden kiezen van
de planters van Georgie en Louisiana, dan van de kooplieden van Boston
en New-York. "Vroeger, zoo sprak hij, kondt gij billijke grieven tegen
de planters doen gelden; maar in dezen nieuwen oorlog is uw belang
en uwe toekomst ten nauwste verbonden met die van het Zuiden. Deze
oorlog is door de hebzucht en de dweepzucht van het Noorden verwekt,
en gericht tegen de negerslavernij, tegen den vrijen handel en de
staatkundige vrijheid."

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65
Copyright (c) 2007. topknownbooks.com. All rights reserved.