A » B » C » D » E
F » G » H » I » J
K » L » M » N » O
P » R » S » T
U » V » W » Z


Engaging the Hard-to-Reach 3 December 2008 Holiday Inn Bloomsbury, London Consultation Institute
Moreover Technologies - Premier purveyor of real-time news and RSS feeds from across the Web

Fans and booksellers eager for new J.K. Rowling book
Ad - Get Info for Book Publishing from 14 search engines in 1.

Top executives to leave Random House
Holiday Inn Bloomsbury, London Consultation Institute Public debate often fails to reach all opinions that need to be heard. A panel of experts and a roundtable of colleagues and peers will discuss ways improve your organisation's community involvement

De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877 by Various



V >> Various >> De Aarde en Haar Volken, Jaargang 1877

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65



Een vel papier werd voor den dag gehaald, en daarop het plan eener
stad geteekend, met straten, pleinen, wegen en spoorbanen. Het
eikenboschje bleef onaangeroerd, en zou voor openbare wandelplaats
dienen. Ook eene school werd niet vergeten. De aanstaande stad kreeg
den naam van Denison, en er werd een dag bepaald voor den verkoop der
perceelen gronds. Aan de eerste koopers gaf Stevens de verzekering,
dat daar een spoorwegdepot zou worden aangelegd. Denison zou de
voorraadschuur en marktplaats zijn van de forten Richardson, Griffin
en Sill, die door een telegraafdraad onderling en met de stad zouden
verbonden worden. IJskelders, slachthuizen en werktuigen voor het
persen der katoen zouden al spoedig volgen. Door deze beloften en
toezeggingen moesten koopers voor de grondstukken worden aangelokt;
en daar de spoorwegen in engelsche handen zijn, en de beloften werden
gedaan met een beroep op engelsche goede trouw, hielden de Joden,
die van Dallas en Shreveport kwamen om een kijkje te nemen, zich
overtuigd dat de fortuin van die stad was gemaakt.

Weldra zag men loodsen en schuren verrijzen. Maar timmerhout
ontbrak: het eikenhout is te hard, en het land der gele pijnboomen
ligt een goede honderd mijlen ver. Niettemin werd er spoedig hout
aangevoerd. Vernemende, dat er zich eene nieuwe markt geopend had,
zonden drie firma's van houthandelaars in Saint-Louis gansche ladingen
planken en balken naar Denison-City: die planken en balken moesten een
reis doen van omstreeks zeshonderd mijlen per spoor. Eener goede markt
ontbreekt het zelden aan aanvoer; en toen de houthandelaars vernamen
dat er gebrek was aan timmerhout in Denison, zonden zij gansche
ladingen derwaarts, ofschoon de naam van Denison-City op geene enkele
kaart of in geen enkel handboek te vinden was. Het werk ging vlot van
de hand. Nelson-huis werd onder dak gebracht; voor Adams-huis werden de
grondslagen gelegd; kleine woningen verrezen hier en daar. Negers van
Caddo en Veneta, Joden van Dallas, Shreveport en Galveston, benevens
vagebonden, spelers, schacheraars en gelukzoekers van elke hemelstreek,
stroomden naar de stad. Een herberg, een verkoophuis, een danshuis
werden aldra geopend. Binnen zes maanden telde Denison eene bevolking
van duizend zielen, van allerlei kleur en geloofsbelijdenis, en was het
door geheel den omtrek beroemd als de vroolijkste stad in gansch Texas.

Er zijn nu ter nauwernood acht-en-twintig maanden verloopen,
sedert kolonel Stevens den platten grond zijner stad op het papier
teekende, en Denison telt tegenwoordig reeds eene bevolking van
vierduizend-vijfhonderd zielen. Het spoorwegdepot beslaat een vierde
van de oppervlakte der stad; en nabij dit depot bevinden zich twee
groote ijskelders, benevens slachthuizen, de katoenpers, vier kerken,
vijf herbergen en een onnoemlijk aantal speelhuizen.

