De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 by Various
V >>
Various >> De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 | 8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32 |
33 |
34 |
35 |
36 |
37 |
38 |
39 |
40 |
41 |
42 |
43 |
44 |
45 |
46 |
47 |
48 |
49 |
50 |
51 |
52 |
53 |
54 |
55 |
56 |
57 |
58 |
59 |
60 |
61 |
62 |
63 |
64 |
65
Om zijn doel te bereiken, nam Pike zijn toevlucht tot nog andere
middelen: waar zijn argumenten te zwak bleken om de roodhuiden
over te halen, wierp hij zijn whiskyflesch in de weegschaal. Want
geene behoefte is voor den Indiaan zoo onwederstaanbaar, als die
van sterken drank. Het recht om slaven te koopen en te verkoopen,
kwam maar aan enkele opperhoofden ten goede; maar de vrijheid om
sterken drank te koopen en te verkoopen, ging iederen man en iedere
vrouw in de indiaansche kampementen rechtstreeks ter harte. Door
aan de Indianen den vrijen handel in slaven en whisky te beloven,
won Albert Pike eene groote meerderheid van stemmen voor het Zuiden.
Vijfduizend indiaansche krijgers, met bijlen en messen gewapend,
schaarden zich onder de banier van Albert Pike, die nu zijn burgerlijk
karakter als indiaansche commissaris aflei, een hoed met pluimen
opzette, een gegalonneerden rok aantrok, een zwaard op zijde gespte,
en op het tooneel verscheen als generaal Pike. Twee legers opereerden
langs de grenzen:--een leger der Noordelijken onder Curtis, en een
leger der Zuidelijken onder Van Dorn. Op bevel van het departement
van Oorlog te Richmond, voegde Pike zich met zijne krijgslieden hij
het leger van Dorn, en deze omstandigheid gaf een zekeren komischen
tint aan den bloedigen en onbeslist gebleven veldslag van Pea-Ridge.
Zoo lang als het bij het houden van parade bleef, stond hun militair
beroep den roodhuiden wel aan. Hunne soldij was hoog, hun voedsel
goed, en Pike was niet al te streng op het stuk van discipline en
exercitie. Er was overvloed van whisky in het kamp. Maar toen de vijand
naderde en het vuur uit zijne groote kanonnen opende, toen verlieten
deze kinderen der wouden hunne gelederen en sloegen op de vlucht. Hoe
dapper en onverschrokken ook in het gevecht, is de Indiaan niet
bestand tegen de beproevingen van een geregelden krijg. Zij stormden
onbevreesd voorwaarts: maar door geweer- en geschutvuur ontvangen,
deinsden zij verbijsterd terug. Alles wat zij hoorden en zagen was
geheel nieuw voor hen. Van de tien Indianen had er nauwelijks een
ooit een kanon hooren afschieten; niet een van de vijftig had ooit een
vuurpijl gezien. De granaten zagen zij aan voor vallende sterren. Hun
krijgsgeschreeuw werd overstemd door het oorverdoovend gerucht: de
walmende rook onttrok hunne vijanden aan hun gezicht. Zelfs als zij
achter eiken en dennen wegscholen, waren zij nog niet veilig; want de
granaten ontploften tusschen de boomen en de scherven vlogen hun om
de ooren. Wat konden deze zonen der woestijn hier doen, dan plat op
den grond gaan liggen, hunne lichamen met zand en steenen bedekken,
en zoo te wachten tot de avond was gevallen?
Maar zoodra het duister was geworden, slopen zij naar het slagveld,
gingen zwijgend tusschen de slapende soldaten door, skalpeerden
de dooden en de stervenden, en keerden met hunne afschuwelijke
zegeteekenen naar het kamp terug. Dit was de eenige maal, dat de
Indianen voor het behoud hunner negerslaven streden.
Den volgenden morgen, toen men zich gereed maakte de gesneuvelden te
begraven, kwam de schennis aan de lijken gepleegd aan het licht: en uit
de beide amerikaansche legers ging een kreet van afgrijzen en protest
op tegen het gebruik van deze barbaren. Curtis zond een boodschap naar
Van Dorn, en de zuidelijke generaal was, ter voorkoming van bloedige
weerwraak, genoodzaakt, zijn roode hulptroepen naar huis te zenden.