Denison mag zich reeds beroemen op een mayor, acht aldermen,
"allen eerlijke demokraten," een recorder (officier van justitie),
die "de schrik der boosdoeners" is, en een kamer van koophandel. Op
onze wandeling door de stad, werd mijne aandacht getrokken door een
vrijmetselaarsloge en een paar andere clubs en societeiten. Maar de
trots van Denison is bovenal de school, een gebouw van rooden baksteen,
in dien eigenaardigen amerikaanschen tudor-stijl, die in de zuidelijke
Staten zoo algemeen is. Dit gebouw kostte vijf-en-veertigduizend
dollars, die tot den laatsten cent gevonden werden uit leeningen in
Engeland gesloten. Wat wonderlijke uithoeken der wereld worden al
niet door het engelsche goud bevrucht!

Blijft Denison zoo vooruitgaan, dan bestaat er kans dat de
geldschieters hun geld terug krijgen, en dat zij bovendien de
zelfvoldoening zullen smaken, van mede arbeiders te zijn geweest aan
een goed werk.

Met hare ruwe, luidruchtige, ongebonden bevolking, mag Denison
inderdaad aanspraak maken op den naam vau eene "vroolijke stad". Er
wordt hier zeer sterk gedronken. Het is heden Zondag; niettemin
zijn de herbergen geopend, en hoort men overal het rollen van
biljardballen. Opzichtig gekleede vrouwen drentelen door de straten,
en half-dronken kerels twisten over hunne vertering in de kroegen. En
toch wordt ge telkens herinnerd aan de vrije natuur, aan het bloeiende
veld. De hoofdstraat is met boomen beplant; in de straten rechts en
links stoot ge nog telkens op boomstronken. Op de binnenplaatsen staan
antilopen aan palen gebonden; runderen wandelen heen en weder, en
leggen zich rustig neder voor de deuren. Meisjes gaan water putten in
de beek; half ongetemde paarden rennen en draven door ruime grasvelden.

Naar het uiterlijke te oordeelen, moet de bevolking dezer grensstad
voor de helft uit negers bestaan. Nergens is een enkele Chickasaw
of Choctaw te bespeuren; geen enkele roodhuid woont te Denison;
toch is Denison nog iets anders dan enkel een voorraadschuur voor
Fort Sill en eene wijkplaats voor vrijverklaarde slaven. Het is een
kamp en voorpost van de vijanden der roodhuiden.

Ettelijke dagen na mijne aankomst in Amerika, bevond ik mij op een
stoomboot op den Potomac, en teekende in een der morgenbladen enkele
zinsneden aan, waarvan ik mij voorstelde, later gebruik te maken. Een
der passagiers dit ziende, kwam naar mij toe, en zeide:

"Gij zijt waarschijnlijk een correspondent van een der dagbladen
van New-York?

--Neen, mijnheer; ik ben een reiziger uit het oude moederland.

--Ha! een Engelschman! Kent gij Ulysses S. Grant?

--Ik heb de eer.

--Kunt gij mij dan ook zeggen wat hij met de Indianen doen wil? Ik
ben geboortig uit Texas, en vertegenwoordig de Spread Eayle (Zwevende
Arend.) Gij hebt toch wel gehoord van de Spread Eagle?--Niet? Dat is
vreemd!--Wel, ik ben naar het Oosten gekomen om te onderzoeken wat de
President zich voorstelt te doen met het indiaansche grondgebied. Als
hij het land wil openstellen, wij staan gereed voor de deur. Geheel
Denison zal de Red-River oversteken; Caddo ligt dichter bij Fort
Sill dan Denison, en zou beter geschikt zijn als voorraadschuur
en wapenplaats. Een paar woorden per telegraaf, zooals "Vooruit
maar"--en binnen een week zijn er tienduizend man te Denison, te Caddo,
te Limestone-Gap. Dat land, mijnheer, is de tuin van Amerika. Als
Ulysses S. Grant ons maar een teeken wil geven, dan zal het niet lang
meer duren of onze paarden staan aan de oevers van den Arkansas."

Ik vrees dat die journalist gelijk heeft. Vijf jaar nadat het
indiaansche grondgebied voor het kapitaal en den arbeid der blanken zal
geopend zijn--en dit moet eenmaal onvermijdelijk geschieden--zullen de
Creeks en Cherokees in Oklahoma evenmin een duim gronds meer bezitten
als thans in Massachusetts en New-York.


XVI.

De golf van Mexico.--Louisiana.