Pike verloor zijn gegalonneerden rok en zijn hoed met pluimen;
en zijne indiaansche krijgers, door overvloedigen whisky getroost,
konden verder rustig toezien, in afwachting dat de blanken, die met
elkander streden, zoo het heette, over de rechten der zwarten, onder
de muren van Richmond zouden hebben uitgemaakt of de roodhuiden langs
den Arkansas al of niet het recht hadden om hunne zwarte broeders in
slavernij te houden.
Toen Richmond viel, waren de slaven in vijftig indiaansche kampementen
vrij.
De negerslaven waren vrij; maar vrij in een indiaansch land, te midden
van wilde indiaansche stammen!
In de proklamatie van President Lincoln werd met geen enkel woord
gewag gemaakt van de tienduizend negers, die toen als slaven leefden op
indiaansch grondgebied. Eerst tien maanden na den slag van Pea-Ridge
werd de vrijverklaring uitgevaardigd: de slaven der roodhuiden waren
vergeten geworden.
Alleen gelaten met hunne voormalige meesters, buiten bereik van
alle hulp of ondersteuning uit Washington, wat moesten deze vrij
verklaarde slaven nu gaan aanvangen? In theorie waren zij vrij; in de
werkelijkheid bepaalde zich die vrijheid tot de vrijheid om van honger
te sterven. Zij hadden noch tenten, noch geweren, noch paarden; zij
konden geen duim breed gronds hun eigendom noemen; ook hadden zij nu
hunne plaats in den stam verloren. En daar niemand aan de oevers van
den Potomac aan hen dacht, kwam er ook geene wezenlijke verandering
in het lot dezer negers langs de oevers van de Red-Rivier en den
Arkansas. Deze zwarten zijn een zwak ras; met vrouwen opgevoed en door
vrouwen geregeerd, waren zij zelven bijna vrouwen geworden, onbekwaam
voor den strijd des levens, zonder energie en zonder moed. Toen aan
Fort Gibson en Fort Scott de tijding vernomen werd, dat de oorlog
geeindigd was en dat de negers waren vrij verklaard, onderwierpen de
opperhoofden der Cherokees en Choctaws zich met kwalijk verkropten
spijt aan dit gebod. Zij wierpen de vrijverklaarde negers uit hun kamp.
Daar stonden zij nu, zonder eenig middel van bestaan, hulpeloos
als kinderen, alleen in de wijde wereld. Zoo lang hij slaaf was,
had de neger voor 't minst eene plaats in de tent en den stam,
als behoorende tot het huisgezin van het opperhoofd; nu vrij man
geworden zijnde, verloor hij zijn recht om medegeteld te worden,
en werd hij metterdaad een balling, een vagebond. Voor hem was er
geen wet, geen recht. Overal elders werd den neger zijne vrijheid
gewaarborgd en vond hij bescherming; maar het land der Indianen is
eene republiek op zichzelve, waarin de wet van den blanke niet geldt.
De Creeks en Cherokees hebben eenige vormen en gebruiken van de
beschaafde maatschappij overgenomen. Zij houden meer of minder komische
vergaderingen; zij hebben scholen en gerechtshoven, ook meer of minder
komisch. Sommige opperhoofden trachten persoonlijken grondeigendom te
verwerven; enkelen zelfs schijnen niet ongezind, hun zonen het engelsch
alphabet en den christelijke catechismus te laten leeren. Maar niets
van dit alles valt binnen het bereik van den vrijverklaarden slaaf,
zoo lang hij op indiaansch territoir blijft. Een neger heeft geen
stemrecht; hij mag zijn kind niet naar school zenden, noch met eene
aanklacht voor het gerechtshof verschijnen. Hij heeft geen duim gronds
in eigendom. Uit het indiaansche kamp uitgeworpen zwerft hij naakt en
vrij in de wildernis om. Hij durft zich niet vestigen op indiaanschen
grond; want hoewel de President hem tot een vrij man heeft verklaard,
heeft zijn vroegere meester de macht behouden hem te dooden, en
niemand zal dien meester daarvan rekenschap vragen. Wat wonder dat
de vrijverklaarde negers van het indiaansche grondgebied verdwijnen?