Met het aanbreken van den dag verlaten wij de haven van Galveston,
en dra verliest zich ons vaartuig in een dichten, goudgelen nevel,
die de lage kust van Saline-Pass en het omringende landschap aan
onzen blik onttrekt. Zacht wiegelen wij op de lange golven van den
Atlantischen-Oceaan. Een troep sneeuwvogels volgen fladderend ons
spoor, en rijzen en dalen in hun bevallige vlucht om hunne prooi te
grijpen. Over alles, menschen en dingen, ligt eene zekere tropische
matheid uitgespreid.

Naarmate de zon zich boven de kimmen verheft, trekt de nevel weg;
en door den doorzichtigen sluier heen, zien wij langs de kust rijen
van cypressen en katoenboomen, waarvan de wortels zich verliezen in
poelen en moerassen, en waarvan de takken zijn behangen met een
vuile parasietplant, het akelige en onheilspellende dusgenoemde
"spaansche mos".

Ons schip, tusschen Indianola in Texas en Brashear in Louisiana
laveerende, vaart voorbij twee der rijke Golfstaten, en verbindt de
haven van Galveston met den Mississippi en Nieuw-Orleans. Er zijn maar
weinig inboorlingen, hetzij Mexikanen of Amerikanen, aan boord. De
passagiers, zoowel als de bemanning, zijn voor het meerendeel Schotten
en Engelschen; want de havens en binnensteden in Texas zijn bijna
allen met engelsch geld gebouwd, en ook aanvankelijk door engelsche
familien bevolkt. Het is ook hier weder de oude geschiedenis. Wie
stichtten de volkplantingen van Virginia en Massachusetts? Wie
bevolkten Georgie, Pennsylvanie, Maryland? Wat de negentiende
eeuw aanschouwt aan de golf van Mexiko, dat zag de zeventiende te
Saint-Jamestown en Plymouth-Rock. Deze voortdurende toevoer uit het
moederland is de voornaamste steun van het blanke Amerika. In eene
eeuw is de blanke bevolking van Amerika, van omstreeks drie millioen,
geklommen tot ruim dertig millioen. Wie kan zeggen, dat het zwarte ras,
ook na zijne bevrijding, in gelijke mate zal vermenigvuldigen? Daar
schijnt veeleer alle grond om het tegendeel aan te nemen. De blanken
ontvangen voortdurend toevoer uit Europa; de negers daarentegen
ontvangen geen toevoer uit Afrika. De eene macht wast telkens aan, de
andere slinkt weg. En toch, wat noodlottigen, verderfelijken invloed
oefent dit lagere en wegsmeltende element van het menschelijk geslacht
hier niet uit! Geheel Amerika lijdt daardoor, in al zijne deelen;
vandaar, verdeeldheid tusschen broeders en broeders, kamp tusschen
Noord en Zuid, haat, verbittering en geweld. De geemancipeerde neger
is vooral geen minder geducht struikelblok, geen minder invretende
kanker in het leven der republiek, dan weleer de negerslaaf.

De vraag:--"Wat moeten wij, bij de voortgaande ontwikkeling van
vrijheid, verlichting en beschaving, aanvangen met die rassen, op
onzen grond levende, en die ten aanzien van vrijheid, verlichting
en beschaving toch op den allerlaagsten trap staan?"--deze vraag
heeft bereids een derde deel van Amerika in het verderf gestort,
en de volvoering der edele taak, door de engelsche pelgrimvaders
aan de republiek nagelaten--de grondvesting van vrije staten in dit
werelddeel--tot eene nog niet te berekenen toekomst verschoven.

"In het Zuiden geboren, en gewoon de slavernij te beschouwen als
eene maatschappelijke en huiselijke instelling, ben ik steeds van
meening geweest dat de slavenkwestie een voorbijgaand euvel was,"
zegt een medepassagier, nevens mij op het achterdek gezeten.

--Een voorbijgaand euvel? Meent gij dat die kwestie van zelve zou
zijn opgelost?

--Ja, buiten eenigen twijfel.

--Zonder burgeroorlog?

--Ja zeker, zonder burgeroorlog. Ik ga verder. Als wij de kwestie
in haar geheel beschouwen--dat wil zeggen, letten zoowel op den
toestand van den vrijen neger als op dien van den slaaf;--dan beweer
ik, dat het probleem, zonder den burgeroorlog, spoediger zou zijn
opgelost. De Vereenigde-Staten zouden dan niet verdeeld en verscheurd
zijn geworden door eene zwarte en eene blanke ligue. In vollen
vrede, en door zedelijke middelen, zou de zedelijke emancipatie zijn
tot stand gebracht, met medewerking van alle brave en weldenkende
lieden. De militaire emancipatie overviel ons op het onverwachst,
midden in een heftigen oorlog, en ontketende, in bitteren wrok,
enkele van de snoodste hartstochten in het menschelijk hart. Wat
heeft de oorlog uitgewerkt?

--Hij heeft de slavernij vernietigd.

--Pardon:--de oorlog heeft de vrijheid vernietigd. Waar is de republiek
nu? Wat is er geworden van dat gemeenebest, het gedroomde ideaal van
Franklin, door Washington ons nagelaten? Hebben wij het te zoeken in
Nieuw-Orleans, in Vicksburg, in Richmond? Wat rest ons van onze zoo
hoog geroemde plaatselijke autonomie, ons zelfbestuur, waarop wij
zoo trotsch waren?"

Met het krieken van den dag uit mijn kooi springende, en door het
venster mijner hut kijkende, zie ik in de verte eene strook lands,
met een rij hooge boomen, behangen met het sombere, doodsche spaansche
mos. Maar wat is dat? Een witte zandbank ligt bloot en droog onder
de schroef der boot! Zitten wij aan den grond? Is die witte vogel
daar eene kraan? Zijn wij inderdaad nog in zee?

Boven komende, zie ik dat wij door een kanaal stoomen, door middel van
boomstammen-palissaden afgebakend. Dit kanaal, zeven mijlen lang en
twaalf voet diep, loopt tusschen het eiland Marsh en de moerassen van
Terre-Bonne, langs de oevers van de Atchafalaya. Op den oostelijken
oever dier rivier ligt de haven van Brashear, die haar ontstaan en
opkomst dankt aan de noodzakelijkheid om, na de kolonisatie van Texas,
een korter en veiliger gemeenschap te openen tusschen Galveston en
Nieuw-Orleans, dan de weg over Passe-a-Loutre. De reis werd daardoor
voor de helft verkort. Per as en per boot kan men nu in iets meer
dan vier-en-twintig uren van Galveston naar Nieuw-Orleans gaan.

Wij zijn te Brashear. Hebben wij hier land of water? Het is eene
mengeling van modder en slijk, poelen en goten, slooten en grachten:
een akelig ongezond moeras, een kweekplaats van de koorts, aan drie
zijden door jungles en kreupelhout omgeven, waarin iedere boom met
spaansch mos is overdekt. Dit spookachtige, muisgrauwe gewas hangt
in webben en kluwen van alle takken.

"Let op deze plant, zeide mij een bewoner van Brashear, die mij
de merkwaardigheden der plaats toonde. Zoodra gij haar ergens
ontmoet--verwijder u dan, zoo snel uw paard loopen kan. Wij noemen
haar koorts-mos. Haar tegenwoordigheid is een onfeilbaar teeken,
dat de lucht vol is van miasmen en koorts.

--De plant schijnt toch zeer algemeen verspreid; ik heb haar overal
langs de Golf ontmoet.

--Langs deze Golf zijn ziekte en dood ook zeer algemeen verspreid. Dit
mos groeit in elk moeras en in elken poel, langs alle meeren en
baaien. Gij vindt het in oostelijk Texas en zuidelijk Louisiana, in
westelijk Florida, en langs de oevers der binnenwateren van Alabama."

Deze leelijke, walgelijke, stinkende woekerplant is zoo goed als
onbruikbaar. De negers trekken haar uit en begraven haar in den
grond. Na verloop van tien of twaalf dagen, is de stank verdwenen;
dan delven zij de plant weder op en drogen haar in de zon; daarna
gebruiken zij haar, in plaats van stroo, om matrassen en hoofdkussens
te vullen. Naar men zegt, slapen de negers bij voorkeur op dit
gedroogde koorts-mos.

Brashear is eene kolonie van negers, en een van de bolwerken der
zwarte Ligue. Met uitzondering van een twaalftal beambten bij de
verschillende stoombootdiensten en spoorwegen, zijn er geen blanken in
Brashear te vinden. Op den drempel van elke woning staat een neger;
in elke goot stoeien zwarte kinderen. Kroegen, biljardkamers en
loterijkantoren zijn opgevuld met negers, meest allen met de dikke
lippen, het wollige kroeshair, de breede aangezichten en de pikzwarte
huid hunner afrikaansche voorouders.