Ettelijke honderden van deze geemancipeerde slaven zijn over de grenzen
naar Arkansas en Texas gevlucht, en hebben bescherming gezocht onder
de hoede der blanken. Maar in den regel is de arme bevolking eener
landstreek niet in staat in massa te verhuizen en elders een nieuw
vaderland te zoeken. Even als planten en dieren, moeten zij den strijd
volhouden of op de plaats zelve vergaan. Voor een aantal vluchtelingen
uit de tenten der Choctaws en Chickasaws is Caddo eene wijkplaats en
vrijstad geworden.
De plek, waarop deze uitgewekenen zich gevestigd hebben, is een stuk
gronds, verlaten door de Caddoes, een kleinen zwervenden stam, die
vroeger in deze wateren vischte en in deze bosschen jaagde. Zeer in
aantal verminderd, zijn de Caddoes uitgeweken naar de streken bij
de Washita, en hebben hunne vroegere jachtvelden overgelaten aan
de coyoten en de wolven. Rechtens ligt het distrikt in het land der
Choctaws, maar de Choctaws hebben nooit deze vallei in bezit genomen;
en de verschijning van blanke werklieden, die een spoorweg kwamen
aanleggen, bewoog de naast bij wonende indiaansche familien om hare
wigwams verderop te verplaatsen. Caddo, overgelaten aan den "vuurgen
salamander" en aan de vrijgelaten slaven, werd een stad.
Zooals zich, met het oog op haar oorsprong, reeds laat verwachten, is
Caddo in de politiek radikaal, om niet te zeggen revolutionair. Daar
de negers en hunne nakomelingen, de zambo's, geen Indianen zijn, en
er voor hen in de indiaansche republiek dus geen plaats is, wenschen
de inwoners van Caddo niets minder, dan de geheele bestaande orde
van zaken te veranderen:--opheffing van de afzonderlijke indiaansche
nationaliteit; van de verdeeling der Indianen in stammen en gezinnen;
van de uitsluiting van vreemdelingen uit het indiaansche grondgebied;
voorts afschaffing der indiaansche bloedwrake, van de onbeperkte
macht der opperhoofden en den gemeenschappelijken grondeigendom.
"Welke veranderingen zoudt gij alzoo wenschen in te voeren? vraag ik
een zwarten politieken dilettant.
--Welke veranderingen? antwoordt de zwarte radikaal. Alles moet
veranderen. Wij verlangen dat de stammen worden afgeschaft; dat
een regelmatig bestuur worde gevestigd, het land voor den arbeid
en het kapitaal geopend; dat het bestuur der opperhoofden ophoude,
alsmede de handel in vrouwen en het gemeenschappelijk grondbezit. Dit
verlangen wij voor de anderen; maar wij hebben ook iets voor ons zelven
te vragen. Tot nu toe hebben wij geen rechten. Gij vindt ons hier in
Caddo, maar wij worden hier enkel geduld. Onze landerijen behooren ons
niet. Elken dag kan men ons wegjagen, zonder dat wij eenige vergoeding
ontvangen voor de verbeteringen, die wij hebben aangebracht.
--Eenige opperhoofden der Choctaws hebben mij toch verzekerd, dat
zij u naar recht en billijkheid zullen behandelen.
--Ja, misschien zullen zij dat doen; maar wie kan hen daartoe
dwingen? Wij hebben aan iets anders behoefte, dan aan beloften
van opperhoofden. Wij verlangen stemrecht, het recht om ambten te
bekleeden, om land te bezitten, om in de jury te zitten, om onze
jongens naar school te zenden. Wij wenschen dat deze rechten ons
worden toegekend door besluiten van het Congres, en niet afhangen
van beloften van de hoofden der Choctaws."
Dat is het politiek programma van Caddo, een vlek, door negers en
zambo's bewoond; dit zijn ook de beginselen van de Oklahoma Star,
het daar verschijnende weekblad onder redactie van een blanke, een
soort van letterkundigen en politieken avonturier.
XV.
Oklahoma.--Eene vrijstad.
Oklahoma is de naam, dien de radikalen onder de Creeks en Cherokees
wenschen te geven aan de landen der Indianen, nadat de stammen tot
een volk zullen zijn vereenigd en de jachtvelden een staat zullen
zijn geworden:--een droombeeld, waaraan sommige opgewonden dweepers
gelooven. Deze idealisten, die de wonden van hun eigen stam niet kunnen
genezen, noch eenige duizenden Cherokees kunnen bewegen onderling
in vrede te leven, koesteren evenwel de hoop dat zij de Creeks en de
Seminolen, de Choctaws en de Chickasaws met elkander zullen verzoenen,
en die allen zullen vereenigen onder eene regeering en eene banier. Nog
meer: in hunne verbeelding zien zij reeds den dag, waarop andere,
nu nog geheel wilde en heidensche stammen--de Cheyennes, de Apachen,
de Kiowas en anderen--zullen hebben opgehouden vee en vrouwen te
rooven, waarop zij hun tomahawks en skalpeermessen zullen begraven, en
novelletjes zullen lezen en whisky zullen drinken, evenals de blanken.
Voorwaar, die dag ligt nog zeer verre in het verschiet!
Eenigen tijd geleden heeft de regeering van Washington besloten,
tegenover de Indianen eene "nieuwe politiek" te volgen, met het
doel om hunne vestiging in vaste woonplaatsen en hunne bekeering
te bevorderen. Deze politiek is gegrond op het oude stelsel der
Franciskaner monniken, maar gewijzigd naar de beginselen van een
civielen staat en in verband met de bestaande toestanden. Voortaan
zullen de Indianen beschouwd en behandeld worden als "pupillen." Door
middel van bajonetten binnen zekere aangewezen terreinen saamgedreven,
worden zij nu gesteld onder de geestelijke leiding van sommige sekten,
die hen moeten voeden en onderwijzen, en ook onder het toezicht
van officieren, die hen moeten bewaken en hen neerschieten, als zij
de op het papier getrokken grenzen overschrijden.--De leeraars en
zendelingen, die natuurlijk zich gaarne bij hunne sekte aangenaam
maken, hangen een bekoorlijk tafreel op van een, tot dusver alleen
in hunne verbeelding bestaand indiaansch land, vol landhoeven
en boerderijen, tuinen, scholen en kerken. Elk indiaansch terrein
(reservation) heeft een eigen schoolfonds, op het papier; in sommige
nederzettingen vindt men ook werkelijk armoedige loodsen, met den
naam van school versierd.--De officieren voeren een andere taal:
zij behoeven geen theorie te verdedigen. Is er een blanke hoeve
uitgeplunderd of eene blanke familie geskalpeerd, dan moeten zij de
wilden najagen en tuchtigen. Een grenspost is juist geen geschikte
plaats om humanitaire illusien te kweeken. Voor zoover mijne
ondervinding gaat, is de eenvoudige waarheid deze: dat geen enkel
officier, die in de grenslanden gediend heeft, het mogelijk acht,
de volbloed Indianen te beschaven.
Nooit kan een roodhuid iets begrijpen van hetgeen een blanke zijn
wet noemt.
Neem, bij voorbeeld, de laatste uitspraak van den opperrechter Waite en
zijne geleerde bijzitters in het Hoog-Gerechtshof, en vraag dan hoe een
Creek of Cherokee, om nu van de Osages en Kickapoos te zwijgen, zulk
een wet kan begrijpen. Reeds sedert jaren gold voor de Indianen, als de
zwakste partij, de algemeene regel, dat de staat de bevoegdheid had,
hen van de eene plaats naar de andere te doen verhuizen. Als blanke
planters hunne jachtgronden in bezit wenschten te nemen, werden zij
gedwongen te vertrekken; maar hun oorspronkelijk eigendomsrecht op
den grond werd niet geloochend, en voor de in bezit genomen landen,
werden hun altijd andere in ruil gegeven. Toen zij Georgie moesten
verlaten, kregen de Cherokees een beter terrein langs de oevers van den
Vert-de-gris. In plaats van hunne vroegere woonplaatsen, ontvingen de
Creeks en Choctaws jachtgronden langs den Arkansas; de Senecas, langs
de Alleghany; de Oneidas, bij Green-Bay. De Omahas kregen landerijen
langs den Missouri; de Crows, langs de Yellowstone; de Shoshonen, langs
de Snake-River. Geen stam werd ooit uit zijn woonplaats verdreven,
dan met belofte van elders beter terrein te zullen ontvangen. Sedert
de dagen van Penn, was het nog niemand in de gedachte gekomen te
betwisten, dat het land oorspronkelijk aan de roodhuiden behoorde.