Een enkele blik in de straten en stegen van Brashear is voldoende
om u te overtuigen, dat, in tegenstelling met Texas, Louisiana een
land is, waar carpet-baggers en scalawags [3] alle kans hebben om
eene meerderheid van stemmen aan hun zijde te krijgen. Daar elke
neger rechtens burger, en elke burger kiezer is, kan niemand die
zwarte menigte verhinderen, zoo haar dit goeddunkt, zwarte wetgevers
te kiezen en een negerwetboek uit te vaardigen. Vereenigd, zijn zij
onweerstaanbaar, en kunnen zij alles doordrijven wat zij willen. Zij
kunnen een neger tot sheriff, een anderen neger tot rechter kiezen,
en langs wettigen weg in Amerika de bekende "gebruiken" invoeren van
Yam, Dahomey en Addai. Het afrikaansche brein is beperkt van begrip.

In Louisiana hebben de negers, bij de verkiezingen, ongetwijfeld
de meerderheid, al is die meerderheid ook niet groot. Zij willen
dan ook dat de meerderheid der leden in de Kamer uit negers besta,
en de regeering op op hun hand zij. Zij worden geholpen en gesteund
door federale troepen. Hun kandidaat William P. Kellogg is door den
President Grant erkend als gouverneur van Louisiana.--En toch, let
eens op den trein, die ons naar Nieuw-Orleans brengt! Volgens de wet
staat de neger geheel gelijk met den blanke; de spoorwegmaatschappij
past op hem hetzelfde tarief toe als op den blanke. Wordt hem nu
ook het meest eenvoudige recht vergund, en mag hij plaats nemen in
elken wagen, dien hij verkiest? Volstrekt niet. Een iersch matroos,
een amerikaansche marskramer mogen gaan zitten waar zij willen;
maar een man of vrouw van afrikaansch bloed niet alzoo. Zijn vriend,
de carpet-bagger, kan hem wel het stemrecht bezorgen, maar niet eene
plaats in den spoorwagen. Hier regeeren de dames. De dames nu zijn
allen conservatief, dat wil zeggen tegen de gelijkstelling der negers;
en in Amerika kan niets gedaan worden, zoodra de vrouwen er zich tegen
verzetten. De zwarten worden dan ook opeen gepakt in den voorsten
wagen, vlak achter de lokomotief, waar zij half stikken van den rook,
die hun de oogen verblindt. Sommigen zijn er niet minder vroolijk om;
anderen mokken; maar ondanks hunne bij uitnemendheid ongeriefelijke
plaats, komt het niemand hunner in de gedachten, in een der andere
wagens plaats te nemen.

"Mengt zich nooit een neger in uw gezelschap? vraag ik aan een
reiziger.

--Nooit! antwoordt hij, terwijl een verachtelijke glimlach om zijne
fijne, aristokratische lippen speelt. Een neger plaats nemen tusschen
onze vrouwen en zusters!

--Heeft hij daar dan geen recht toe?

--Voor zoover wetten en reglementen hem recht geven kunnen,--ja. Maar
hij kent zijne plaats veel beter dan de scalawags. Als wij slechts van
Kellogg en zijne kliek verlost waren, zouden wij met de zwarten geen
moeite meer hebben. Zij kennen ons, en wij kennen hen. Het was een
misdaad, hun stemrecht te geven; maar wij zouden het met de zwarte
kiezers wel weten te vinden, als de federale troepen slechts werden
teruggeroepen.

--Zijt gij niet bang voor hunne meerderheid?"

--Neen, volstrekt niet; mits slechts geen militaire chef zich aan
het hoofd dier meerderheid stelt. Wat wij bovenal hebben te duchten,
is het caesarisme:--de regeering van den sabel, die alle beginselen
van recht en vrijheid met voeten treedt. Waarom, met welk doel, heeft
men, bij voorbeeld, generaal Sheridan naar Nieuw-Orleans gezonden?"

Na een oogenblik zwijgens, terwijl ik aan mijne gedachten den vrijen
loop liet, vervolgde hij: "Wie weet of wij, in de stad komende, haar
niet in staat van beleg zullen vinden; misschien wel, de straten
rookende van burgerbloed, de openbare gebouwen in vlammen...?"