Maar Waite en zijn geleerde broederen hebben hierin verandering
gebracht. Deze rechtsgeleerden hebben uitgemaakt dat de Indianen
niet de eigenaren van den grond in het algemeen zijn, ja dat zij
zelfs geen recht van bezit hebben op hun eigen land. Volgens hen,
is de ware en echte grondeigenaar niemand anders dan het gouvernement
der Vereenigde-Staten.
Ook onder de meest ontwikkelde Creeks en Choctaws, zal er wel geen
enkele gevonden worden, die de gronden kan begrijpen, waarop deze
uitspraak van Waite rust; maar zelfs de onwetendste Indiaan begrijpt
het volkomen, dat zijn land hem niet toebehoort, dat hij niet meer
is dan eenvoudig gebruiker, en dat het hem niet langer vrijstaat een
denneboom te vellen en te verkoopen.
Volgens de "nieuwe politiek," die den geduchten oorlog met de
roodhuiden tot een soort van vrome idylle maakt en tegelijk het gansche
grondgebied der Indianen ten bate der regeering verbeurd verklaart,
wordt de inlandsche bevolking in vier groote klassen verdeeld:
1 deg.. Wilde Indianen, met wie geene andere betrekkingen kunnen worden
aangeknoopt, dan dat zij nu en dan uit de handen der regeerings-agenten
dekens en voedsel ontvangen.
2 deg.. Indianen, die ten volle overtuigd zijn van de noodzakelijkheid van
geregelden arbeid en daartoe ook willen overgaan, en die tot dat einde,
in meerdere of mindere mate, de hulp en leiding der regeerings-agenten
aanvaarden.
3 deg.. Indianen, die bereids eene hoeve of boerderij, met de daarbij
behoorende landen, het vee en verder toebehooren, in vollen eigendom
bezitten.
4 deg.. Zwervers en vagebonden.
De eerste klasse omvat, naar men zegt, acht-en-negentigduizend zielen,
en daaronder de Sioux, de Uten, de Apachen, de Kiowas, de Cheyennes, de
Comanchen en Arapahoes. De tweede klasse telt twee-en-vijftigduizend
zielen, en daaronder de Osagen, Kickapoos, Pai-Uten, Shoshonen,
Pawnees on Navajos. De derde klasse wordt geschat op honderdduizend
zielen, on daaronder Creeks, Choctaws, Cherokees, Seminolen en
Chippewais. De vierde is moeilijker te berekenen; naar men vermoedt,
telt zij twintig- of dertigduizend zielen; en daaronder Winnebogoes,
Sacs Pottawatomies en verstrooide benden van Shoshonen en Uten.
Deze verdeeling en deze statistiek is tot niet veel meer nut dan tot
stichting en opvroolijking van de welmeenende sektarissen, die heden
ten dage, met minder takt en onder ongunstiger omstandigheden, in de
westelijke vlakten de proef herhalen, bereids door de Franciskaner
monniken in Californie genomen. Maar deze onbestemde, fantastische
klassificatie heeft niet de minste praktische waarde, en wordt dan
ook geheel ter zijde gesteld door allen, die met de werkelijke feiten
te doen hebben. Voor hen bestaan er maar twee soorten van Indianen:
wilde Indianen, en half-wilde Indianen.
De eerste klasse omvat al de groote stammen en geslachten: Sioux,
Uten, Cheyennes, Arapahoes, Navajos en meer anderen. Zij zijn
nimmer onderworpen en hebben zich nimmer op vaste woonplaatsen
gevestigd. Heidenen, roovers en nomaden, beloopt hun getal omstreeks
tweehonderd-duizend zielen. Zij zijn de echte roodhuiden, wier
bloed vrij bleef van alle vermenging, onveranderlijk getrouw aan hun
voorvaderlijk geloof en aloude zeden.
Tot de tweede klasse rekent men de kleinere indiaansche stammen,
die, door voortdurende aanraking met de blanken, half ouderworpen
en eenigermate aan den grond verbonden zijn: de Indianen der missie
in Californie, de Indianen van Arizona. de Senecas in New-York, de
Chippewais in Michigan, de Winnebogoes in Nebraska, de Choctaws en
Cherokees in Oklahoma, en hunne stamgenooten elders. Deze Indianen,
meestal ingesloten tusschen nederzettingen der blanken, zijn ongeveer
honderdduizend zielen sterk: het treurig overschot van machtige
natien, die te gronde zijn gegaan. Zij zijn een weinig beschaafd,
en zeer aanzienlijk in getal geslonken. Inderdaad is de Indiaan
voornamelijk daarom bevreesd voor de gewoonten en zeden der blanken,
omdat hij bij ondervinding weet of wel bij instinkt gevoelt, dat de
eerste stap op den weg onzer beschaving voor hem tevens de eerste
stap is naar zijn physieken en zedelijken ondergang.
Kolonel Stevens, die van zeer nabij met de indiaansche zeden en
levenswijze bekend is, werd door de regeering naar de zoogenoemde
vlakte gezonden, om voor de indiaansche opperhoofden een aantal
steenen huizen te bouwen, die als lokaas moesten dienen om hunne
stammen tot onderwerping te bewegen. Na verloop van zes maanden
waren al die huizen, voor eenige vaatjes whisky, in handen van
blanken overgegaan. Slechts een voornaam opperhoofd, Lange-Antilope,
had zijn huis nog behouden; en Stevens ging hem een bezoek brengen,
meenende dat hij nu inderdaad een opperhoofd gevonden had, van wien
iets meer mocht worden verwacht dan van zijne stamgenooten. Hij vond
Lange-Antilope, zijn pijp rookende, in eene tent, nabij het venster
zijner woning opgeslagen.
"Waarom leeft gij in eene tent, Lange-Antilope, daar gij toch een
goed huis hebt?" Lange-Antilope grinnikte en antwoordde:
"Het huis goed voor het paard, niet goed voor een krijgsman.... ugh."
Stevens trad de woning binnen, en vond inderdaad het paard van
Lange-Antilope in de eetkamer staan.
De kolonel, die mij dit zelf verhaalde, voegde er bij:
"Nooit zal een volbloed Indiaan zich met de gedachte aan een huis
verzoenen. Hij begrijpt de beteekenis daarvan niet. Gij kunt hem nooit
aan zijn verstand brengen, dat eene vaste woning te kiezen, nog iets
anders beduidt dan zijne schouders met een warme deken in plaats van
met een beestevel te omwikkelen, van de agentuur brood te ontvangen,
in plaats van te gaan jagen, en zijn tijd te verdoen met rooken en
drinken, in plaats van met skalpeeren.
--Zijt gij dan van meening, dat de volbloed Indianen onvatbaar zijn
voor beschaving?
--Mij is geen voorbeeld bekend van een echten Indiaan, die zich op
eenig handwerk of bedrijf heeft toegelegd. Hij is van nature jager
en krijgsman; de aanraking met een spade of ploeg zou zijne adelijke
handen besmetten. Met de mestiezen is dit anders: van hen mag men,
ondanks den nadeeligen invloed van het wilde bloed, dat door hunne
aderen stroomt, betere dingen hopen en verwachten: in den regel toch
hebben zij een blanke tot vader."
Texas is niet volkomen een model-land; uit het oogpunt van openbare
orde en veiligheid blijft er nog zeer veel te wenschen over; niettemin
is in Texas, sedert den oorlog, een neger even zoo goed een burger
als ieder ander. Hij heeft politieke rechten, hij brengt zijn stem
uit, verschijnt als getuige voor het gerecht, is lid van de jury,
zendt zijne kinderen naar school. Hij bezit eigendom en bekleedt een
ambt. In een woord, hij is de gelijke van den blanke, voor zoo ver
het van de wet afhangt, die gelijkheid te vestigen.
Hier stuit de roodhuid op een onoplosbaar raadsel. Waarom geeft de
Groote Vader in Washington, die aan de Indianen de landen en wouden
ontneemt, hun, in ruil voor andere landen en wouden, bij plechtig
verdrag geschonken, om die, overeenkomstig het aloude gebruik te
bezitten "zoolang het zaad groeit en het water stroomt;--" waarom
geeft hij aan den zwarte zoo vele en groote voorrechten, dat hij
overal de gelijke en op vele plaatsen de meerdere van den blanke
is? Het antwoord op die vraag kunnen zij niet vinden.
Te Taliquah, het voornaamste kamp van de natie der Cherokees,
verschijnt een klein nieuwsblad, dat door een Indiaan van gemengd
bloed wordt uitgegeven. Ik ontleen daaraan het volgende, dat vrij
volledig het standpunt weergeeft, waarop een beschaafde Cherokee zich
ten aanzien der Indianen-kwestie plaatst.