Saint-Charles! Achttien mijlen van Nieuw-Orleans! Nog een uur
sporens! Wij werpen een vluchtigen blik op het landschap, terwijl
vijvers en moerassen, ceders en palmen ons in haastige vaart voorbij
glijden. Maar het is ons niet mogelijk, onze aandacht te schenken
aan hetgeen het landschap ons te aanschouwen geeft. Een prachtig
oranjeboschje, stralende in den purperen goudglans der rijpe vruchten,
mag een onwillekeurigen kreet van bewondering ontpersen; maar ook de
kalmste en bedaardste onder ons kan zijne ontroering niet bedwingen,
want wij weten dat, elke wenteling der rennende raderen ons nader
voert tot het tooneel van een ernstigen strijd, waarop de oogen van
veertig millioen burgers, in hartstochtelijke beweging van hoop en
vrees, gevestigd zijn.

President Grant beweert dat er "regeeringloosheid in Louisiana
heerscht." Niemand twijfelt daaraan; maar generaal Mac-Enery en de
blanke burgers beweeren dat deze heerschappij der regeeringloosheid
door Grant zelven werd gevestigd, en nog in zijn eigen belang
voortdurend in Nieuw-Orleans wordt staande gehouden. Deze
"heerschappij" dagteekent van nu twee jaar geleden: zij begon met
een telegram, aan Stephen B. Paekard gericht, en aldus luidende:


Washington. Departement van Justitie, 3 Dec. 1872.

"Gij moet de besluiten van de Hoven der Vereenigde-Staten doen
uitvoeren, onverschillig wie zich daartegen verzet; generaal Emory
zal tot dat einde de noodige troepen tot uwe beschikking stellen.

George H. Williams.

Prokureur-generaal."


Dit telegram was een raadsel. Stephen B. Packard is een carpet-bagger,
dien de President naar Nieuw-Orleans heeft gezonden, bekleed met de
waardigheid van maarschalk der Vereenigde-Staten. [4] Generaal Emory
is belast met het militair kommando in het departement der Golf. Maar
wie waren de vijanden, die de maarschalk Packard en de generaal Emory
hadden te bestrijden? Tegen geene enkele uitspraak van de Hoven der
Vereenigde-Staten was men te Nieuw-Orleans in verzet gekomen; ook
verwachtten die Hoven zelven geenerlei verzet. De rechter Durell,
de eenige federale magistraat in Louisiana, had nimmer eene klacht
ingediend. Waarom werd dan een ondergeschikt beambte, zooals Packard,
door den prokureur-generaal, den wettigen raadsman van den President,
aangemaand, de militaire macht te hulp te roepen om uitvoering te
geven aan de uitspraken van dien rechter?

Naar men vermoedde, had President Grant, met het aannemen van deze
gedragslijn tegenover Nieuw-Orleans een dubbel oogmerk: vooreerst,
wilde hij zich van de meerderheid der stemmen van Louisiana verzekeren
voor zijne herkiezing als President; ten tweede, wilde hij zijn
schoonbroeder, James B. Casey, tot lid van den Senaat voor dien staat
doen benoemen. Voorzeker kon, ter bereiking van deze beide oogmerken,
een gewetenlooze President gebruik maken van het federale leger; maar
de rechter Durell deed zijn best om zijn vriend Norton tot senator
te doen verkiezen, en zou dus zeer waarschijnlijk de kandidatuur van
Casey niet bevorderen. Noch de gouverneur Warmoth, noch de generaal
Mac-Enery konden de bedoeling van dien geheimzinnigen last raden. Tegen
wien moest Packard de federale troepen doen oprukken? De tijd zou
het raadsel oplossen.

Stephen B. Packard ontving zijn telegram des Woensdagsavonds. Den
volgenden avond reeds werd hij, om belangrijke zaken, bij Durell
ontboden. Billings, een prokureur en zaakwaarnemer van de scalawags,
zat bij Durell aan tafel, en schreef een lastgeving, waarvan de inhoud
door den rechter aan zijn bezoeker werd medegedeeld. Packard moest
troepen ontbieden, het Statenhuis (de vergaderzaal der Kamers van den
staat) bezetten, en niemand den toegang tot dat gebouw vergunnen. Te
Nieuw-Orleans is het Statenhuis of Kapitool tegelijk de zetel van het
uitvoerend bewind en van de wetgevende macht. Packard moest verder
den gouverneur verdrijven, zich van de archieven meester maken, en de
deuren sluiten. Nadat Durell het door Billings geschreven stuk had
onderteekend en aan Packard ter hand gesteld, spoedde deze laatste
zich naar de kazernen, liet eene kompagnie soldaten onder de wapenen
komen, en bezette daarmede, in het holst van den nacht, het Kapitool.

De wettigheid van deze handeling zal zeker wel door niemand, zelfs
niet door President Grant, worden beweerd. Intusschen kreeg Durell
zijn loon. Casey zag van zijne kandidatuur af; hij trok zich uit den
strijd terug en gaf de voorkeur aan de winstgevende betrekking van
collecteur (ontvanger der belastingen), terwijl Durell's vriend Norton,
in een der graafschappen, door de scalawags kandidaat werd gesteld.

Generaal Warmoth, gouverneur van Louisiana, een gematigd, vreedzaam
man, was aan de beurt van aftreding; eene poging om hem te doen
herkiezen, was mislukt. Om het gouverneurschap on onder-gouverneurschap
streden vier kandidaten: aan de eene zijde de generaals Mac-Enery
en Penn, twee gunstig bekende officieren; aan de andere, William
P. Kellogg, een rechtsgeleerde uit Illinois, en Cesar C. Antoine,
neger en pakkedrager van beroep.

Na afloop der verkiezingen schreven de beide partijen zich de
overwinning toe; en zoo lang de Kamers niet bijeen waren, kon niemand
zeggen wie eigenlijk de zege had behaald. De zaak zou misschien aan
de beslissing van het Hooggerechtshof van Louisiana moeten worden
onderworpen; maar daar de gouverneur Warmoth nog gedurende zes of
zeven weken in functie zou blijven, was er overvloedig tijd om de
stemmingslijsten te onderzoeken, voor dat Louisiana zonder wettigen
gouverneur en zonder regelmatig bestuur zou zijn. Mac-Enery was bereid
te wachten op de bijeenkomst der Kamers; maar Kellogg durfde zich
niet te verlaten op eene Kamer, waarin Warmoth den voorzittersstoel
zou bekleeden: zijne handelingen riepen het tijdperk der anarchie in
het leven.

William Pitt Kellogg, een advokaat zonder praktijk, had Illinois
verlaten om zijne fortuin te beproeven te Nieuw-Orleans. Honderden
zijner landgenooten, den koesterenden zonneschijn aan de Golf
verkiezende boven den ijzigen nevel van het meer Michigan, doen
hetzelfde. Hij kwam te Nieuw-Orleans met een reiszak (carpet-bag),
een gladde tong, en een behoorlijke dosis "gevoel." De befaamde John
Brown was zijn held; en geleid door den "geest" van dien zoogenaamden
martelaar der emancipatie, wist hij het aldra zoo ver te brengen,
dat hij door de stemmen der negers in den Senaat van Louisiana werd
gebracht. Schraal en mager van gestalte, vulgair en kruipend van
manieren, in kleeding, voorkomen en taal den vrome uithangende,
wist hij niet alleen de harten der negers te winnen, maar ook de
aandacht van de leiders der republikeinsche partij in Washington
op zich te vestigen, als op iemand, die uitnemend geschikt zou
zijn voor de uitvoering hunner plannen. Kellogg was druk bezig
te intrigeeren om tot senator voor Louisiana te worden benoemd,
toen de nog schitterender en vooral winstgevender betrekking van
gouverneur zijne aandacht trok. Deze betrekking is per jaar achtduizend
dollars in goud waard; de gouverneur van Louisiana is, na dien van
Pennsylvanie, de hoogst bezoldigde in geheel de Vereenigde-Staten:
bovendien brengen zijne emolumenten van allerlei aard hem nog wel
het dubbele van zijn officieel salaris op. Als de gouverneur gaarne
spoedig fortuin wil maken, en, naar amerikaansche wijze, niet al te
kieskeurig is ten aanzien der middelen, dan staan in het rijke en
handeldrijvende Nieuw-Orleans bijna onuitputtelijke hulpbronnen te
zijner beschikking. Naar men verzekert, heeft de gouverneur Warmoth
op het Statenhuis zijn fortuin gemaakt.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 | 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 | 49 | 50 | 51 | 52 | 53 | 54 | 55 | 56 | 57 | 58 | 59 | 60 | 61 | 62 | 63 | 64 | 65
Copyright (c) 2007. topknownbooks.com. All rights reserved.