"Als volk genomen, zijn wij nog niet rijp voor het amerikaansche
staatsburgerschap. Niet omdat wij niet verstandig, niet eerlijk
of niet arbeidzaam genoeg zijn, of omdat het ons te zeer aan die
onmisbare eigenschappen ontbreekt, die overal den mensch de vrijheid
waardig maken; maar wij zijn onbekend met en onervaren in die kunst van
bedrog en misleiding, waarvan de aanwending tegenover de eenvoudigen
en onergdenkenden door de vrijheid, indien al niet wordt aangemoedigd,
dan toch gewis veroorloofd, als een onvervreemdbaar recht, omdat het
ieder behoort vrij te staan, bedrieger of bedrogene te zijn."
Als antwoord op deze beweering eener onoverkomelijke scheiding tusschen
de roode en de blanke republiek in Amerika, heeft eene maatschappij
van blanken den bouw ondernomen van eene stad, een grenspost, van
waaruit zij voornemens zijn in het grondgebied der roodhuiden door
te dringen om dat gaande weg in bezit te nemen.
De afstand van Caddo naar de Red-River bedraagt dertig mijlen. Nabij
den oever der rivier is eene open plek in de jungles gemaakt, en
op de lokale kaarten draagt die ruimte den naam van Red-River-City
(stad der Roode Rivier); maar tot heden is hier geen enkel gebouw,
geen landingsplaats, geen hut of kroeg zelfs, te zien. De stad
bestaat uit eene doorgraving in de rotsen en het geraamte van een
brug. Red-River-City is zelfs niet het schaduwbeeld eener stad, met
denkbeeldige pleinen en straten, zoo als die doodgeboren lusthoven
langs de baai van San-Francisco, die nog altijd uitzien naar den
"goeden tijd." De Chickasaws en de Choctaws zijn nog te dicht in de
nabijheid. Mettertijd mag hier eene stad verrijzen, tegenover het
grondgebied der Chickasaws; maar dan moeten de roodhuiden eerst hebben
opgehouden in stammen te leven, hun land gemeenschappelijk te bezitten,
en aan de bevelen van despotieke opperhoofden te gehoorzamen.
Daar niettemin de behoefte aan eene stad op de grenzen word gevoeld,
niet alleen in het belang van den lokalen handel, maar ook voor de
veiligheid van en de gemeenschap met eene lange reeks van indiaansche
posten, daaronder begrepen Fort Sill, Port Griffin en Fort Richardson,
werd last gegeven tot het bouwen eener stad, en werd deze ook
werkelijk gebouwd.
Op vijf mijlen afstands van de brug over de Red-River, vond
kolonel Stevens, ingenieur van de spoorwegen van Texas en Kansas,
een geschikter en veiliger plaats. De kolonel (in wiens gezelschap
ik het voorrecht geniet deze streek te bezoeken) is iemand van
zeer rijke ondervinding ten aanzien van de zeden en levenswijze
der wilden. Niemand kent beter dan hij de roodhuiden, of het land
waarin zij leven. Nadat tot het bouwen eener grensstad was besloten,
koos hij zorgvuldig de plaats, daar hij niets aan het toeval wilde
overlaten. Eene wijde, zacht glooiende prairie, met een bosschage
van oude eiken, trok zijne aandacht; en bevindende dat de vlakte werd
besproeid door eene murmelende beek, de samenvloeiing van een aantal
bronnen, nam hij de plek nauwkeuriger op. Hier en daar verhieven zich
enkele rotsen; buiten het eikenboschje stonden, in het open veld,
nog eenige afzonderlijke boomen in het rond verspreid. De grond der
omringende vlakte was zeer vruchtbaar en uitnemend geschikt voor de
kultuur van katoen, rijst en mais.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 | 8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
26 |
27 |
28 |
29 |
30 |
31 |
32 |
33 |
34 |
35 |
36 |
37 |
38 |
39 |
40 |
41 |
42 |
43 |
44 |
45 |
46 |
47 |
48 |
49 |
50 |
51 |
52 |
53 |
54 |
55 |
56 |
57 |
58 |
59 |
60 |
61 |
62 |
63 |
64 |
65